Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2025:1910 
 
Datum uitspraak:11-11-2025
Datum gepubliceerd:12-02-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:23/1052 PW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Deze zaak gaat over de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand, de afwijzing van een aanvraag om bijstand en de buitenbehandelingstelling van een aanvraag om bijstand. Verder gaat deze zaak over de afstemming van bijstand wegens betaling van huurbedragen ten behoeve van appellant aan de verhuurder door zijn broer en het op de bijstand in mindering brengen van bedragen van € 200,- per maand voor de ontvangst van bedragen voor levensonderhoud. Volgens het college had appellant een caravan in zijn bezit, wat hij niet had gemeld. Omdat niet duidelijk was of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, heeft het college de bijstand ingetrokken en teruggevorderd en de aanvraag afgewezen. Omdat appellant bankafschriften niet tijdig heeft overgelegd heeft het college de vervolgens ingediende aanvraag buiten behandeling gesteld. Appellant krijgt geen gelijk ten aanzien van de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing en buitenbehandelingstelling van de aanvragen. Appellant krijgt wel gelijk voor zover het college de nadien toegekende bijstand heeft afgestemd en bedragen op de bijstand in mindering heeft gebracht. Anders dan het college stelt, is wel sprake van leningen ten behoeve van levensonderhoud.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
huurovereenkomst
levensonderhoud
perceel
uitkering
 
Uitspraak
23/1052 PW, 23/1053 PW, 23/1054 PW, 23/3281 PW


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer










Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 24 februari 2023, 20/2185 (aangevallen uitspraak 1), 21/2284 (aangevallen uitspraak 2), 21/2963 (aangevallen uitspraak 3) en van 23 november 2023, 23/942 (aangevallen uitspraak 4)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)






Datum uitspraak: 11 november 2025

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand, de afwijzing van een aanvraag om bijstand en de buitenbehandelingstelling van een aanvraag om bijstand. Verder gaat deze zaak over de afstemming van bijstand wegens betaling van huurbedragen ten behoeve van appellant aan de verhuurder door zijn broer en het op de bijstand in mindering brengen van bedragen van € 200,- per maand voor de ontvangst van bedragen voor levensonderhoud. Volgens het college had appellant een caravan in zijn bezit, wat hij niet had gemeld. Omdat niet duidelijk was of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, heeft het college de bijstand ingetrokken en teruggevorderd en de aanvraag afgewezen. Omdat appellant bankafschriften niet tijdig heeft overgelegd heeft het college de vervolgens ingediende aanvraag buiten behandeling gesteld. Appellant krijgt geen gelijk ten aanzien van de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing en buitenbehandelingstelling van de aanvragen. Appellant krijgt wel gelijk voor zover het college de nadien toegekende bijstand heeft afgestemd en bedragen op de bijstand in mindering heeft gebracht. Anders dan het college stelt, is wel sprake van leningen ten behoeve van levensonderhoud.




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft incidenteel hoger beroepen ingesteld en verweerschriften ingediend.

De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 30 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Penners. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.L.J.H. Stevenhaagen.

Ter zitting heeft het college de incidenteel hoger beroepen ingetrokken.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.
Appellant ontving vanaf 15 februari 2013 tot 27 februari 2019 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de bijstand beëindigd met ingang van 27 februari 2019, omdat appellant opgevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. Op 27 maart 2019 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag afgewezen.

Aanvragen om bijstand



1.2.
Op 16 december 2019 heeft appellant zich opnieuw gemeld voor bijstand en appellant heeft op 30 december 2019 een aanvraag (aanvraag 1) ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij een caravan ter waarde van € 4.000,- bezit.


