|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:792 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/1680 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Intrekking bijstand, beroep ongegrond, eisers heeft gezamenlijke huishouding met haar partner. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1680
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Duurtsema),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college
(gemachtigde: mr. J.C.N. van Dijk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiseres per 27 november 2024, omdat eiseres niet heeft gemeld dat ze een gezamenlijke huishouding heeft met haar partner, [naam] . Eiseres is het niet eens met het besluit. Volgens eiseres is er geen sprake van een gezamenlijke huishouding en heeft zij dus niet de inlichtingenplicht geschonden.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat zij niet heeft medegedeeld dat zij een gezamenlijke huishouding heeft met [naam] . Het college heeft de uitkering van eiseres daarom terecht ingetrokken.
Feiten, omstandigheden en procesverloop
2. Met het besluit van 11 januari 2019 is aan eiseres met ingang van 8 november 2018 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder toegekend.
2.1.
Het college heeft een onderzoek opgestart vanwege het vermoeden dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met [naam] , de vader van haar kinderen. Op 26 oktober 2024 is het derde kind van eiseres geboren. [naam] heeft dit kind erkend, net als de twee andere kinderen. Op 2 december 2024 zijn de verbruiksgegevens op het adres van eiseres opgevraagd bij Brabant Water. Op 18 december 2024 om 08:30 uur is een onaangekondigd huisbezoek bij eiseres afgelegd door de medewerkers van de afdeling naleving en toezicht (afdeling handhaving) van de gemeente Eindhoven. Eiseres is in een brief van 23 december 2024 uitgenodigd voor een gesprek bij de gemeente Eindhoven op 9 januari 2025 omdat extra informatie van haar nodig is. Op 8 januari 2025 zijn de opgevraagde gegevens van Brabant Water ontvangen. Bij besluit van 9 januari 2025 is het recht op uitkering met ingang van 9 januari 2025 opgeschort, omdat eiseres zonder afmelding niet is verschenen op het gesprek van 9 januari 2025. Ook is eiseres opnieuw uitgenodigd voor een gesprek bij de gemeente Eindhoven op 23 januari 2025. In een brief van 24 januari 2025 is bevestigd dat de afspraak van 23 januari 2025 niet door kon gaan, omdat de twee kinderen van eiseres ziek waren. Eiseres is opnieuw uitgenodigd voor een gesprek bij de gemeente Eindhoven op 6 februari 2024. Op 6 februari 2025 is eiseres gehoord door twee specialisten van de afdeling handhaving. Op 10 februari 2025 is het rapport waarnemingen van de afdeling handhaving binnengekomen. De waarnemingen zijn verricht in de periode van 27 november 2024 tot en met 6 februari 2025.
2.2.
Met het besluit van 11 februari 2025 (het primaire besluit) is het besluit van 11 januari 2019 ingetrokken per 27 november 2024. De reden hiervoor is dat uit het onderzoek van afdeling handhaving is gebleken dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding met [naam] . De verklaringen van eiseres komen niet overeen met de onderzoeksbevindingen. Uit het onderzoek blijkt dat [naam] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van eiseres.
2.3.
Op 27 februari 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In bezwaar voert eiseres – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres zegt dat ze niet samenwoont met [naam] . [naam] is regelmatig aanwezig in de woning van eiseres om haar te ondersteunen in de zorg van hun kinderen, omdat zij hoog zwanger was en daarna ook bevallen is. Hij hielp eiseres in die periode onder andere met koken, het halen en brengen van de kinderen en het verzorgen van de kinderen. [naam] hielp haar ook omdat de zij verder geen familie in de buurt heeft wonen. Dat is ook de reden dat zijn voertuig regelmatig bij de woning van eiseres geparkeerd stond. Hij heeft echter nooit in de woning van eiseres geslapen. Eiseres geeft verder aan dat zij veel water gebruikt voor zichzelf en de kinderen. Ook was er in de periode van de opgevraagde verbruiksgegevens een lekkage bij het toilet.
2.4.
Op 6 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
2.5.
