|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:793 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/819 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Afwijzing bijzondere bijstand stofferingskosten, beroep ongegrond, stofferingskosten vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden. Eiser had kunnen reserveren. Dringende redenen niet gebleken. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | levensonderhoud | | | reserveringsruimte | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/819
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A.M. Engelen),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, het college
(gemachtigde: mr. E. Heijligenberg).
Samenvatting
1. Eiser heeft bijzondere bijstand gevraagd voor stofferingskosten. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft geweigerd om bijzondere bijstand toe te kennen omdat de stofferingskosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het college zegt terecht dat eiser de mogelijkheid heeft gehad om voor de kosten te reserveren. Eiser geeft aan dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om te reserveren en dat er sprake is van dringende redenen. De rechtbank volgt eiser hierin niet.
Feiten, omstandigheden en procesverloop
2. Eiser heeft op 11 november 2024 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de stofferingskosten van zijn woning.
2.1.
Bij het besluit van 14 november 2024 (het primaire besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college vindt dat eiser voor de stofferingskosten had kunnen reserveren vanuit zijn inkomsten voor levensonderhoud. Volgens het college zijn er geen bijzondere omstandigheden om toch bijzondere bijstand voor de stoffering van de woning van eiser te verlenen.
2.2.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend. Bij het besluit van 25 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Senzer heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft het college – onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens het college voldoet de aanvraag van eiser niet aan de voorwaarden uit artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) omdat de stofferingskosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het college wijst op vaste rechtspraak waaruit blijkt dat kosten voor woninginrichting moeten worden gerekend tot periodiek of incidenteel voorkomende kosten algemene noodzakelijke kosten van bestaan. Deze kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau, door middel van reservering of gespreide betaling achteraf. Bij de beantwoording van de vraag of eiser heeft kunnen reserveren voor de kosten, moet volgens het college worden gekeken naar de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Eiser heeft al lange tijd, vanaf 1 januari 2017, een bijstandsuitkering en had dus voor de kosten kunnen reserveren. Ook woonde eiser lange tijd op grond van de Leegstandwet, waardoor het voorzienbaar was dat hij op enig moment zou moeten verhuizen. Daarom vloeien de kosten volgens het college niet voort uit bijzondere omstandigheden. Dat de bijstandsuitkering van eiser enige tijd geblokkeerd is geweest doet aan het voorgaande niets af. Daarbij is van belang dat de blokkering al van een lange tijd geleden is. Ook merkt het college op dat de rechtbank in de uitspraak van 7 november 2017 het blokkeringsbesluit slechts heeft vernietigd voor de periode van 1 mei 2015 tot en met 16 april 2016 en dat het besluit over de periode van 16 april 2016 tot en met 8 juli 2016 in stand is gebleven. Gelet op het voorgaande heeft eiser meer dan voldoende tijd gehad om te reserveren voor de stofferingskosten. Verder is het college van mening dat er geen sprake is van zeer dringende redenen. Het college blijft erbij dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens eiser is er sprake van bijzondere omstandigheden, omdat het college ten onrechte de uitkering van eiser heeft geblokkeerd. Eiser is hierdoor dakloos geworden in de jaren 2015 tot en met 2018. Hierdoor is eiser niet in de mogelijkheid geweest om te reserveren voor de stofferingskosten. Vervolgens is op 20 maart 2018 een nieuw blokkeringsbesluit opgelegd, waarbij de uitkering van eiser per 1 mei 2015 opnieuw is geblokkeerd. Met dit besluit heeft het college het besluit van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 november 2017 naast zich neergelegd. Uit het voorgaande blijkt dat het in ieder geval onmogelijk was voor eiser om te reserveren vanaf 1 januari 2017. In de jaren van 2015 tot en met 2018 was zijn inkomen ook te laag om te reserveren. Eiser heeft hiervan documenten overgelegd. Eiser is noodgedwongen verhuisd eind december 2017 en hierdoor heeft hij kosten gehad, zoals kosten voor een vloer en gordijnen. Hierdoor heeft hij ook in de periode na de verhuizing niet kunnen reserveren. Hij doet daarbij een beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 mei 2018. Ook in de zaak van eiser is sprake van opeenvolgende gedwongen verhuizingen en beperkte c.q. geen reserveringstijd. Bovendien waren de problemen van eiser niet voorzienbaar. De situatie van eiser is in 2015 ontstaan uit het niets en niemand wilde hem helpen. Ook is sprake van dringende redenen omdat eiser al geruime tijd in een onleefbare situatie verkeert. Zijn woning is nog steeds grotendeels casco en er zijn geen gordijnen en plinten. Ook zijn meerdere kamers nog niet geschilderd. Ter zitting heeft eiser nog gesteld dat hij vanaf 2019 in een huurwoning woonde en geen huurtoeslag kreeg, waardoor hij niet heeft kunnen reserveren. Eiser heeft verzocht om het onderzoek aan te houden om dit standpunt met stukken te kunnen onderbouwen. Verder heeft het college geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de woning van eiser casco is opgeleverd. Daarnaast wijst eiser nog op een stuk van 6 januari 2016 van Renier van Arkel en medische stukken uit een onderzoeksplan, waaruit volgens eiser blijkt dat er vanwege zijn psychische klachten als gevolg van het blokkeringsbesluit dringende redenen zijn om aan hem alsnog bijzondere bijstand te verlenen. De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand brengt hem namelijk terug naar het geschil dat speelde in de jaren 2015 tot en met 2018.