1.3.
Een medewerker van de afdeling sociale zaken heeft op 7 januari, 22 januari en 30 januari 2020 ontbrekende gegevens en stukken bij appellant opgevraagd. Appellant heeft een deel van de gevraagde stukken verstrekt. Met een besluit van 11 februari 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 augustus 2020 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant onvoldoende verifieerbare gegevens heeft verstrekt over de in zijn bezit zijnde caravan en over de wijze waarop hij in de kosten van zijn levensonderhoud heeft voorzien. Niet duidelijk is of hij in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd sinds hij geen bijstand meer ontvangt van het college.


1.4.
Op 18 februari 2021 heeft appellant zich opnieuw gemeld voor bijstand. Appellant heeft het aanvraagformulier van 3 maart 2021 met een aantal gegevens op 10 maart 2021 (aanvraag 2) bij het college ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij geen inkomen heeft en dat hij al twee jaar van leningen van zijn broer leeft. Met een brief van 17 maart 2021 heeft een medewerker van de gemeente aan appellant verzocht om uiterlijk 29 maart 2021 een aantal gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Het gaat onder meer om bankafschriften over de periode van 18 november 2020 tot en met 10 maart 2021 en een overeenkomst of contract van een lening of krediet. Het college heeft appellant erop gewezen dat wanneer hij de gevraagde informatie niet uiterlijk op 29 maart 2021 heeft verstrekt, het college de aanvraag niet in behandeling neemt. Appellant heeft op 26 maart 2021 een aantal gegevens, waaronder bankafschriften over de periode van 1 november 2020 tot en met 28 februari 2021, overgelegd.


1.5.
Met een besluit van 30 maart 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 20 juli 2021 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld, omdat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt. Appellant heeft niet gemeld dat hij redelijkerwijs niet over de gegevens kon beschikken.


1.6.
Op 15 april 2021 heeft appellant, met een op 13 april 2021 gedateerd formulier (aanvraag 3), opnieuw bijstand aangevraagd. Met een besluit van 20 mei 2021 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen verifieerbare gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt hoe hij de huur heeft betaald over de periode van 1 januari 2020 tot en met 15 april 2021 en geen gegevens heeft verstrekt over de wijze waarop hij vanaf 1 januari 2020 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Het college kan daardoor niet beoordelen of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Met een besluit op bezwaar van 28 september 2021 heeft het college dit besluit gehandhaafd.


1.7.
Met een uitspraak van 24 februari 2023, 21/2964, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 september 2021 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag niet had mogen afwijzen op de grond dat het recht op bijstand niet was vast te stellen. Appellant heeft aangetoond dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en in zijn levensonderhoud voorzag door te lenen van zijn broer. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.


1.8.
Met een besluit van 20 maart 2023 (bestreden besluit 3) heeft het college uitvoering gegeven aan de door de rechtbank gegeven opdracht om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het college heeft aan appellant over de periode van 8 april 2021 tot en met 7 november 2021 bijstand toegekend en bij wijze van afstemming verlaagd met een bedrag van € 437,50 per maand, omdat de broer van appellant de maandelijkse huurlasten heeft betaald. Het college stelt zich op het standpunt dat in de situatie van appellant sprake is van zeer bijzondere omstandigheden om de bijstand lager vast te stellen, omdat appellant een substantiële besparing heeft gehad, doordat de broer de huurlasten betaalde. Daarnaast heeft het college in bestreden besluit 3 de bijstandsuitkering met € 200,- per maand verlaagd, omdat appellant maandelijks € 200,- van zijn broer heeft ontvangen. Het college stelt zich op het standpunt dat dit bedrag niet als een van het middelenbegrip uit te zonderen geldlening moet worden aangemerkt, maar conform de hoofdregel moet worden beschouwd als een middel in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW. Het college vindt dat er geen sprake is van een geldlening, omdat appellant geen concrete afspraken heeft gemaakt over de terugbetaling van de geldlening aan zijn broer en omdat er feitelijk nog niet is gestart met terugbetalen. Daarom wordt niet voldaan aan de vereisten om te kunnen spreken van een geldlening. Bij dit besluit heeft het college het primaire besluit van 20 mei 2021 wel herroepen, maar geen vergoeding van de kosten van bezwaar toegekend.

