Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:1949 
 
Datum uitspraak:05-02-2026
Datum gepubliceerd:05-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.26082 en NL25.38859
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Referent is uit Gaza afkomstig en woont sinds 2009 in Nederland. Eisers zijn de ouders en meerderjarige zussen van referent. Zij verblijven in Gaza en willen naar Nederland komen om bij referent te verblijven. Zij beroepen zich hierbij op artikel 8 van het EVRM. De minister heeft de aanvraag om eisers een machtiging tot voorlopig verblijf te verstrekken, afgewezen. Aan deze besluitvorming heeft de minister ten grondslag gelegd dat tussen referent en eisers geen sprake is van zogenoemde ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’. Eisers zijn het daar niet meer eens, maar hun beroep slaagt niet.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.26082 en NL25.38859


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen






[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] ,


[eiseres 1]
, V-nummer: [V-nummer] ,


[eiseres 2]
, V-nummer: [V-nummer] , en


[eiseres 3]
, V-nummer: [V-nummer] , tezamen: eisers,
(gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni),

en

de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).





Inleiding en procesverloop

1. [referent] (referent) heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor eisers met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’.


1.1.
De minister heeft deze aanvraag met een besluit van 15 juli 2024 afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.



1.2.
Eisers hebben op 10 juni 2025 beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig op het bezwaar heeft beslist.



1.3.
Met een besluit van 10 juli 2025 (bestreden besluit) heeft de minister alsnog op het bezwaar van eisers beslist en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.4.
Het beroep van eisers wordt geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit.



1.5.
Eisers hebben ook een voorlopige voorziening gevraagd, die ertoe strekt dat op korte termijn een machtiging tot voorlopig verblijf aan eisers wordt verstrekt.



1.6.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.






Beoordeling door de rechtbank


Inleiding en feiten


2. In deze uitspraak komt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) tot het oordeel dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk is, dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


2.1.
Eisers zijn de ouders en zussen van referent. Referent is oorspronkelijk afkomstig uit Gaza en woont sinds 2009 in Nederland. Eisers wonen in Gaza. Eisers willen in Nederland verblijven met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’, op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


Beroep tegen niet-tijdig beslissen


3. Eisers voeren aan dat de minister niet tijdig op hun bezwaar heeft beslist.



3.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaarschrift heeft beslist en dat eisers de minister rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld. Eisers hebben echter geen procesbelang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op hun bezwaar. Voor procesbelang is immers vereist dat het doel dat een belanghebbende voor ogen staat, met het ingestelde rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. De minister heeft met het bestreden besluit echter alsnog op het bezwaar van eisers beslist. Het doel dat eisers wilden bereiken met dit beroep, namelijk dat er een beslissing op hun bezwaar zou worden genomen, is daarmee al bereikt. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar van eisers is daarom niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan procesbelang. Er is wel aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar terecht is ingesteld.


Beroep tegen het bestreden besluit


4. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat referent en eisers meerderjarig zijn en dat in een dergelijke situatie alleen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM wanneer tussen de familie-/gezinsleden sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De minister stelt zich op het standpunt dat dit hier niet het geval is.



4.1.
Eisers stellen dat wel sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zij voeren aan dat tussen referent en eisers hechte banden bestaan. Die banden zijn nog versterkt doordat eisers vanwege de situatie in Gaza steeds meer afhankelijk zijn geworden van de hulp van referent. Eisers kunnen zelf nauwelijks in hun levensonderhoud voorzien. Referent steunde eisers lange tijd financieel, maar het is nu niet meer mogelijk om geld naar Gaza te sturen. Eisers kunnen in Gaza ook niet terugvallen op andere familieleden, omdat iedereen zelf moet overleven. Eisers zijn dus afhankelijk van referent. Verder wijzen eisers op hun medische situatie. Wat betreft de banden met het land van herkomst voeren eisers aan dat het Gaza waar zij sterke banden mee hadden niet meer bestaat. Tot slot voeren eisers aan dat de minister de aanvraag ruimhartig zou moeten beoordelen, gelet op de genocide die in Gaza plaatsvindt.




4.2.
Niet in geschil is dat referent en eisers meerderjarig zijn. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat relaties tussen volwassen familieleden onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen vallen, als de banden tussen hen zijn aan te merken als "further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties".1 De minister moet een op het geval toegespitste beoordeling maken van alle aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat de gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid tussen betrokkenen, de gezondheid van betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en het antwoord op de vraag of betrokkenen hebben samengewoond, kunnen een rol spelen.



4.3.
Voor zover eisers beogen te betogen dat de situatie in Gaza aanleiding geeft om deze aanvraag anders te beoordelen dan in andere gevallen, overweegt de rechtbank dat de situatie in Gaza in deze zaak slechts een rol speelt voor zover deze van invloed is op het familie- of gezinsleven, meer in het bijzonder op de in 4.2 bedoelde bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het gaat in deze zaak niet om de vraag of uit Gaza afkomstige personen recht hebben op internationale bescherming.



4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, zoals bedoeld in 4.2. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser al sinds 2009 in Nederland woont en lange tijd geen contact heeft gehad met zijn familie in Gaza. Tevens heeft de minister belang mogen hechten aan het gegeven dat referent destijds Gaza is ontvlucht omdat hij, vanwege zijn homoseksuele gerichtheid, juist vreesde voor zijn familie. Uit stukken van de UNHCR blijkt dat referent hierover in 2008 onder meer heeft verklaard dat zijn vader hem vanwege zijn homoseksuele gerichtheid meerdere dagen aan een boom heeft vastgebonden en ernstig heeft mishandeld. Hoewel niet is uitgesloten dat de band tussen referent en diens familie inmiddels is veranderd, is onvoldoende van die ontwikkeling gebleken om thans de conclusie te kunnen dragen dat tussen referent en eisers sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft daarnaast bij het beoordelen van de aanwezigheid van bijkomende elementen van afhankelijkheid mogen betrekken dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het voor referent niet mogelijk is hen op afstand financieel te ondersteunen.2 Eisers stellen dit wel, maar zij hebben dit – ondanks de gemotiveerde betwisting van de zijde van de minister – niet onderbouwd. Dat geldt ook voor de gestelde medische klachten van eisers. De rechtbank begrijpt dat de situatie in Gaza het aanleveren van medische documenten bemoeilijkt, maar in dit geval ontbreekt elke onderbouwing van de gestelde medische situatie. Verder heeft de minister waarde mogen toekennen aan het feit dat eisers zijn geboren in Gaza en daar hun hele leven hebben gewoond. Eisers zijn nooit in Nederland geweest en de enige band die zij met Nederland hebben is dat referent hier woont.




4.5.
Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is.


Voorlopige voorziening


5. Met deze uitspraak is op het beroep van eisers beslist. Voor het treffen van de door eisers gevraagde voorlopige voorziening bestaat daarom geen aanleiding meer. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.


Verzoek om stuk in te dienen


6. De gemachtigde van eisers stelt dat de minister de volledige (concept)minuut van het besluit dat destijds in de asielprocedure met betrekking tot referent is genomen, moet indienen als op de zaak betrekking hebbend stuk.



6.1.
Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Het gaat daarbij om stukken die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. De gemachtigde van eisers heeft onvoldoende toegelicht waarom dit aan de orde zou zijn voor het door hem gewenste stuk. Er is daarom geen reden de minister te vragen dit stuk alsnog in te dienen.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar is niet-ontvankelijk. Eisers krijgen wel een vergoeding van hun proceskosten voor het indienen van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op hun bezwaar. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).


7.1.
Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.



7.2.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.





Beslissing

De rechtbank


in de zaak NL25.26082:

- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;



veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 934,-;



in de zaak NL25.38859:



wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.


Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:


05 februari 2026














Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


___________________
1. zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 2 september 2020 in de zaak van Azerkane (ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816) en de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1188) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3275).
2 Vgl. o.m. de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3275).
Link naar deze uitspraak