Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:329 
 
Datum uitspraak:27-01-2026
Datum gepubliceerd:12-02-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.362.688
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:-
Trefwoorden:belastingrecht
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)

zaaknummer : 200.362.688/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/369469 / FT RK 25/679


beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026


in de zaak van




1 [appellante 1] ,
gevestigd te [stad] ,
2. [appellante 2],
gevestigd te [plaats 1] ,
3. [appellante 3],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. S.K. Tuithof te Haarlem,

tegen



[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. B.J. Mekkelholt te Den Helder.


Partijen worden hierna (gezamenlijk) [appellante 1] en [geïntimeerde] genoemd.





1Het geding in hoger beroep


[appellante 1] zijn bij op 16 december 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, van 9 december 2025, waarbij het verzoek van [appellante 1] tot faillietverklaring van [geïntimeerde] is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 6 januari 2026. Bij die behandeling is mr. Tuithof verschenen namens [appellante 1] . Verder is [naam] verschenen namens [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Mekkelholt.

Het hof heeft kennisgenomen van:


het beroepschrift, met producties;


het verweerschrift, met producties; en


het dossier van de rechtbank, waaronder aantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg.



Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor schikkingsonderhandelingen tussen partijen. Die hebben niet tot resultaat geleid, waarna mr. Tuithof bij e-mail van 20 januari 2026 om arrest heeft gevraagd.





2Beoordeling


2.1.

[appellante 1] hebben aan hun verzoek tot faillietverklaring van [geïntimeerde] vorderingen ten grondslag gelegd van in totaal € 18.008,24. Uit het inleidend verzoekschrift blijkt dat het om vorderingen gaat van respectievelijk € 10.467,62 (appellante sub 1), € 940,71 (appellante sub 2) en € 1.984,40 (appellante sub 3) in hoofdsom in verband met opeisbaar verschuldigde (pensioen)premies, vermeerderd met rente en kosten.



2.2.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van [appellante 1] afgewezen en daartoe geoordeeld dat [appellante 1] niet voldoende hebben weersproken dat [geïntimeerde] betalingen heeft verricht, die zijn bedoeld ter inlossing van de vorderingen van appellanten sub 2 en 3. Ook voor de door [appellante 1] overgelegde steunvorderingen heeft [geïntimeerde] betaalbewijzen overgelegd, waaruit blijkt dat deze volledig zijn voldaan. Omdat alleen de vordering van appellante sub 1 onbetaald is gebleven, is niet summierlijk gebleken van pluraliteit van schuldeisers, zodat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 6, derde lid, Faillissementswet (Fw).



2.3.

[appellante 1] hebben bij beroepschrift verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en [geïntimeerde] alsnog in staat van faillissement te verklaren. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd. In het beroepschrift is een overzicht opgenomen van de facturen die nog openstaan. Deze facturen zijn aan het beroepschrift gehecht. De openstaande facturen hebben betrekking op vorderingen van alle drie [appellante 1] . Pluraliteit van schuldeisers is daarmee een gegeven. De lopende verplichtingen zijn daarnaast niet voldaan. Nieuwe achterstanden zijn ontstaan na indiening van het verzoek tot faillietverklaring, hetgeen bevestigt dat [geïntimeerde] verkeert in een toestand waarin zij is opgehouden te betalen. [geïntimeerde] dient daarom (alsnog) in staat van faillissement te worden verklaard.



2.4.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6, derde lid, Fw de faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissingen daarover dient hij uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat naast de (opeisbare) vordering van de aanvrager dient te blijken van ten minste nog een (opeisbare) vordering van een andere schuldeiser, oftewel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers met dien verstande dat in ieder geval één van de vorderingen opeisbaar is.



2.5.
Uit de bestreden beschikking en het daartegen gerichte beroepschrift vloeit voort dat het hoger beroep zich toespitst op de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van pluraliteit van schuldeisers. [geïntimeerde] heeft de vordering van appellante sub 1 erkend, zodat daarmee de vordering van (een van) de aanvrager(s) summierlijk is komen vast te staan.



2.6.

[appellante 1] stellen zich op het standpunt dat zij drie afzonderlijke schuldeisers zijn met drie afzonderlijke vorderingen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de drie afzonderlijke [appellante 1] ooit zijn ingericht in verband met in cao’s gemaakte pensioenafspraken. In deze rechtspraak is erkend dat er sprake is van drie afzonderlijke schuldeisers.