Herziening, intrekking en terugvordering van bijstand



1.9.
Naar aanleiding van de verklaring die appellant op 13 mei 2019 in het kader van de eerdere aanvraag van 27 maart 2019 ten overstaan van een sociaal rechercheur heeft afgelegd, dat hij sinds 2010 een caravan in eigendom heeft, heeft het college onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand vanaf 15 februari 2013, de datum van toekenning van bijstand aan appellant. De sociale recherche heeft onder meer bij appellant gegevens opgevraagd. Ook is op 13 april 2021 een gesprek met appellant gevoerd. Daarnaast heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht en bij Allianz Nederland Schadeverzekering de verzekeringspolis van de caravan opgevraagd. Uit het polisblad bleek dat de caravan met ingang van 1 mei 2010 door appellant was verzekerd voor een bedrag van € 11.000,-. Appellant heeft op verzoek van de sociale recherche nadere gegevens overgelegd, waaronder een huurovereenkomst van het perceel waar de caravan op staat, facturen voor het gebruik van de standplaats en een brief van de campingbeheerder van 1 augustus 2019 waarin hij appellant verzoekt om gebreken aan de caravan te herstellen en een verklaring van de campingbeheerder van 8 september 2020 dat de stacaravan is gedemonteerd in september 2019. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 19 april 2021.


1.10.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college met een besluit van 19 april 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 september 2021 (bestreden besluit 4) de bijstand deels herzien en deels ingetrokken in diverse perioden gelegen tussen 15 februari 2013 tot en met 26 februari 2019. Daarnaast heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van in totaal € 12.092,20 bruto van appellant teruggevorderd. De reden hiervoor is dat appellant bij aanvang van de bijstand de beschikking had over vermogen in de vorm van een caravan met een waarde boven de vermogensgrens. Verder heeft appellant de beschikking gehad over middelen waarvan de herkomst niet is aangetoond en die aangewend hadden kunnen worden voor de kosten van levensonderhoud. Appellant heeft in de betreffende maanden de standplaatskosten en overige kosten met betrekking tot de stacaravan op camping [naam camping] in België bekostigd met middelen waarvan de herkomst niet is aangetoond. Daarnaast heeft appellant middelen van derden (bijschrijvingen op de bankrekening) ontvangen die aangewend hadden kunnen worden voor de kosten van levensonderhoud.


Uitspraken van de rechtbank


2. Met de aangevallen uitspraken 1, 2, 3 en 4 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 4 ongegrond verklaard en daarmee die bestreden besluiten in stand gelaten.

Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand, de afwijzing van aanvraag 1, de buitenbehandelingstelling van aanvraag 2 en de toekenning van bijstand, waarbij de bijstand is afgestemd en de betaling voor de kosten van levensonderhoud op de bijstand in mindering zijn gebracht, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep alleen slaagt voor zover het aangevallen uitspraak 4 betreft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak 3 (herziening, intrekking en terugvordering van bijstand)


4.1.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat en in welk opzicht appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Vervolgens moet het college – voor zover in hoger beroep nog van belang – aannemelijk maken dat appellant kon beschikken over vermogen boven de vermogensgrens en daardoor ten onrechte te veel bijstand heeft ontvangen.

4.1.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het college de bijstand ten onrechte heeft ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college er terecht van uitgegaan is dat de caravan aan appellant toebehoort. Volgens appellant is de caravan van zijn broer. De eigendom is nooit op appellant overgegaan, omdat hij het aankoopbedrag van de caravan nooit aan zijn broer heeft kunnen terugbetalen. Daarom behoort de caravan niet tot het vermogen van appellant. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de waarde van de caravan te hoog is vastgesteld. Deze beroepsgronden slagen niet. Daarbij is het volgende van betekenis.