Beoordeling door de rechtbank
5. Artikel 35 van de Pw zegt dat recht bestaat op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
5.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de stofferingskosten zich voordoen en in eisers geval noodzakelijk zijn. Het geschil gaat erover of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Hierbij moet worden betrokken of eiser de mogelijkheid heeft gehad om voor deze kosten te reserveren.
Vloeien de stofferingskosten voort uit bijzondere omstandigheden?
6. Het is aan eiser als aanvrager van de bijzondere bijstand om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw.
6.1.
De rechtbank is het met het college eens dat de stofferingskosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Daarbij is van belang dat eiser had kunnen reserveren voor de stofferingskosten. Het college heeft er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat de kosten voor woninginrichting moeten worden gerekend tot periodieke dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en dat deze kosten in beginsel dienen te worden voldaan uit een inkomen op bijstandsniveau, door middel van reservering of gespreide betaling achteraf. Eiser had, in ieder geval vanaf het moment dat hij weer een bijstandsuitkering ontving, voldoende reserveringsmogelijkheden. Hoewel het college er in het bestreden besluit van uit gaat dat eiser vanaf januari 2017 weer een bijstandsuitkering ontving en in het verweerschrift wordt aangeknoopt bij 2018, is ter zitting gebleken dat eiser in ieder geval vanaf 2019 weer een bijstandsuitkering ontvangt. Daarmee is motivering van het college in het bestreden besluit, namelijk dat eiser al lange tijd een bijstandsuitkering ontvangt, naar het oordeel van de rechtbank nog steeds juist, ondanks dat het college een onjuiste exacte aanvangsdatum vermeld. Het college heeft er in het bestreden besluit, ook uitgaande van een aanvangsdatum van de bijstandsuitkering van 2019, terecht op gewezen dat de reserveringscapaciteit van eiser duidelijk hoger is dan het maximale bedrag voor stofferingskosten voor een eenpersoonshuishouden. De omstandigheid dat de bijstandsuitkering van eiser lange tijd geblokkeerd is geweest, doet aan het voorgaande niets af, omdat de blokkering van vele jaren geleden is en eiser sinds hij weer een bijstandsuitkering ontvangt voldoende reserveringsmogelijkheden heeft gehad.
Met betrekking tot de stelling van eiser dat het college met het blokkeringsbesluit van 2018 de uitspraak van de rechtbank naast zich neer heeft gelegd, merkt de rechtbank op dat het blokkeringsbesluit nu niet ter toetsing voorligt. Ook de omstandigheid dat het inkomen van eiser in de periode van 2015 tot 2018 te laag was om te reserveren, doet er niet aan af dat eiser vanaf 2019 voldoende reserveringsmogelijkheden heeft gehad. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het tijdsverloop sinds de opheffing van de blokkering van de bijstandsuitkering maakt dat dit niet op zichzelf een bijzondere omstandigheid is waardoor de bijzondere bijstand moet worden verleend. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat hij door de noodgedwongen verhuizingen andere kosten heeft gehad en hij daardoor niet heeft kunnen reserveren, omdat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de zaak van eiser en de zaak waar hij een beroep op doet van elkaar verschillen. In de uitspraak van de CRvB van 29 mei 2018 werd betrokkene namelijk kort achter elkaar gedwongen te verhuizen. Eiser is op 30 januari 2022 ingetrokken bij zijn toenmalige partner vanuit een woning die hij huurde op grond van de Leegstandwet. Deze relatie is stukgelopen waardoor hij uit deze woning weg moest. Hij is toen op 29 juni 2022 in zijn huidige woning ingetrokken. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij kosten heeft gemaakt bij de verhuizing naar de woning van zijn toenmalige partner. Daarbij komt dat eiser lange tijd heeft gewoond op basis van de Leegstandwet, waarbij hij er van op de hoogte was dat hij ooit zou moeten verhuizing en dus kosten zou moeten maken. Het had dan ook op de weg gelegen om voor deze kosten te reserveren. Omdat de zaken inhoudelijk van elkaar verschillen slaagt het beroep op voornoemde uitspraak niet.
