|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:923 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | 23/5685 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | AKW. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser niet tijdig de gronden van bezwaar heeft ingediend. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | kinderbijslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5686
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Car),
en
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Marijnissen).
Samenvatting
1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser heeft niet tijdig de gronden van bezwaar ingediend, zodat verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop en totstandkoming van het bestreden besluit
2.1.
Met een besluit van 9 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser kinderbijslag toegekend op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor het derde kwartaal van 2021 en vanaf het tweede kwartaal van 2023.
2.2.
Bij brief van 26 juni 2023 heeft de gemachtigde van eiser namens eiser een proforma bezwaarschrift ingediend en om uitstel gevraagd voor het indienen van de gronden van bezwaar. Daarbij heeft hij verzocht om hem met spoed het volledige dossier te doen toekomen.
2.3.
Hierop heeft verweerder blijkens een telefoonnotitie contact gezocht met eisers gemachtigde, omdat verweerder het bezwaarschrift niet begreep, en een terugbelverzoek achtergelaten. Bij brief van 5 juli 2023 heeft verweerder de ontvangst op 27 juni 2023 van het proforma bezwaarschrift bevestigd en daarbij meegedeeld dat verweerder het bezwaar niet in behandeling kan nemen omdat eiser geen argumenten heeft gegeven waarom hij het niet eens is met het primaire besluit, zodat verweerder niet begrijpt wat hij zou moeten heroverwegen. Verweerder heeft hierbij verzocht deze argumenten alsnog vóór 26 juli 2023 te geven, omdat anders het bezwaar niet inhoudelijk zal worden behandeld. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat hij het dossier pas zal toesturen als bekend is waartegen het bezwaar zich richt. Blijkens een telefoonnotitie heeft verweerder op 6 juli 2023 weer geprobeerd contact te krijgen met eisers gemachtigde en een terugbelverzoek achtergelaten.
2.4.
Met het bestreden besluit van 1 augustus 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit op grond van artikel 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard, omdat op de brief van 5 juli 2023 en de terugbelverzoeken geen reactie is gekomen en niet duidelijk is geworden waarom eiser bezwaar maakt.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In beroep heeft eiser aangevoerd dat de gronden tijdig (op 25 juli 2023) per post en per email zijn ingediend en dat verweerder eiser niet niet-ontvankelijk mocht verklaren, omdat verweerder de dossierstukken niet aan de gemachtigde heeft verstrekt.
3.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en daarin gesteld dat, nadat kinderbijslag was toegekend over het eerste, tweede en vierde kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022, eiser heeft verzocht om ook over het derde kwartaal van 2021 kinderbijslag toe te kennen, waarop met het primaire besluit positief is beslist. Ook is er vanaf het tweede kwartaal van 2022 een recht op kinderbijslag toegekend. Ondanks dat verweerder na het proforma bezwaarschrift eiser in de gelegenheid heeft gesteld om de gronden van bezwaar in te dienen, heeft verweerder deze niet per post en ook niet per email ontvangen. Het door eiser aangegeven emailadres waarnaar door de gemachtigde zou zijn gemaild, is niet in gebruik bij verweerder, zodat het bericht door de gemachtigde als onbestelbaar retour moet zijn ontvangen.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep met de uitspraak van 5 juni 2024 kennelijk ongegrond verklaard. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser de verzending van de bezwaargronden per post niet aannemelijk heeft kunnen maken en dat eiser niet weerspreekt dat het door hem gebruikte emailadres bij verweerder niet in gebruik is, zodat het ervoor gehouden moet worden dat eiser niet tijdig de gronden van bezwaar heeft ingediend. Dat de brief van 25 juli 2023 met de bezwaargronden door verweerder niet is ontvangen, komt voor risico van eiser, aangezien de brief niet aangetekend of aangetekend met bericht van ontvangst naar verweerder is verzonden. Dat eiser had gevraagd om het volledige dossier en dat hij dat dossier ten tijde van de beweerdelijke verzending van zijn bezwaargronden nog niet had ontvangen, staat los van de vraag of tijdig bezwaargronden zijn opgegeven. Over de door eiser aangehaalde rechtspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat die relevantie mist voor deze zaak.
4. Het daartegen door eiser ingestelde verzet is met de uitspraak van 2 juni 2025 gegrond verklaard. De verzetsrechter heeft overwogen dat, gelet op de overeenkomsten van de zaak van eiser met de door eiser aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 1 september 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7809, waarin werd geoordeeld dat de in die zaak voorliggende niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte is, het de verzetsrechter niet op voorhand duidelijk is waarom deze rechtspraak relevantie zou missen voor het beroep van eiser, zoals is overwogen in de uitspraak van 5 juni 2024. Volgens de verzetsrechter kon daarom niet worden geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is.