4.1.2.
Tijdens het gesprek op 13 mei 2019 heeft appellant erkend dat hij tijdens een eerder gesprek heeft verklaard dat hij niet dom is en dat hij daarom de stacaravan waarin hij verblijft op naam van zijn broer heeft gezet en dat hem dus niets gemaakt kon worden. Tijdens het gesprek op 13 mei 2019 heeft appellant bevestigd dat hij de caravan bewust niet op zijn naam heeft gezet en dat de caravan van hem is, maar dat hij de caravan op naam van zijn broer heeft gezet om problemen met sociale zaken te voorkomen. Verder heeft appellant op het op 30 december 2019 ontvangen aanvraagformulier vermeld dat hij een caravan bezit. Daarnaast staat vast dat de verzekeringspolis voor de caravan sinds mei 2010 op naam van appellant staat en dat hij ook de premie daarvoor heeft betaald. Volgens de eigen opgave van appellant bij de verzekeringsmaatschappij is de caravan verzekerd voor € 11.000,-. De huurovereenkomst voor de standplaats van de caravan is afgesloten op naam van appellant. Ook de facturen voor het standplaatsgeld voor de caravan heeft appellant geaccordeerd en betaald. Verder is van belang dat appellant vanaf 26 mei 2014 belastingplichtig is voor de gemeentebelastingen van de [gemeente], waarin de standplaats van de caravan is gelegen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de caravan tot het vermogen van appellant behoort. Door daarvan bij aanvang van de bijstand geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.


4.1.3.
Ten aanzien van de waarde van de caravan heeft appellant op 13 mei 2019 verklaard dat hij de caravan voor € 500,- heeft gekocht. Daarnaast heeft hij bij de aanvraag van 30 december 2019 opgegeven dat hij in het bezit is van een caravan ter waarde van € 4.000,-. Gelet op deze wisselende verklaringen van appellant over de waarde van de caravan en bij gebreke van andere objectieve gegevens, heeft het college voor de waarde van de caravan bij wijze van schatting terecht aangesloten bij de waarde van € 11.000,-, die vanaf 2010 op de verzekeringspolis staat vermeld. Een bijstandverlenende instantie dient immers, als door schending van de inlichtingenverplichting het vermogen niet precies kan worden vastgesteld, indien mogelijk uit te gaan van een schatting waarbij de resterende onzekerheid voor rekening van de betrokkene mag worden gelaten.

Conclusie aangevallen uitspraak 3




4.2.
Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 slaagt dus niet. Aangevallen uitspraak 3 wordt bevestigd.

Aangevallen uitspraak 1 (afwijzing aanvraag 1)



4.3.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 16 december 2019, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 11 februari 2020, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).

4.3.1.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.


4.3.2.
Appellant heeft aangevoerd dat de caravan niet zijn eigendom is, maar van zijn broer is. Daarnaast had de caravan ten tijde van de aanvraag nauwelijks waarde. Appellant verwijst naar brieven van de campingbeheerder van 1 augustus 2019 en van 8 september 2020. Deze beroepsgronden slagen niet. Voor het oordeel over de eigendom van de caravan verwijst de Raad naar wat daarover in overweging 4.1.2 is overwogen. Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag luidt dat oordeel niet anders.