2.7.
In deze zaak staat vast dat de drie schuldeisers ( [appellante 1] ) tezamen telkens één factuur sturen. Alleen een ingevoerde lezer kan begrijpen welke vordering van welke schuldeiser is. De facturen vermelden steeds een totaalbedrag dat op een en dezelfde rekening moet worden betaald.



2.8.
In hoger beroep staat verder vast dat [geïntimeerde] alleen een betalingsachterstand heeft in verband met de aan [appellante 1] verschuldigde premies. Er zijn verder geen steunvorderingen. [geïntimeerde] heeft een deel van de vordering van [appellante 1] betaald, met de intentie de twee kleinste schulden van in hoofdsom in totaal bijna € 3.000,00 te voldoen.



2.9.
De zogenoemde imputatieregels in de artikelen 6:43 en 6:44 BW geven de regels voor toerekening van betalingen. Het uitgangspunt van artikel 6:43 BW is dat de wil van de schuldenaar bepalend is in het geval dat een betaling aan meer verbintenissen kan worden toegerekend: de schuldenaar kan aanwijzen aan welke verbintenis zijn betaling moet worden toegerekend. Hoewel deze bepaling ziet op de situatie dat er één schuldeiser met meerdere vorderingen is, ligt het voor de hand dat de schuldenaar ook kan aanwijzen welke rekeningen hij wil betalen indien er, zoals hier, één rekening is verstuurd door meer schuldeisers, zeker als, zoals hier, alles op dezelfde rekening betaald moet worden.



2.10.
Het standpunt van [appellante 1] dat betalingen ingevolge artikel 6:44 BW eerst in mindering strekken op de kosten en de verschenen rente, miskent dat deze regels slechts gelden voor de vraag in hoeverre de verbintenis waaraan de betaling moet worden toegerekend, volledig is voldaan. De daaraan voorafgaande vraag blijft aan welke verbintenis de betaling moet worden toegerekend. Zoals hiervoor overwogen is daarvoor de wil van de schuldenaar bepalend.



2.11.

[geïntimeerde] heeft voor verschillende betalingen aangewezen aan welke vordering deze moeten worden toegerekend. Op 7 oktober 2025 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 3.015,95 aan [appellante 1] betaald, op 24 oktober 2025 een bedrag van € 1.700,00 en op 18 november 2025 een bedrag van € 1.000,00, terwijl (de advocaat van) [geïntimeerde] steeds op de dag van betaling een bericht aan de (advocaat van de) [appellante 1] heeft gestuurd dat de betalingen hebben plaatsgevonden specifiek ter inlossing van de vorderingen van appellanten sub 2 en 3. Op 4 december 2025 heeft [geïntimeerde] nog € 1.000,00 aan [appellante 1] betaald. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat ook gelijktijdig met die betaling bericht aan [appellante 1] is gestuurd dat de betaling moet worden toegerekend aan de vorderingen van appellanten sub 2 en 3. Dit bericht is niet overgelegd in de procedure.



2.12.
In totaal is door [geïntimeerde] inmiddels circa € 6.700,00 betaald. Volgens haar eigen berekening bedraagt de vordering van appellanten sub 2 en 3 maximaal € 6.548,81. Dit is door [appellante 1] niet gemotiveerd betwist. Gelet op de uitdrukkelijk kenbaar gemaakte wil van [geïntimeerde] om de twee kleinste schuldeisers in ieder geval te betalen, kan naar het oordeel van het hof in het licht van het gegeven dat hun vordering in hoofdsom in totaal circa € 3.000,00 bedraagt, dan ook ervan worden uitgegaan dat deze schulden inclusief rente en kosten, volledig zijn voldaan. Dat mogelijk bij de betaling van 4 december 2025 niet nogmaals is gemeld dat werd beoogd de vorderingen van appellanten sub 2 en 3 te voldoen, maakt onvoldoende verschil omdat in ieder geval bij de drie betalingen daaraan voorafgaand een dergelijk bericht telkens is gestuurd. Dat betekent dat alleen appellante sub 1 nog schuldeiser is van [geïntimeerde] . Tegen die achtergrond oordeelt het hof dat op dit moment niet is voldaan aan het pluraliteitsvereiste, zodat het hof de afwijzing van het faillissementsverzoek zal bekrachtigen. Het hof ziet geen aanleiding een kostenveroordeling uit te spreken.






3Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden beschikking;

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.M. Vaessen, K.A.J. Bisschop en N.J. Huurdeman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Link naar deze uitspraak