Bij besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2.6.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.7.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft het college – kort samengevat – gezegd dat eiseres de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) heeft geschonden omdat eiseres niet heeft medegedeeld dat zij een gezamenlijke huishouding heeft met [naam] . Het college stelt dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van [naam] zich in de te beoordelen periode, namelijk van 27 november 2024 tot en met 11 februari 2025 op het adres van eiseres bevond. Eiseres is voor het geloof getrouwd met [naam] , zij hebben drie kinderen samen en deze kinderen zijn door hem erkend. Uit de gegevens van Brabant Water volgt dat in de periode van 8 november 2018 tot en met 3 juni 2024 het waterverbruik overeenkomt met dat van een vierpersoonshuishouden. In de periode 27 november 2024 tot en met 6 februari 2025 zijn 32 waarnemingen gedaan, waarvan het voortuig van [naam] met [kenteken] 20 keer is waargenomen in de buurt van het appartementencomplex van eiseres. In de week van 9 december 2024 is ook zeven keer een grijze Volkswagen Golf met [kenteken] waargenomen in de buurt van het appartementencomplex van eiseres. Deze auto staat op naam van iemand die op hetzelfde adres staat ingeschreven als [naam] . Op 10 en 12 december is gezien dat [naam] bestuurder was van dit voertuig. De meeste waarnemingen zijn gedaan (ruim) voor 08:00 uur ’s ochtends en het waargenomen voertuig stond steeds langere tijd geparkeerd. De waarnemingen voldoen volgens het college aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Verder heeft eiseres schriftelijke toestemming verleend voor het huisbezoek van 18 december 2024. Daar zijn onder andere herenkleding, herenschoenen en badslippers van een relatief grote maat aangetroffen. In het gesprek van 6 februari 2025 met de afdeling handhaving heeft eiseres verklaard dat ze met [naam] is gehuwd voor het geloof. Het college merkt verder nog op dat eiseres onvoldoende medewerking heeft verleend aan het huisbezoek door, ondanks dat daar meerdere keren naar gevraagd is, de stapel kleding niet te laten zien. Eiseres heeft ook niet meegewerkt aan het verzoek om de adresgegevens van [naam] te verstrekken. Hierdoor heeft eiseres ook de medewerkingsplicht geschonden. Gelet op het voorgaande is volgens het college terecht de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken per 27 november 2024.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Het huisbezoek heeft onaangekondigd en onder druk plaatsgevonden en eiseres was mentaal en fysiek niet in staat om medewerking te verlenen. Eiseres moest instemmen met het bezoek anders zou dit gevolgen hebben voor haar uitkering. De aanleiding van het huisbezoek is het waterverbruik van de woning van eiseres. Op 18 december 2024 waren die gegevens nog niet bekend. Het college heeft namelijk op 8 januari 2025 de gebruiksgegevens pas ontvangen van Brabant Water. Om die reden had het huisbezoek niet mogen plaatsvinden. Hetgeen tijdens het huisbezoek is waargenomen is daarom onrechtmatig verkregen en moet worden uitgesloten van het bewijs. Het onderzoek is op dit punt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Eiseres geeft verder aan dat mannenkleding van [naam] is, die daar soms de was doet. [naam] slaapt er nooit maar kleed zich soms om. De zwarte hoodie die de afdeling handhaving heeft gevonden is van eiseres. Verder heeft de afdeling handhaving zelf ingevuld dat er een stapel herenkleding op de bovenste lade van een kast lag. Eiseres heeft geweigerd om de kleding te tonen en de afdeling handhaving kan daarom niet weten dat er sprake is van een stapel herenkleding. [naam] was regelmatig bij eiseres aanwezig om voor de kinderen te zorgen. Dit was noodzakelijk omdat zij hoogzwanger was en vervolgens is bevallen. [naam] hielp eiseres met koken, het halen brengen van de kinderen en de dagelijkse verzorging. Hij bleef nooit bij eiseres slapen. Na het naar bed brengen van de kinderen ging hij altijd terug naar zijn eigen woning. Eiseres had behoefte aan de hulp, omdat haar familie niet in de buurt woont. In het rapport van 10 februari 2025 wordt verder opgemerkt dat het gemiddeld waterverbruik van de woning van eiseres hoger is dan het gemiddeld waterverbruik van een driepersoonshuishouden. Het gaat echter maar om twee van de zeven perioden dat het waterverbruik hoger was, verder was het waterverbruik beduidend lager dan dat van een driepersoonshuishouden. Ook is er een verklaring voor het hogere waterverbruik van eiseres, namelijk de geboorte van haar kind en de lekkage die begin 2024 in de badkamer heeft plaatsgevonden. Over de rapportage van waarnemingen merkt eiseres op dat het onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. De vermeend waargenomen Renault Megane is niet duidelijk zichtbaar op de eerste overgelegde foto. Om die reden kan niet gecontroleerd worden dat dit voertuig op die datum en tijdstip daadwerkelijk is waargenomen. Verder wordt uit de rapportage niet duidelijk dat [naam] één van de genoemde kentekens op zijn naam heeft staan. Daarnaast is onduidelijk wanneer de rapportage is opgesteld. Verder merkt eiseres op dat zij tijdens het spreekkamergesprek van 6 februari 2025 heeft verklaard dat zij gehuwd is met [naam] , maar dat er enkel sprake is van een religieus huwelijk en zij niet getrouwd zijn voor de wet. Op 23 januari 2025 heeft eiseres nog een schriftelijke verklaring van [naam] overgelegd, waarin [naam] stelt dat zijn familie in hetzelfde gebied als eiseres woont, en hij daar vaak is om zijn moeder te helpen vanwege haar ziekte. Ter zitting heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de waarnemingen vroeg in de ochtend niets zeggen, omdat [naam] laat in de avond niet is waargenomen bij de woning van eiseres.