4.3.3.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de caravan ten tijde van de aanvraag niets meer waard was. Daartoe is het volgende van betekenis. Appellant heeft bij zijn aanvraag van 30 december 2019 vermeld dat de caravan € 4.000,- waard is. Zoals ook in 4.1.3 is overwogen blijkt uit de verzekeringspolis dat de caravan was verzekerd voor € 11.000,-. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de caravan op de datum van de aanvraag niets meer waard was. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant geen taxatierapport heeft overgelegd waaruit de actuele waarde blijkt. Verder heeft appellant zijn verklaring dat de caravan eind december 2019 is afgebroken en dat de campingplaats per 31 december 2019 is opgezegd niet met gegevens onderbouwd. De verklaring van de campinghouder van 8 september 2020 dat de caravan in september 2019 is gedemonteerd is niet met bewijstukken onderbouwd en komt niet overeen met de verklaring van appellant dat de caravan eind december 2019 is gedemonteerd en zijn opgave van de waarde op het aanvraagformulier. Bovendien heeft appellant volgens zijn bankafschriften nog op 1 mei 2020 en 1 maart 2021 premie betaald voor de verzekering. De verzekering liep dus nog lange tijd na december 2019 door. Gelet op de financiële positie van appellant op dat moment is het niet aannemelijk dat hij, zoals hij ter zitting heeft gesteld, is vergeten om de verzekering te beëindigen, waardoor de premiebetaling is doorgelopen. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat appellant onvoldoende gegevens heeft verstrekt over de caravan met als gevolg dat niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd, zodat het college alleen al vanwege de onduidelijkheid over de caravan de aanvraag heeft kunnen afwijzen.

Conclusie aangevallen uitspraak 1




4.4.
Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak 1 wordt bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2 (buiten behandeling stellen aanvraag 2)



4.5.
De te beoordelen periode loopt van 18 februari 2021, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 30 maart 2021, de datum van de buitenbehandelingstelling van de aanvraag.

4.5.1.
Een bijstandverlenende instantie, zoals het college, kan besluiten een aanvraag om bijstand niet te behandelen als de gegevens en stukken die de aanvrager heeft verstrekt onvoldoende zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. Maar dan moet de aanvrager wel eerst de gelegenheid hebben gehad om de aanvraag binnen een door de bijstandverlenende instantie gestelde termijn aan te vullen. Dit volgt uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het gaat daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Dit volgt uit artikel 4:2, tweede lid, van de Awb.


4.5.2.
Een aanvraag kan alleen met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling worden gesteld als de betrokkene erop is gewezen dat dit mogelijk zal gebeuren als hij de gevraagde gegevens of stukken niet binnen de geboden hersteltermijn inlevert. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.


4.5.3.
Appellant heeft betoogd dat hij het gebrek, namelijk het ontbreken van gevraagde bankafschriften, in beroep heeft hersteld door de bankafschriften alsnog aan te leveren. Volgens appellant bestaat de mogelijkheid van beroep juist om dergelijke gebreken te kunnen herstellen. Bovendien is de aanvraag al op 30 maart 2021 buiten behandeling gesteld, terwijl op dat moment nog niet alle bankafschriften over maart 2021 opgevraagd hadden kunnen worden. Deze beroepsgronden slagen niet. Daartoe is het volgende van betekenis.


4.5.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de opgevraagde bankafschriften van de laatste drie maanden voorafgaand aan de aanvraag van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Die gegevens waren immers van belang om de financiële positie van appellant in kaart te brengen en om te beoordelen of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.


4.5.5.
Met de brief van 17 maart 2021 heeft het college appellant verzocht om bankafschriften over de periode van 18 november 2020 tot en met 10 maart 2021 vóór 29 maart 2021 in te leveren. Het college heeft niet gevraagd om bankafschriften over de gehele maand maart 2021, maar slechts tot en met 10 maart 2021. Op 29 maart 2021 kon appellant redelijkerwijs over deze bankafschriften beschikken.


4.5.6.
Appellant heeft de bankafschriften niet volledig vóór de gestelde termijn overgelegd. Het college was daarom bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen.