5. Dit heeft tot gevolg dat de uitspraak van de rechtbank van 5 juni 2024 vervalt. De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin het zich voor die uitspraak bevond.
6. De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, tolk S. Efendieva en de gemachtigden van partijen.
De standpunten van partijen
Standpunt van eiser
7. Eiser betoogt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard door verweerder, omdat de gronden wel tijdig zijn ingediend. Eiser stelt dat zijn gemachtigde op 25 juli 2023 de gronden van het bezwaar per reguliere post en per email heeft ingediend, op dezelfde wijze als waarop het proforma bezwaarschrift is ingediend. Gemachtigde heeft het emailadres info@svb.nl via het algemene nummer telefonisch van verweerder doorgekregen. Verweerder heeft in de bevestiging van 5 juli 2023 van de ontvangst van het proforma bezwaar niet aangegeven dat het proforma bezwaar enkel per post is ontvangen. In dat geval had de gemachtigde van eiser de gronden van het bezwaar wel aangetekend verzonden. Ook heeft verweerder in die bevestiging niet aangegeven dat het gebruikte emailadres niet in gebruik is bij verweerder. Dit is volgens eiser feitelijk een bevestiging dat dit emailadres kan worden gebruikt voor het indienen van stukken, dan wel dat daarop mag worden vertrouwd nu dit opgewekte vertrouwen in de brief van 5 juli 2023 niet wordt weggenomen. Gemachtigde heeft geen bericht ‘onbestelbaar retour’ ontvangen. Overigens heeft hij naar aanleiding van de terugbelverzoeken verweerder wel tot drie maal toe teruggebeld, maar er werd niet opgenomen. Daarbij komt dat gemachtigde in dezelfde envelop als waarmee het proforma bezwaarschrift in deze zaak per post naar verweerder is gestuurd, nog een bezwaarschrift van eiser tegen een dwangsombesluit heeft gevoegd. In tegenstelling tot het bezwaar tegen het primaire besluit, heeft verweerder het bezwaar tegen het dwangsombesluit wel inhoudelijk behandeld, zodat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
8. Verder heeft verweerder nooit de dossierstukken aan de gemachtigde van eiser verstrekt om de gronden van het bezwaar te onderbouwen, terwijl de gemachtigde van eiser hier expliciet om heeft verzocht in het proforma bezwaarschrift. Nu verweerder daardoor artikel 6:17 van de Awb heeft geschonden, kan hij zich niet beroepen op artikel 6:6 van de Awb. Uit het primaire besluit blijkt niet waarom niet ook kinderbijslag is toegekend over 2022 en het eerste kwartaal van 2023 en wordt niet verwezen naar wettelijke bepalingen of beleid. Gemachtigde heeft eiser niet bijgestaan in de aanvraagfase, in het primaire besluit wordt niet verwezen naar de eerdere toekenningsbeschikking van 20 juni 2020 en eiser heeft hierover tegen gemachtigde ook niks gezegd. Ondanks dat het primaire besluit te summier is gemotiveerd, verwacht verweerder dat gronden worden ingediend zonder kennis van het dossier. Gemachtigde heeft de gronden ingediend. Eiser stelt zich op het standpunt dat, indien bepaalde handelingen niet correct zijn verlopen, dit voor rekening en risico van verweerder dient te komen. Tot slot voert eiser aan dat de kinderbijslag met een eerdere ingangsdatum aan eiser moet worden toegekend, nu eiser lange tijd bezig was om de aanvraag te effectueren, bij eiser gegevens zijn opgevraagd vanaf 2014 en verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de aanvraag slechts met een jaar terugwerkende kracht is toegekend.
Standpunt van verweerder
9. Verweerder stelt dat hij het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat eiser alle kinderbijslag heeft gekregen die hij kon krijgen, onduidelijk was waar het bezwaar over ging en noch met het proforma bezwaar noch daarna gronden zijn ingediend. Verweerder heeft geen telefoonnotities waaruit blijkt dat de gemachtigde verweerder heeft teruggebeld. Als de telefoon niet wordt opgenomen, wordt men uiteindelijk doorverbonden met de receptie. Het emailadres info@svb.nl bestaat niet, ook geen soortgelijk emailadres, en verweerder wil ook niet mailen met klanten. Verweerder heeft geen stukken opgestuurd, omdat er geen gemiste kinderbijslag was en wilde dit telefonisch uitleggen.