Beoordeling door de rechtbank
5. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
5.1.
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht als de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Dat is een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat volgt uit artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw. Vast staat dat uit de relatie van eiseres en [naam] drie kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of eiseres en [naam] in de periode waar het hier om gaat, namelijk de periode van 27 november 2024 tot en met 11 februari 2025 een gezamenlijke huishouding voerden, is daarom alleen van belang of zij in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
5.2.
Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de Pw buiten beschouwing.
Heeft het huisbezoek rechtmatig plaatsgevonden?
6. Artikel 8, eerste lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak van de CRvB is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van het antwoord op de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond, dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan. Zie ook de uitspraak van de CRvB 24 november 2009. Over het antwoord op de vraag of ‘informed consent’ is verleend, mag redelijkerwijs geen twijfel bestaan.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiseres, namelijk dat het huisbezoek onrechtmatig zou zijn, niet slaagt. Hoewel op bladzijde 7 van het onderzoeksrapport staat vermeld dat de aanleiding voor het afleggen van het huisbezoek onder andere is gelegen in het waterverbruik, blijkt uit bladzijde 8 niet dat dit tegen eiseres is gezegd bij het huisbezoek. Daaruit blijkt wel dat haar is medegedeeld dat er twijfels zijn over de woonsituatie en dat eiseres is geïnformeerd over de waarnemingen die zijn verricht (naar de rechtbank begrijpt: over de aanwezigheid van [naam] ). De reden en het doel van het huisbezoek zijn haar dus medegedeeld. Eiseres is ook medegedeeld dat een weigering om mee te werken mogelijk direct gevolgen heeft voor haar uitkering, namelijk een beëindiging daarvan. Eiseres heeft dat kennelijk als druk ervaren, maar gelet op de voornoemde jurisprudentie rust op het college nu eenmaal de plicht haar hierop te wijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan het vereiste van ‘informed consent’.
Heeft het college de bijstandsuitkering terecht ingetrokken?
7. Aan het bestreden besluit legt het college het volgende ten grondslag. Niet ter discussie staat dat eiseres opnieuw met [naam] in een religieus huwelijk is getreden, dat zij samen drie kinderen hebben en dat deze kinderen door [naam] zijn erkend. Ook heeft eiseres bij de hoorzitting in bezwaar aangegeven dat [naam] een intensieve korte periode meer heeft geholpen toen zijn hoogzwanger was tot na de bevalling van het jongste kind. Het betreft de periode september 2024 tot januari 2025. Uit het onderzoek van het college blijkt verder dat het voertuig met [kenteken] 20 keer is waargenomen in de buurt van het appartementencomplex van eiseres. In de week van 9 december 2024 is zeven keer een grijze Volkswagen Golf met [kenteken] waargenomen in de buurt van het appartementencomplex van eiseres. Dit voertuig staat op naam van een bewoner van hetzelfde adres, als waar [naam] staat ingeschreven en er is twee keer waargenomen dat [naam] het voertuig bestuurde. De waarnemingen zijn verricht in de periode van 27 november 2024 tot en met 6 februari 2025. Daarnaast is waargenomen dat [naam] een van de kinderen in de ochtend naar school bracht en vervolgens in de middag ophaalde van school en met een eigen sleutel/tag het appartementencomplex inging. Tijdens het huisbezoek zijn herenkleding en een paar zwarte herenschoenen aangetroffen in het washok. Ook zijn in de badkamer badslippers aangetroffen van een relatief grote maat, vergelijkbaar met de herenschoenen die zijn aangetroffen. Daarnaast is er in de grote kledingkast aan de linkerzijde van de slaapkamer herenkleding aangetroffen, waaronder een gele werkjas, een zwarte jas, een blouse, een trui en een T-shirt. Eiseres heeft hierover gezegd dat de kleding van [naam] is. Ook is op de bovenste lade een heren T-shirt en een herenonderbroek en een groen boekje waargenomen. Eiseres heeft tijdens het huisbezoek geweigerd om de stapel kleding te laten zien. Daarnaast komt het waterverbruik in de woning van eiseres in de periode van 8 november 2018 tot en met 3 juni 2024 overeen met dat van een vierpersoonshuishouden. Ook heeft eiseres tijdens het spreekkamergesprek bevestigd dat zij sinds 2017 met [naam] getrouwd is voor het geloof.