4.5.7.
Appellant heeft in beroep alsnog de bankafschriften over de maand maart 2021 overgelegd. In de uitspraak van 13 december 2022 heeft de Raad geoordeeld dat als na een buitenbehandelingstelling met toepassing van artikel 4:5 van de Awb de gevraagde gegevens in de bezwaarperiode alsnog zijn overgelegd, het college bevoegd is om de buitenbehandelingstelling te handhaven, maar daartoe niet verplicht is. Het college heeft dan de ruimte om alsnog inhoudelijk te beslissen op de aanvraag. Dit betekent dat het college bij de beslissing om de buitenbehandelingstelling te handhaven een belangenafweging moet maken. In dit geval is het ontbrekende bankafschrift echter niet in de bezwaarfase overgelegd, maar pas in beroep. Ten tijde van het bestreden besluit beschikte het college dus over dezelfde gegevens als waar hij over beschikte ten tijde van het besluit van 30 maart 2021. Daarvan is in 4.5.4 al tot uitdrukking gebracht dat het college zonder het ontbrekende bankafschrift niet in staat was om de aanvraag te beoordelen. Het college heeft dus ten tijde van de beslissing op bezwaar bij afweging van alle betrokken belangen redelijkerwijs kunnen beslissen om de buitenbehandelingstelling te handhaven.


4.5.8.
De stelling van appellant dat de in 4.5.7 genoemde uitspraak van de Raad ook ziet op stukken die nog in beroep worden overgelegd, is niet juist. Deze uitspraak ziet expliciet alleen op de situatie dat in de bezwaarfase de ontbrekende gegevens worden verschaft. De nadien overgelegde stukken heeft een bijstandverlenende instantie niet bij haar beslissing op bezwaar kunnen betrekken en die kunnen dus de daarbij gemaakte belangenafweging achteraf niet onjuist maken, terwijl die bijstandverlenende instantie in beroep niet gehouden is de belangenafweging opnieuw te maken in het licht van de na de beslissing op bezwaar overgelegde gegevens.

Conclusie aangevallen uitspraak 2




4.6.
Uit 4.5.3 tot en met 4.5.8 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat die uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat de aanvraag om bijstand niet inhoudelijk zal worden beoordeeld.

Aangevallen uitspraak 4 (toekenning bijstand met afstemming en korting)



4.7.
Met het bestreden besluit van 20 maart 2023 heeft het college aan appellant over de periode van 8 april 2021 tot en met 7 november 2021 (te beoordelen periode) aan appellant bijstand toegekend en deze verlaagd met een bedrag van € 437,50 per maand, omdat de broer van appellant de maandelijkse huurlasten voor appellant heeft betaald. Het college heeft de bijstand afgestemd met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW. Daarnaast heeft het college de bijstand van appellant met € 200,- per maand verlaagd, omdat appellant maandelijks € 200,- van zijn broer als leefgeld heeft ontvangen.


4.8.
Appellant heeft aangevoerd dat zowel ten aanzien van de huur als ten aanzien van de kosten voor levensonderhoud sprake is van een lening. Appellant heeft tijdens de procedure meerdere verklaringen van zijn broer en bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een lening, die moet worden terugbetaald. Daarom mogen zowel de huurbetalingen als de betalingen voor leefgeld niet in mindering worden gebracht op de bijstand.


Korting € 200,- per maand voor levensonderhoud


4.8.1.
Een betrokkene die voldoende middelen heeft voor de kosten van levensonderhoud door geld te lenen heeft in beginsel geen recht op bijstand. Dit is vaste rechtspraak. Dit kan anders zijn als het gaat om een periode waarin hij niet of niet voldoende inkomen heeft, zodat hij afhankelijk is van geldleningen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. In die situatie kan recht op bijstand bestaan als hij aannemelijk maakt dat hij niet een ander toereikend inkomen heeft en dat de leningen zijn verstrekt voor levensonderhoud. Voorwaarde voor bijstand in die situatie is dat de betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen. Ook moet hij aannemelijk maken dat bij de betaling, en dus niet later, is afgesproken dat het geld moet worden terugbetaald en dat die is bedoeld voor levensonderhoud. Een bankoverschrijving met de vermelding ‘lening voor levensonderhoud’ zal daarvoor in beginsel volstaan. Dit is vaste rechtspraak. Die rechtspraak is gebaseerd op het gegeven, dat de situatie van de betrokkene vergelijkbaar is met de situatie waarin een betrokkene een voorschot van de bijstandverlenende instantie ontvangt in afwachting van een beslissing op de aanvraag. In beide situaties moet de betrokkene het voor levensonderhoud geleende dan wel voorgeschoten geld terugbetalen. Dat de betrokkene over het geleende bedrag kan beschikken betekent dus niet dat hij niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.