De beoordeling door de rechtbank
10. Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bepaalt dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt, onder meer, dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
10.1.
Eiser heeft betoogd dat bij brief van 25 juli 2023 per reguliere post en email de gronden zijn ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de tijdige verzending van de gronden per reguliere post niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de gronden (tijdig) naar een emailadres zijn gestuurd dat in gebruik is bij verweerder, noch dat dit emailadres aan de gemachtigde van eiser is doorgegeven. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de gronden niet tijdig zijn ingediend. Dat de brief van 25 juli 2023 met de bezwaargronden door verweerder niet is ontvangen, komt voor risico van eiser aangezien deze niet aangetekend of aangetekend met een bericht van ontvangst naar verweerder is verzonden. Dat verweerder in de ontvangstbevestiging van het proforma bezwaar niet heeft aangegeven dat het op dat proforma bezwaar door de gemachtigde vermelde emailadres niet in gebruik is bij verweerder, maakt niet dat erop mocht worden vertrouwd dat dit emailadres juist was. Dat een ander bezwaarschrift, dat volgens eiser gelijktijdig is verstuurd, (uiteindelijk) wel inhoudelijk is behandeld, leidt niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. Verweerder mocht dan ook in beginsel het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren op grond van artikel 6:6 van de Awb.
11. Artikel 6:17 van de Awb bepaalt dat, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking stelt.
11.1.
Eiser heeft gesteld dat hij om stukken heeft gevraagd, maar dat die niet ter beschikking zijn gesteld, waardoor volgens hem verweerder niet de bevoegdheid toekomt om niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 6:6 van de Awb. Volgens eiser is het primaire besluit te summier gemotiveerd aangezien daaruit niet blijkt waarom niet is toegekend over 2022 en het eerste kwartaal van 2023. Eiser heeft in dit verband gewezen op de onder 4 genoemde uitspraak van de Raad van 1 september 1998. Daarin heeft de Raad geoordeeld dat in die zaak de voorliggende niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte is. De Raad overwoog in die uitspraak dat het primaire besluit (te) summier is gemotiveerd, maar dat niet valt in te zien waarom een dergelijke motivering gedaagde zou ontslaan van de wettelijke verplichting om de gronden van het bezwaar tegen dit besluit in te dienen. De Raad heeft verder overwogen dat een zeer summiere motivering evenwel met zich mee brengt dat van een gemachtigde redelijkerwijs niet mag worden verwacht dat hij de gronden voor het bezwaarschrift zou kunnen aanvullen zonder dat hij kennis heeft genomen van de onderliggende stukken. De mededeling van gemachtigde dat hij de op de zaak betrekking hebbende stukken nog niet had ontvangen, had dan ook volgens de Raad voor het bestuursorgaan aanleiding moeten zijn die stukken alsnog ter beschikking te stellen. Volgens de Raad kan dan niet worden gezegd dat de gemachtigde, zoals voorgeschreven in artikel 6:6 van de Awb, in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen.
11.2.
Hoewel het primaire besluit summier gemotiveerd is, stelt de rechtbank vast dat eiser ondanks het niet hebben ontvangen van de dossierstukken kennelijk wel in staat was om gronden te formuleren, want die heeft hij immers volgens eigen zeggen op 25 juli 2023 ingediend. In die brief staat ten aanzien van het primaire besluit dat eiser het niet eens is met de ingangsdatum en dat dit een eerdere datum moet zijn. Subsidiair wordt in die brief aangevoerd dat eiser door het primaire besluit onevenredig is getroffen, en meer subsidiair dat er bijzondere omstandigheden zijn waardoor van een eerdere ingangsdatum moet worden uitgegaan. Het primaire besluit was dus blijkbaar niet te summier om gronden in te dienen. Daarbij komt dat, tegen de achtergrond van hetgeen door eiser was aangevraagd en hetgeen eerder was toegekend, niet gezegd kan worden dat het primaire besluit zodanig summier was dat in het geheel niet aangegeven zou kunnen worden waarom men het niet eens is met het besluit/wat heroverwogen zou moeten worden. Verondersteld mag worden dat een rechtzoekende bij het raadplegen van een gemachtigde aangeeft waarom hij het niet eens is met het besluit. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij naar een advocaat is gegaan omdat hij voor het derde kwartaal van 2021 geen kinderbijslag had gekregen.
12. Nu eiser verplicht was om gronden in te dienen, hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dit tijdig heeft gedaan, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld en dit ook van hem kon worden verlangd, heeft verweerder terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is dus ongegrond.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten in beroep.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|