6.2.
Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij vanaf 2019 in een huurwoning woonde en geen huurtoeslag kreeg, waardoor hij niet heeft kunnen reserveren, oordeelt de rechtbank als volgt. Eiser brengt dit voor het eerst ter zitting naar voren en eiser heeft niet (met stukken) onderbouwd dat zijn vaste lasten in 2019 te hoog waren om te kunnen reserveren. Dit had wel op zijn weg gelegen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek hiervoor aan te houden, omdat eiser na het instellen van beroep meer dan voldoende tijd heeft gehad om deze aanvullende stelling naar voren te brengen en te onderbouwen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat eiser tot zijn verhuizing in 2022 geen reserveringsruimte had, hij daarna - bij grove benadering - nog steeds voldoende reserveringsruimte had om te reserveren voor de stofferingskosten. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat het college geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de woning van eiser casco is opgeleverd. Daarbij is van belang dat het geen uitzondering is dat een woning kaal wordt opgeleverd en bovendien zijn stofferingskosten nu juist bedoeld voor zaken zoals een vloer en raambekleding. Het college heeft ter zitting terecht toegelicht dat het voor de beoordeling niet uitmaakt dat de woning casco is opgeleverd en eiser heeft niet, althans onvoldoende, toegelicht waarom dat in zijn situatie wel uit zou maken.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van dringende redenen?
7. Artikel 16, eerste lid, van de Pw geeft de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Pw bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Van zeer dringende redenen is pas sprake als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Blijkens jurisprudentie van de CRvB is van een acute noodsituatie in ieder geval sprake als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van een acute noodsituatie en daarbij zal moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor zijn gezondheid. Daarbij is verder van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is.De bewijslast rust in beginsel op eiser. Dat brengt mee dat eiser de nodige duidelijkheid moet verschaffen en de zeer dringende redenen moet onderbouwen met concrete en verifieerbare gegevens.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er zeer dringende redenen zijn om wel bijzondere bijstand toe te kennen. Eiser heeft met zijn stelling dat hij in een onleefbare situatie verkeert. omdat zijn woning geen plinten en gordijnen heeft en niet alle kamers geschilderd zijn, niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van dringende redenen. De rechtbank is het met het college eens dat hiervoor tijdelijke maatregelen getroffen kunnen worden en bovendien dat eiser er al vanaf 2022 woont. De omstandigheid dat eiser door de huidige situatie weer terugdenkt aan het geschil van 2015 tot en met 2018 en hierdoor psychische klachten ervaart, is door eiser niet althans onvoldoende onderbouwd. Bovendien blijkt uit die stelling niet dat aan het voornoemde criterium is voldaan, noch dat de psychische problemen op geen enkele andere wijze te verhelpen zouden zijn en waardoor het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Het college heeft dus terecht geen reden gezien om de gevraagde bijzondere bijstand toe te kennen wegens dringende redenen. Het stuk van 6 januari 2016 van Reinier van Arkel geeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Weliswaar blijkt uit het stuk dat het blokkeringsbesluit een negatief gevolg had op zijn psychiatrische klachten, maar niet is gebleken dat er een causaal verband is tussen de psychiatrische klachten van eiser en de afwijzing van zijn aanvraag om stofferingskosten. Dit causale verband blijkt ook niet uit de medische stukken van 4 april 2025 waarin onderzocht is of eiser in aanmerking komt voor een ondersteuning/voorziening op grond van de Wet Maatschappelijke ondersteuning. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het college heeft terecht gesteld dat de stofferingskosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en er geen dringende redenen zijn om alsnog bijzondere bijstand toe te kennen. Dit betekent dat het college de aanvraag voor bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:3147, ECLI:NL:CRVB:2018:882 en ECLI:NL:RBROT:2022:2604.
in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Pw.
ECLI:NL:CRVB:2018:1620.
in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Pw.
ECLI:NL:CRVB:2018:1620.
ECLI:NL:CRVB:2023:985. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|