4.8.2.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van leningen, omdat nergens uit blijkt dat er een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestaat. Omdat de lening pas hoeft te worden terugbetaald als appellant weer een uitkering ontvangt, is de terugbetaling afhankelijk gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis. Nu bij het aangaan van de lening niet is gesproken over de termijn en de modaliteiten van terugbetaling, is geen sprake van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Het college heeft verwezen naar een uitspraak van de Raad van 29 juli 2025.


4.8.3.
Niet in geschil is dat appellant geen of niet voldoende inkomen had, zodat hij afhankelijk was van geldleningen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Verder heeft appellant met de schriftelijke verklaringen van zijn broer van 30 juli 2020 en van 23 maart 2021 aannemelijk gemaakt van wie, wanneer en op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen. Uit die verklaringen blijkt ook dat bij de betaling is afgesproken dat het geld moet worden terugbetaald en dat die is bedoeld voor levensonderhoud. Anders dan in de door het college genoemde uitspraak die betrekking had op vermogen, wordt aan een lening voor levensonderhoud als bedoeld in 4.8.1 niet de eis gesteld dat bij het aangaan van de lening concrete afspraken worden gemaakt over de terugbetaling van de geldlening. In dat kader is van belang dat appellant nog geen bijstand heeft ontvangen ten aanzien van de leningen van € 200,- per maand, zodat van hem niet mocht worden verwacht dat hij deze lening al had terugbetaald. Gelet op deze feiten en omstandigheden is voldaan aan de in 4.8.1 genoemde vereisten. De Raad is, anders dan het college en de rechtbank, van oordeel dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat de bedragen die appellant in de te beoordelen periode heeft ontvangen leningen betreffen die bestemd waren voor levensonderhoud. Het college heeft de ontvangen bedragen voor levensonderhoud daarom niet in mindering mogen brengen op de bijstand.


Afstemming in verband met huurbetalingen




4.9.
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Dat staat in artikel 18, eerste lid, van de PW. Voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging of een verhoging van de bijstand is alleen plaats in zeer bijzondere situaties. Dit is vaste rechtspraak. Het is aan de bijstandverlenende instantie die door middel van afstemming aan een bijstandsgerechtigde een lagere uitkering wil toekennen dan de voor deze toepasselijke norm, om aannemelijk te maken dat er een zeer bijzondere situatie is, zoals hiervoor bedoeld.

4.9.1.
Een dergelijke bijzondere situatie kan hier niet worden aangenomen. Hiervoor is het volgende van belang.


4.9.2.
Niet in geschil is dat de broer van appellant in de periode van 8 april 2021 tot en met 7 november 2021 de huur rechtstreeks betaalde aan de verhuurder. Daarmee werd voorzien in bepaalde kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant. Doordat appellant deze kosten niet meer zelf behoefde te voldoen uit de bijstandsnorm, kon dit hem een substantiële besparing opleveren. Afstemming op de omstandigheden van appellant was daarom in beginsel aangewezen in die zin dat geen algemene bijstand behoefde te worden verleend in de kosten waarin door de broer werd voorzien.


4.9.3.
In dit geval heeft appellant echter geen substantiële besparing gehad, zoals genoemd in 4.9.2. Ook ten aanzien van de huurbetalingen was sprake van een lening, die moet worden terugbetaald. Appellant heeft met de hiervoor genoemde verklaring van 30 juli 2020 en de bankafschriften waaruit blijkt dat de broer de huur aan de verhuurder heeft voldaan ook aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de huurbetalingen sprake is van een lening. Het college heeft de bijstand dan ook ten onrechte afgestemd door de huurbetalingen op de bijstand in mindering te brengen.

