Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:3080 
 
Datum uitspraak:03-02-2026
Datum gepubliceerd:17-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL24.25407
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Bezwaar tegen intrekking vtv kennelijk n-o, bezwaar te laat en geen verschoonbare redenen gebleken; ook afwijzing verlengingsaanvraag, niet binnen redelijke termijn verlenging gevraagd, afwijzing niet in strijd met 8 EVRM, overwegend in buitenland verbleven en mantelzorg voor echtgenoot niet aangetoond. Wel motiveringsgebrek tav horen in bezwaar en dus gg beroep maar rechtsgevolgen in stand gelaten door latere motivering.
Trefwoorden:huurovereenkomst
levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.25407

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),

en


de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde mr. C.W.M. van Breda.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de op 10 augustus 2018 aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij
echtgenoot’ met terugwerkende kracht per 10 augustus 2018. Deze uitspraak gaat ook over
afwijzing van de verlengingsaanvraag van eiseres van die ingetrokken verblijfsvergunning. Eiseres is het niet eens met de intrekking van haar verblijfsvergunning en de afwijzing van haar verlengingsaanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het door eiseres ingediende bezwaar tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat verweerder de door eiseres ingediende verlengingsaanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.





Procesverloop

2. Op 10 augustus 2018 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot’, geldig van 10 augustus 2018 tot 10 augustus 2023. Bij besluit van 24 februari 2020 (het intrekkingsbesluit) is de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht tot en met 10 augustus 2018. De op 29 juni 2023 ingediende verlengingsaanvraag van eiseres van de eerder aan haar verstrekte verblijfsvergunning heeft verweerder bij besluit van 29 september 2023 (het afwijzingsbesluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 mei 2024 op het bezwaar van eiseres tegen het intrekkings- en afwijzingsbesluit is verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning en de afwijzing van de verlengingsaanvraag gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot [persoon A] als ook de gemachtigde van verweerder. Tevens is verschenen S.E. Egei als tolk.





(Totstandkoming van) het bestreden besluit

3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1967 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiseres is in 1990 getrouwd met [persoon A] en samen hebben zij zes kinderen. Op 29 juni 2018 is eiseres in het bezit gesteld van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A] ’. Op 10 augustus 2018 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor het verblijfsdoel ‘verblijf bij echtgenoot’, geldig tot 10 augustus 2023. Op 27 januari 2020 heeft verweerder een voornemen uitgebracht om deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken. Eiseres heeft hierop niet gereageerd, waarna het intrekkingsbesluit is genomen. Eiseres heeft op 29 juni 2023 een aanvraag ingediend tot het verlengen van de eerder aan haar afgegeven verblijfsvergunning.


4.1.
Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiseres niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking en dat de redenen die daarvoor zijn aangevoerd, niet verschoonbaar zijn. Het intrekkingsbesluit is op de juiste wijze bekend gemaakt doordat dit gezonden is naar het laatst bekende adres van eiseres. Dat eiseres ten tijde van de verzending van het voornemen tot intrekking en het intrekkingsbesluit in Nigeria verbleef, komt voor haar rekening en risico.
Aan de afwijzing van de verlengingsaanvraag legt verweerder ten grondslag dat eiseres niet binnen een redelijke termijn van twee jaar, zoals bedoeld in de artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in samenhang gelezen met paragraaf B1/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), na de intrekking van haar verblijfsvergunning een nieuwe verblijfsaanvraag heeft ingediend. Zij is ook niet in het bezit van een geldige mvv, hetgeen weer vereist mag worden omdat de verlengingsaanvraag vanwege de verstrijking van de redelijke termijn wordt gezien als een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning. In het bestreden besluit heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet in de weg staat aan tegenwerping van dit mvv-vereiste in deze zaak.



4.2.
In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit abusievelijk geen motivering is opgenomen ten aanzien van de hoorplicht, dat verweerder van mening is dat op goede gronden kon worden afgezien van het horen van eiseres en dat het bezwaarschrift voor zover het gericht is tegen het afwijzingsbesluit kennelijk ongegrond verklaard had moeten zijn.