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank bieden voornoemde bevindingen voldoende grondslag voor de conclusie dat [naam] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had bij de woning van eiseres. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. Eiseres stelt dat zij in 2024 zwanger was en is bevallen een kind, en dat [naam] haar hielp met koken, het halen en brengen van de kinderen en de dagelijkse verzorging. Naar het oordeel van de rechtbank is dit juist een sterk aanknopingspunt voor de conclusie dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van [naam] zich in de te beoordelen periode in de woning van eiseres bevond. Deze verklaring is mede – gelet op hetgeen hierna nog wordt overwogen - reden om weinig tot geen gewicht toe te kennen aan de stelling van eiseres, dat [naam] bij haar parkeerde omdat zijn moeder in de buurt woont. Bovendien geeft deze stelling onvoldoende verklaring voor hetgeen het college heeft waargenomen bij de woning van eiseres en wat is aangetroffen tijdens het huisbezoek. Dat de zwarte hoodie die in de woning van eiseres is aangetroffen van eiseres is zoals zij aanvoert, doet aan het voorgaande niet af, omdat naast de zwarte hoodie ook nog andere herenkleding en herenschoenen zijn gevonden. Dat de zwarte schoenen er stonden omdat erop was overgegeven, maakt dit ook niet anders. De rechtbank acht de stelling van eiseres dat [naam] nooit blijft slapen niet overtuigend, nu er voor het tegendeel voldoende aanknopingspunten zijn. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt namelijk dat het voertuig van [naam] vaak bij het appartementencomplex van eiseres is waargenomen en de meeste waarnemingen zijn gedaan (ruim) voor 08:00 uur ’s ochtends. Het voertuig stond steeds langere tijd geparkeerd. Hierdoor is het niet aannemelijk dat [naam] nooit in de nachtelijke uren bij eiseres bleef. Zoals het college terecht heeft gemotiveerd, strookt eiseres haar verklaring tijdens de hoorzitting in bezwaar, namelijk dat hij altijd om 8:00 uur in de ochtend komt, daar niet mee. Ook de stelling van eiseres dat er geen waarnemingen zijn van [naam] laat in de avond, en daarom de waarnemingen vroeg in de ochtend niet veel zeggen, kan eiseres om die reden niet baten. Dat eiseres ter zitting zegt dat [naam] er vaak om 6:00 uur was, strookt niet met haar eerdere verklaring en de rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij. Met betrekking tot de schriftelijke verklaring van [naam] van 23 januari 2026 merkt de rechtbank op dat het college ter zitting heeft aangegeven dat uit recent onderzoek blijkt dat, als [naam] naar zijn moeder gaat, hij de auto daar ook voor de deur zet. Ook is gebleken dat, als hij naar eiseres ging, hij de auto bij haar voor de deur parkeerde. Het verblijf bij zijn moeder verklaart dan ook niet waarom de auto van [naam] veelvuldig is waargenomen bij de woning van eiseres.
7.2.
Dat eiseres heeft geweigerd om de kleding te tonen en dat de afdeling handhaving beschrijft dat deze niet zichtbaar was en daarom niet kan weten dat er sprake is van herenkleding, volgt de rechtbank niet. In het rapport is namelijk beschreven dat een stapel kleding werd gezien, waaronder een heren T-shirt en een herenonderbroek. In het rapport staat ook niet, anders dan de advocaat van eiseres aanvoert, dat het niet zichtbaar was. In het rapport staat dat er een heren T-shirt en een herenonderbroek lagen, maar dat het vanwege de hoogte verder niet zichtbaar was. Bovendien ziet de rechtbank niet in waarom eiseres de kleding niet wilde tonen, als het haar eigen kleding was. Daarbij moet eiseres medewerking verlenen aan het huisbezoek.