Conclusie aangevallen uitspraak 4




4.10.
Uit 4.9.1 tot en met 4.9.3 volgt dat het college de door appellant ontvangen bedragen ten onrechte heeft aangemerkt als inkomen en op de bijstand in mindering heeft gebracht dan wel de voor hem door zijn broer gedane huurbetalingen heeft afgestemd. Daaruit volgt dat het hoger beroep slaagt en dat aangevallen uitspraak 4 niet in stand kan blijven. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 4 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover daarbij de als inkomsten aangemerkte betalingen van € 200,- over de periode van 8 april 2021 tot en met 7 november 2021 op de bijstand van appellant in mindering zijn gebracht en voor zover het college de bijstand heeft afgestemd in verband met de huurbetalingen. Dit betekent dus dat het college bijstand over de periode van 8 april 2021 tot en met 7 november 2021 zal moeten nabetalen naar de volle voor appellant geldende norm. Daarbij geeft de Raad in navolging van de hiervoor in noot 6 genoemde uitspraak van 15 september 2015 aan het college mee dat in dit geval aan het alsnog uitbetalen van de ingehouden bijstand de voorwaarde mag worden verbonden dat de schulden, die door de aangegane leningen zijn ontstaan, overeenkomstig de leenovereenkomst worden betaald, wat door het college mag worden gecontroleerd. Geen grond bestaat om hierover ten aanzien van de leenovereenkomsten in verband met de huurbetalingen, waarvoor ten onrechte afstemming is toegepast, anders te oordelen.




Conclusie en gevolgen


4.11.
De hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3 slagen niet. Deze aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand, de afwijzing van aanvraag 1 en de buitenbehandelingstelling van aanvraag 2 in stand blijven.

4.11.1.
Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 4 slaagt wel. Dat betekent dat het in mindering brengen van € 200,- leefgeld op de bijstand en de afstemming van bijstand in verband met huurbetalingen komen te vervallen.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.814,- voor in beroep verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 907,- per punt en wegingsfactor 1) en € 1.814,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 907,- per punt en wegingsfactor 1). Verder worden deze kosten begroot op € 1.294,- voor in bezwaar verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, € 647,- per punt en wegingsfactor 1), omdat het primaire besluit van 20 mei 2021 is herroepen, een vergoeding voor deze kosten nog niet is toegekend en appellant vergoeding van deze kosten in hoger beroep uitdrukkelijk heeft gevraagd. Het totaal van deze kosten is een bedrag van € 4.922,-. Ook dient het college het in beroep en hoger beroep door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.





BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep



bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3;


vernietigt aangevallen uitspraak 4;


verklaart het beroep tegen het besluit van 20 maart 2023 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover het college de bijstand heeft afgestemd met € 437,50 en deze heeft verminderd met € 200,- per maand wegens de lening voor kosten van levensonderhoud;


verklaart het beroep voor het overige ongegrond;


veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.922,-;


bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.




Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.





(getekend) J.T.H. Zimmerman





De griffier is verhinderd te ondertekenen




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels


Algemene wet bestuursrecht


Artikel 4:2

2. De aanvrager verschaft (…) de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 4:5

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

[…]

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.


Participatiewet


Artikel 17, eerste lid

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Artikel 18

1. Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
[…]

Artikel 54, derde lid

Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. (…).


Zie de uitspraken van 29 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2710, onder 4.5 tot en met 4.7; en van 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2745, onder 4.8.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0929.


ECLI:NL:CRVB:2022:2793.


Vergelijk de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1531.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188.


Zie de uitspraak van 23 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:734.


ECLI:NL:CRVB:2025:1177.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492.
Link naar deze uitspraak