Beoordeling door de rechtbank


Het intrekkingsbesluit

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk maakt dat het intrekkingsbesluit niet op juiste wijze bekend is gemaakt. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder in beroep de verzendadministratie van het intrekkingsbesluit als ook het voornemen overgelegd. Verweerder heeft verder bij zijn standpunt dat het intrekkingsbesluit op de juiste wijze bekend is gemaakt betrokken dat de echtgenoot van eiseres ten tijde van de verzending van het voornemen en het intrekkingsbesluit nog stond ingeschreven op het adres [adres 1] waarnaar deze besluiten zijn verzonden, wat ook het laatst bekende adres van eiseres was, en dat de verhuizing naar de [adres 2] pas anderhalf jaar daarna heeft plaatsgevonden. Dit laatste blijkt ook uit de door eiseres overgelegde stukken over de sleuteloverdracht van die verhuizing. Verder heeft verweerder uit de stempels in het paspoort van eiseres afgeleid dat eiseres zich ten tijde van de verzending van het intrekkingsbesluit in Nigeria bevond en zich op het standpunt gesteld dat het voor rekening en risico van eiseres komt dat zij haar post niet kon openen en niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit. De enkele omstandigheid dat eiseres na verzending van het intrekkingsbesluit nimmer iets heeft gemerkt van die intrekking terwijl zij wel op- en neer is gereisd van Nigeria naar Nederland, maakt volgens verweerder niet dat eiseres erop mocht vertrouwen dat zij nog steeds rechtmatig in Nederland verbleef.
Eiseres heeft in haar gronden van beroep, vrijwel woordelijk, herhaald wat zij reeds in bezwaar had aangevoerd. Een dergelijke herhaling in de gronden van beroep zonder nader te motiveren waarom het bestreden besluit, waarin op alle gronden die in het bezwaar zijn aangevoerd gemotiveerd is ingegaan, niet in stand kan blijven, is onvoldoende om tot gegrondverklaring van het beroep te komen. Een dergelijke herhaling is evenmin voldoende om voormelde standpunten van verweerder voldoende gemotiveerd betwist te achten. De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene, die de uitlating deed of de gedraging verrichtte, de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Daarvan is hier geen sprake. De stelling van de echtgenoot van eiseres dat het in de maanden voor de lockdown vanwege COVID al een chaos was bij de postbezorging, is niet onderbouwd -en ook geen feit van algemene bekendheid- en kan daarom al niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet alleen het intrekkingsbesluit van 24 februari 2020 naar het laatstbekende adres van eiseres is gestuurd. Ook de brief van 2 januari 2020 met het verzoek van verweerder om informatie, omdat was geconstateerd dat eiseres zich na ontvangst van de verblijfsvergunning niet in het BRP had ingeschreven en ook het huwelijk niet bij haar persoonsgegevens was ingeschreven, is naar dit adres gestuurd evenals het voornemen van 27 januari 2020. Het is niet aannemelijk dat geen van deze stukken is ontvangen vanwege een chaos bij PostNL. Gelet hierop en nu het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit niet binnen de daarvoor gestelde termijn van vier weken is ingediend, is het bezwaar van eiseres tegen het intrekkingsbesluit terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en slagen de in dit kader ingediende beroepsgronden niet.

Het afwijzingsbesluit


6.1.
Allereerst overweegt de rechtbank dat verweerder de verlengingsaanvraag van eiseres, gelet op wat hiervoor is overwogen over het intrekkingsbesluit en nu de verlengingsaanvraag niet binnen twee jaar na het intrekkingsbesluit is ingediend, op grond van artikelen 3.80 en 3.82, eerste lid van het Vb in samenhang gelezen met paragraaf B1/6.1 van de Vc, terecht heeft aangemerkt als een eerste aanvraag om toelating tot Nederland. Verweerder heeft daarom ook terecht gesteld dat eiseres diende te voldoen aan het mvv-vereiste.



6.2.
Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder zich in het bestreden besluit ten aanzien van de vraag of eiseres van het mvv-vereiste dient te worden vrijgesteld op grond van artikel 8 van het EVRM gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de belangen van de Nederlandse overheid om eiseres geen verblijf toe te staan in Nederland zwaarder wegen dan het belang van eiseres om bij haar echtgenoot in Nederland te verblijven. Verweerder heeft in dit kader tegengeworpen aan eiseres dat zij nimmer rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, omdat haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken en bovendien van de vijf jaar waarvoor haar verblijfsvergunning is verleend, bijna vier jaar in Nigeria heeft verbleven. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat de echtgenoot van eiseres zich -ook met de medische beperkingen die hij toen had- al die jaren staande heeft gehouden zonder dat eiseres woonachtig was in Nederland en niet valt in te zien dat deze leefwijze niet voortgezet zou kunnen worden. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet met objectieve verifieerbare bewijsstukken heeft aangetoond dat zij mantelzorg verleent aan haar echtgenoot en dat hetgeen zij en haar echtgenoot zelf hebben aangevoerd onvoldoende is om aan haar verblijf in Nederland toe te staan. Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd dat de kinderen die woonachtig zijn in Nederland van eiseres afhankelijk zijn. Eiseres heeft in haar gronden van beroep, vrijwel woordelijk, herhaald wat zij reeds in bezwaar had aangevoerd. Een dergelijke herhaling in de gronden van beroep zonder nader te motiveren waarom het bestreden besluit, waarin op alle gronden die in het bezwaar zijn aangevoerd gemotiveerd is ingegaan, niet in stand kan blijven, is onvoldoende om tot gegrondverklaring van het beroep te komen. Een dergelijke herhaling is evenmin voldoende om voormeld standpunt van verweerder voldoende gemotiveerd betwist te achten. De overgelegde medische documenten ten aanzien van de echtgenoot van eiseres kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze documenten eerst in beroep zijn ingediend en zien op een periode van na het bestreden besluit. Overigens is in deze stukken ook niet specifiek toegelicht wat de taken van eiseres zijn ten aanzien van de ondersteuning van haar echtgenoot.