7.3.
De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar stelling dat het onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Eiseres stelt dat de Renault Megane met [kenteken] op de eerste foto niet duidelijk zichtbaar is en daarom niet kan worden nagegaan of het voertuig op die datum en tijdstip is waargenomen. In het onderzoek is echter opgenomen wanneer de Renault Megane met [kenteken] in de buurt van het appartementencomplex is gezien. Bovendien blijkt voldoende duidelijk waar en wanneer de waarneming is gedaan en wat voor voertuig met welk kenteken is waargenomen. De rechtbank heeft, ook met een onduidelijke foto, geen reden om daaraan te twijfelen.
7.4.
Met betrekking tot de stelling van eiseres dat in het dossier geen stukken zitten waaruit blijkt dat de kentekens op de naam van [naam] staan, merkt de rechtbank op dat het college in het rapport van 10 februari 2025 constateert dat [naam] een Renault Megane op zijn naam heeft staan voorzien van een [kenteken] . Hoewel uit het rapport niet blijkt waar het college deze informatie op heeft gebaseerd, is ter zitting toegelicht dat dit is gecontroleerd bij de RDW. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Daarmee staat voldoende vast dat de auto van [naam] is. Verder is uit de BRP gebleken dat [naam] staat ingeschreven op de [adres] te [woonplaats] . De Grijze Volkswagen Golf met [kenteken] die meerdere keren bij de woning van eiseres is waargenomen, staat op de naam van [persoon] , wonende op de [adres] . Omdat het voertuig op naam staan van de persoon die woonachtig is op het adres van [naam] en in dat voertuig een persoon is waargenomen die overeen kwam met [naam] , heeft het college de waarnemingen van dit voertuig terecht bij de besluitvorming betrokken. Dat in het dossier geen foto aanwezig is van [naam] van zijn social media waarmee hij door de rapporteurs is vergeleken, hoewel dat naar het oordeel van de rechtbank voor toekomstige rapportages wel sterk aan te bevelen is, maakt dit het onderzoek op zichzelf nog niet onzorgvuldig. In het rapport wordt bovendien wel verwezen naar het facebook account van [naam] , waarvan ook een link is opgenomen en waar foto’s zichtbaar zijn. Namens eiseres is niet bestreden dat dit het account van [naam] is. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd gezegd dat ze het account niet heeft bekeken. Als eiseres had willen bestrijden dat deze persoon is gezien, had dit wel op haar weg gelegen. Uit de rapportage van waarnemingen blijkt verder voldoende duidelijk waar, wanneer welk voertuig is waargenomen en wat of wie er verder zijn waargenomen. Dat uit de rapportage niet blijkt wanneer het rapport zou zijn opgesteld, maakt het onderzoek evenmin onzorgvuldig. Dit nu de data van waarnemingen duidelijk zijn genoteerd.
7.5.
Het hoge waterverbruik van eiseres wordt door het college niet langer tegengeworpen. De rechtbank merkt op dat ook zonder het waterverbruik voldoende aanleiding is voor het oordeel dat [naam] zijn hoofdverblijf in de te beoordelen periode op hetzelfde adres had als eiseres.
7.6.
Voor zover het college stelt dat de rechtbank een religieus huwelijk op dezelfde wijze zou moeten behandelen als een wettelijk huwelijk, merkt de rechtbank op dat in deze zaak geen aanleiding bestaat voor de rechtbank om zich daarover uit te laten. Dit nu de rechtbank het bestreden besluit beoordeelt en het college daarover in het bestreden besluit niets heeft opgenomen.
7.7.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden heeft het college terecht aangenomen dat [naam] zijn hoofdverblijf in de te beoordelen periode op hetzelfde adres had als eiseres, en dat er om die reden sprake was van een gezamenlijke huishouding.
7.8.
Eiseres had die gezamenlijke huishouding aan het college moeten melden als een wijziging in haar woon- en leefsituatie. Door dit niet te doen heeft eiseres in ieder geval vanaf 27 november 2024 de op haar rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden. Als gevolg van de vaststelling dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden is het college verplicht het recht op bijstand in te trekken.Het college heeft dus terecht het recht op bijstand van eiseres ingetrokken per 27 november 2024.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
uit artikel 17, tweede lid, Pw
artikel 54, derde lid, van de Pw.
ECLI:NL:CRVB:2021:3241
zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2410.
ECLI:NL:CRVB:2009:BK4057.
Artikel 54, derde lid, van de Pw. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|