|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:567 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_3865 en 25_3866 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Vaststelling aflossingscapaciteit door UWV. UWV hoeft geen rekening te houden met schuld aan het CJIB. Beroep ongegrond. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. | | Trefwoorden | : | uitkering | | | wao | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/3865 en ZWO 25/3866
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
gemachtigde: [gemachtigde].
Procesverloop
1.1
Bij besluit van 31 juli 2025 heeft het UWV eisers aflossingscapaciteit vastgesteld op
€ 115,- per maand. De beslagvrije voet heeft het UWV daarbij vastgesteld op € 2.108,- en eisers netto inkomen op € 1.993,- per maand.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ter vervanging van het besluit van 31 juli 2025 heeft het UWV op 30 september 2025 twee besluiten genomen. Bij het eerste besluit van 30 september 2025 heeft het UWV eisers aflossingscapaciteit vastgesteld op € 115,- per maand. De beslagvrije voet heeft het UWV daarbij vastgesteld op € 2.325,- en eisers netto inkomen op € 2.044,- per maand.
Dit besluit is vervangen door het tweede besluit van 30 september 2025, waarmee het UWV eisers aflossingscapaciteit heeft vastgesteld op € 115,- per maand. De beslagvrije voet heeft het UWV daarbij vastgesteld op € 2.325,- en eisers netto inkomen op € 2.440,- per maand. Het UWV heeft het bezwaar mede gericht geacht tegen deze besluiten.
1.3
Met het bestreden besluit van 25 november 2025 heeft het UWV eisers bezwaar ongegrond verklaard. Eisers aflossingscapaciteit blijft € 115,- per maand. De beslagvrije voet heeft het UWV vastgesteld op € 2.108,- en het UWV heeft rekening gehouden met eisers maandelijkse aflossing aan een hoger preferente schuldeiser van
€ 217,- per maand. Eisers netto inkomen is vastgesteld op € 2.440,- per maand.
1.4
Eiser heeft beroep (ZWO 25/3865) ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (ZWO 25/3866) te treffen.
1.5
Het UWV heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.6
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.
1.7
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen. Partijen hebben er ter zitting ook mee ingestemd dat de voorzieningenrechter meteen uitspraak doet in de bodemzaak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1
Eiser heeft vanaf 18 november 1999 met onderbrekingen een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Deze WAO-uitkering is herzien over de periode van 1 februari 2013 tot 1 maart 2020 in verband met inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden. Van eiser is een bedrag van € 35.851,49 bruto aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd. Ook is eiser een boete opgelegd van € 40,- wegens schending van de inlichtingenplicht. Deze besluitvorming is na bezwaar, beroep en hoger beroep in stand gebleven.
2.2
Bij brief van 19 juni 2025 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij nog € 34.441,49 moet betalen. Daarbij is hem het formulier I Inkomens- en vermogensonderzoek toegezonden met het verzoek dit in te vullen en per post aan het UWV te sturen. Na ontvangst van de nodige gegevens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder Procesverloop.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het spoedeisend belang
3.1
De voorzieningenrechter heeft eiser verzocht zijn spoedeisend belang nader te onderbouwen. Eiser heeft hierop gereageerd met de brief van 2 januari 2026. Eiser heeft aangevoerd dat hij op het bestaansminimum en zelfs onder de beslagvrije voet verkeert. Door een lopende ontnemingsvordering van het CJIB is eiser verplicht alles af te dragen dat hij boven het absolute minimum ontvangt, omdat hem anders tenuitvoerlegging van vervangende gijzeling voor de duur van drie jaar boven het hoofd hangt. Hij dient maandelijks € 500,- te betalen aan het CJIB. Eiser is van mening dat sprake is van een acute noodsituatie, aangezien hij structureel tekort komt om te voorzien in zijn meest elementaire levensbehoeften.
3.2
Gelet op het aangevoerde, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een spoedeisend belang aan te nemen. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat het UWV een spoedeisend belang niet uitdrukkelijk heeft bestreden.
De aflossingscapaciteit
4. Eiser stelt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Ook is sprake van strijd met fair play en rechtszekerheid en strijd met het recht op een eerlijk proces, gezien het ontbreken van een eerlijke en volledige toegang tot informatie voorafgaand aan het bezwaar, waardoor effectieve rechtsbescherming is beperkt. Het UWV heeft drie verschillende berekeningen en bedragen vastgesteld, waarbij telkens de onderbouwing ontbrak of wijzigde. Deze berekeningen worden voor het eerst zichtbaar gemaakt in de beslissing op bezwaar. Hierdoor was inhoudelijk bezwaar tegen deze informatie onmogelijk. Gelet op de wisselingen in netto bedragen, is tevens sprake van willekeur. Eiser heeft verzocht om opschorting van enige invordering of verrekening verbonden aan het bestreden besluit totdat uitspraak is gedaan.
Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat volgens hem rekening gehouden moet worden met zijn betalingen aan het CJIB.
5. Bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit dient eiser te blijven beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het UWV heeft de beslagvrije voet vastgesteld op € 2.108,-. Tevens houdt het UWV rekening met een maandelijkse aflossing van € 217,- aan een hoger preferente schuldeiser. Vermindering van het inkomen van
€ 2.440,- met het bedrag van € 2.108,- en het bedrag van € 217,- levert een aflossingscapaciteit op van € 115,-. Eiser heeft deze berekening van het UWV op zichzelf niet bestreden.
6. Op grond van artikel 59 van de WAO is de vordering van het UWV bevoorrecht (preferent). Dat betekent dat het UWV bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit geen rekening hoeft te houden met betalingsregelingen die eiser met andere, niet preferente schuldeisers heeft getroffen. Voor het standpunt van eiser dat het CJIB ook een preferente schuldeiser zou zijn, bestaat geen wettelijke grondslag. Het mag zo zijn dat het CJIB zich feitelijk een preferente positie verschaft door te dreigen met gijzeling, maar – wat er ook zij van de strafrechtelijke gevolgen van het niet voldoen aan strafrechtelijke veroordelingen – in de civielrechtelijke rangregeling bij verhaal op het vermogen van eiser, houdt die positie van het CJIB geen stand. De geldvordering van het CJIB betreft geen preferente maar een concurrente schuld. Bij zijn berekening van eisers aflossingscapaciteit heeft het UWV dan ook terecht de betalingsregeling met het CJIB van € 500,- per maand buiten beschouwing gelaten.
7. Ten aanzien van hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd merkt de voorzieningenrechter op dat, voor zover sprake is geweest van strijd met één of meer van de door eiser genoemde rechtsbeginselen, vastgesteld moet worden dat het UWV deze met het bestreden besluit heeft hersteld.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het UWV het aflossingsbedrag te hoog heeft vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijkt.
10. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
11. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser ook het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|