De hoorplicht

7. Eiseres voert verder aan dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden.



7.1.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.



7.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, volgt dat een bezwaar alleen kennelijk ongegrond is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander oordeel dan vervat in het primaire besluit. In voormelde uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 wordt verder benadrukt dat het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftenprocedure en de vuistregel is geformuleerd dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.



7.3.
Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat abusievelijk geen motivering is opgenomen in het bestreden besluit waarom is afgezien van het horen in bezwaar. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd. Dit maakt dat het bestreden besluit niet in overeenstemming met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb tot stand is gekomen.



7.4.
Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit op dit punt vernietigen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Zij overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder in beroep, onder andere in het verweerschrift, maar ook ter zitting, nader is ingegaan op de hoorplicht. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat terecht van het horen is afgezien, omdat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend standpunt en dat er dus ook geen twijfel bestond dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het intrekkingsbesluit heeft gemotiveerd waarom van juiste verzending, en de rechtmatigheid, van het intrekkingsbesluit dient te worden uitgegaan. Daarnaast is eiseres bij brief van 29 april 2024, zoals verweerder terecht heeft gesteld, herstel verzuim geboden om onder andere het verblijf in Nederland tussen 10 augustus 2018 en 6 juni 2023 te onderbouwen met objectieve en verifieerbare stukken. In bezwaar heeft eiseres weliswaar stukken overgelegd, maar uit die stukken blijkt niet dat het intrekkingsbesluit naar het verkeerde adres is gestuurd, omdat uit de stukken juist blijkt dat referent eerst sinds 20 oktober 2021 woonachtig is op het adres [adres 2] en dus niet al ten tijde van het intrekkingsbesluit. Uit de daarbij overgelegde brief van 14 oktober 2021 over de sleuteloverdracht blijkt bovendien dat deze naar het adres [adres 1] is verzonden, het adres waar ook het verzoek om informatie van 2 januari 2020, het voornemen en het intrekkingsbesluit van 24 februari 2020 naartoe zijn gezonden. Daarnaast zijn de in bezwaar overgelegde stukken tegenstrijdig omdat de kinderen spreken over een langdurig en intensief verblijf van eiseres in Nederland, terwijl uit de stempels in het paspoort van eiseres blijkt dat zij slechts één jaar van de vijf jaar dat zij een verblijfsvergunning had woonachtig is geweest in Nederland.
Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder eiseres bij brief van 29 april 2024 de gelegenheid is geboden om haar beroep op artikel 8 van het EVRM nader toe te lichten. In dit kader is in die herstelverzuimbrief specifiek gevraagd om stukken waaruit blijkt dat eiseres betrokken is bij de medische situatie van haar echtgenoot, zoals ziekenhuisafspraken en bewijsstukken waaruit blijkt dat eiseres mantelzorg verleent. Ook is in die brief in het kader van het verblijf van eiseres in Nederland specifiek gevraagd om loonstroken, tandartsbezoeken, doktersafspraken, abonnementen, hypotheek dan wel huurovereenkomst, activiteiten die eiseres in Nederland hebt ondernomen of vrijwilligerswerk. Verder is in het kader van de gestelde afhankelijkheid van de meerderjarige kinderen van eiseres gevraagd om stukken waaruit blijkt dat zij niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien en op welke manier er wordt samengeleefd. Verder is in die brief verzocht om aan te tonen hoe eiseres betrokken is bij de opvoeding van de meerderjarige kinderen en in welke mate zij financieel de kinderen ondersteunt. De gevraagde stukken zijn niet ontvangen. Evenmin is gesteld dat deze stukken er niet zijn. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de op 3 oktober 2023 opgestuurde brieven van de kinderen en buren niet als zodanig kunnen worden gezien, nu deze niet uit objectieve bron afkomstig zijn. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat verweerder met de aanvullende motivering ten aanzien van de hoorplicht in het verweerschrift en ter zitting het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit.





Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gelet op wat onder overweging 7.3. is overwogen gegrond wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Gelet op de aanvullende motivering van verweerder in beroep ziet de rechtbank, zoals reeds in overweging 7.4. is overwogen, aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiseres inhoudelijk geen gelijk krijgt.

9. De rechtbank ziet vanwege de gegrondverklaring van het beroep aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 187,- aan haar vergoeden op grond van artikel 8:74 van de Awb.









Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit;
-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten;
-bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak