Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:1494 
 
Datum uitspraak:17-02-2026
Datum gepubliceerd:17-02-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:C/10/684954 / FA RK 24-63 C/10/684954 / FA RK 24-63
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Beëindiging gezag over biologisch kind en voogdij over pleegkind, na strafrechtelijke veroordeling van (pleeg)ouders voor ernstige geweldsfeiten tegen oudste pleegdochter en tegen pleegkinderen die eerder onderdeel van het gezin waren.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige Kamer

Zaaknummer: C/10/684954 / FA RK 24-6370
Datum uitspraak: 17 februari 2026


Beschikking van de meervoudige kamer over de beëindiging van het gezag en de voogdij


in de zaak van


de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

over



[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,



[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:



[naam (pleegmoeder)]
,
hierna te noemen: de (pleeg)moeder, thans verblijvende in de penitentiaire inrichting (hierna: P.I.) [naam P.I. 1] , [detentielocatie] ,
advocaat: mr. W.R. Arema, kantoorhoudende te Rotterdam,



[naam (pleeg)vader]
,
hierna te noemen: de (pleeg)vader, thans verblijvende in de P.I. [naam P.I. 2] ,
advocaat: mr. R.H.P. Feiner, kantoorhoudende te Rotterdam,



[gezinsmoeder] en [gezinsvader] ,

hierna te noemen: de gezinshuisouders, wonende in [woonplaats 1] ,


de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI, tevens (tijdelijke) voogd.

De rechtbank merkt ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] als informant aan:



[naam (biologische) moeder]
,
hierna te noemen: de biologische moeder van [voornaam minderjarige 1] , wonende in [woonplaats 2] .





1Het verdere verloop van de procedure


1.1
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


de beschikking van deze rechtbank van 21 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;


het gewijzigde verzoek en het aanvullend rapport met bijlagen van de Raad van 7 januari 2026;


de briefrapportage met bijlagen van de GI van 8 januari 2026;


het bericht van mr. Feiner van 13 januari 2026;


de e-mail van de GI van 14 januari 2026;




het verweerschrift van mr. Feiner met bijlagen van 14 januari 2026;


de brieven vanuit het netwerk, ingebracht door mr. Feiner op 15 januari 2026;


de ongedateerde brieven van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] aan de vader, ingebracht door mr. Feiner op 15 januari 2026;


de brief van 16 januari 2026 van de rechtbank aan partijen;


de strafvonnissen tegen de (pleeg)ouders van 25 november 2025, ter zitting overgelegd door de Raad;


de pleitnotities van mr. Feiner, ter zitting overgelegd;


een verslag van het belmoment met de (pleeg)vader, ter zitting overgelegd door de (pleeg)vader.





1.2.
Op 20 januari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de (pleeg)vader, bijgestaan door zijn advocaat;


de (pleeg)moeder, bijgestaan door haar advocaat;


de gezinshuisouders;


de biologische moeder van [voornaam minderjarige 1] ;


- twee vertegenwoordigers van de Raad, [persoon A] en [persoon B] ;
- drie vertegenwoordigers van de GI, [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .



1.3.
De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan de advocaat van de biologische moeder van [voornaam minderjarige 1] , mr. F.J.M. Hamers.



1.4
De biologische moeder van [voornaam minderjarige 1] en haar advocaat zijn alleen bij de behandeling van het verzoek aangaande [voornaam minderjarige 1] aanwezig geweest.



1.5
De rechtbank heeft [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] hebben hierover afzonderlijk van elkaar een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1
De (pleeg)ouders waren gezamenlijk belast met de voogdij over [voornaam minderjarige 1] en het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2] .



2.2.
Bij beschikking van 28 mei 2024 zijn de (pleeg)ouders geschorst in de uitoefening van de voogdij over [voornaam minderjarige 1] en in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2] . Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de GI belast met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] .



2.3.

[voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] verblijven samen in een perspectief biedend gezinshuis.



2.4.
De GI heeft zich bij brief van 5 juni 2025 bereid verklaard om de voogdij over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] te aanvaarden.





3Het aangehouden verzoek


3.1.
De Raad verzoekt primair het gezag (de rechtbank leest: het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2] en de voogdij over [voornaam minderjarige 1] ) van de (pleeg)moeder en de (pleeg)vader te beëindigen en de GI tot voogd over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De Raad verzoekt subsidiair een ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden, gevolgd door een gezinsvervangende omgeving, zijnde een gezinshuis of een voorziening voor pleegzorg, voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling.



3.3.
De Raad heeft het verzoek bij rapport van 4 juni 2025 en ter zitting van 23 juni 2025 gehandhaafd, in die zin dat is verzocht om primair het ouderlijk gezag en de voogdij van de (pleeg)ouders te beëindigen, dan wel de beslissing op dit verzoek (nogmaals) aan te houden tot de inhoudelijke strafzaak tegen (pleeg)ouders heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft de Raad het verzoek tot ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] gehandhaafd en een machtiging tot uithuisplaatsing in het gezinshuis verzocht, beide voor de duur van een jaar.



3.4.
De rechtbank heeft bij beschikking van 21 juli 2025 de behandeling van het verzoek van de Raad aangehouden tot 20 januari 2026.



3.5.
De Raad heeft bij aanvullend rapport van 7 januari 2026 het primaire verzoek gehandhaafd en het subsidiaire verzoek ingetrokken. Het verzoek waar de rechtbank nu op moet beslissen is dus of het gezag van de (pleeg)ouders over [voornaam minderjarige 2] en de voogdij over [voornaam minderjarige 1] moeten worden beëindigd.





4De standpunten


Het standpunt van de Raad


4.1.
De Raad heeft het (aangehouden en daarna gewijzigde) verzoek ter zitting als volgt toegelicht. De Raad acht een gezagsbeëindiging nog steeds noodzakelijk in het belang van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] . [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] hebben behoefte aan duidelijkheid. Zij verblijven al anderhalf jaar niet meer bij de (pleeg)ouders en hebben recht op duidelijkheid over hun toekomst. De Raad is van mening dat de (pleeg)ouders hun gezag hebben misbruikt. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] hebben in de opvoedsituatie bij de (pleeg)ouders geen veilige en stabiele opvoedsituatie gehad. Ondanks dat het geweld ogenschijnlijk niet ook tegen [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] was gericht, hebben zij de spanningen en het geweld ten aanzien van de andere kinderen in het gezin wel meegekregen. Dat volgt ook uit het in het aanvullend raadsrapport opgenomen verslag van het gesprek van de kinderen met de psychiater. Duidelijk is dat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] psychische schade hebben opgelopen door wat er thuis is gebeurd. Met name [voornaam minderjarige 1] heeft hiervan veel last, maar ook [voornaam minderjarige 2] geeft aan dat zij een groot geheim bij zich heeft moeten dragen. Voor de Raad is duidelijk dat het in het belang van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] is dat zij met elkaar zullen opgroeien in het huidige gezinshuis. De Raad is van mening dat de (pleeg)ouders het belang van de kinderen niet voorop kunnen stellen. De Raad ziet dat de (pleeg)ouders continu de oorzaak van de ontstane situatie buiten zichzelf leggen. Zo zou de Raad niet goed onderzoek hebben gedaan, onjuistheden hebben opgeschreven en zouden de Raad en de GI de kinderen negatief beïnvloeden. Dat is niet het geval. Ook hebben de (pleeg)ouders bezwaren tegen (de constructie van) het gezinshuis en zou volgens hen het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) in de strafzaak nietig zijn. De (pleeg)ouders diskwalificeren en wantrouwen iedereen om zich heen en zijn niet in staat naar hun eigen aandeel te kijken. Er is sprake van een zeer zorgelijk gebrek aan probleembesef en inzicht bij de pleegouders. De Raad hoopt dat de beëindiging van het gezag en de voogdij van de (pleeg)ouders ervoor zorgt dat er duidelijkheid en meer rust voor de kinderen ontstaat en daarmee meer ruimte om een positief contact tussen de (pleeg)ouders en de kinderen op te bouwen.


Het standpunt van de GI



4.2.
De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] verblijven inmiddels al ruim een jaar in het gezinshuis. Zij aarden daar goed en voelen zich steeds veiliger, wat ertoe leidt dat zij ook steeds meer vertellen over wat zij thuis hebben meegemaakt. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] hebben thuis veel gehoord en gezien en hebben veel therapie nodig om zich te kunnen ontwikkelen tot evenwichtige volwassenen. Met name [voornaam minderjarige 1] heeft veel behoefte aan rust en duidelijkheid. Hij is erg bang dat hij weer ergens anders naartoe moet. De uitspraak in de strafzaak heeft hem goed gedaan, omdat het onwaarschijnlijk wordt geacht dat ooit nog kwetsbare kinderen aan de zorg van de (pleeg)ouders zullen worden toevertrouwd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bevinden zich in een loyaliteitsconflict. [voornaam minderjarige 2] voelt zich schuldig dat zij met een geheim heeft rondgelopen en daar niets mee heeft kunnen doen.
Het is jammer dat de (pleeg)vader alles en iedereen ter discussie stelt. Dat maakt de samenwerking lastig. De GI is van mening dat een gezagsbeëindiging noodzakelijk is om de rust te herstellen. Dat komt hopelijk ook het contact tussen de (pleeg)ouders en de kinderen ten goede, maar de kinderen kunnen hierin niet gedwongen worden. De (pleeg)ouders krijgen in ieder geval iedere maand een uitgebreide update over de kinderen met foto’s. De (pleeg)ouders mogen daar ook op reageren en vragen stellen. De GI staat open voor het afspreken van een vast moment voor de (pleeg)ouders om vragen aan de GI over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] te kunnen stellen.


Het standpunt van de (pleeg)vader



4.3.
Door en namens de (pleeg)vader is overeenkomstig de overgelegde pleitnotities verweer gevoerd tegen het verzoek en is het volgende ter zitting aangevoerd. Een beëindiging van het gezag over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] komt niet tegemoet aan hun beschermingsbehoeften. Bij voogdijkinderen is er namelijk geen mogelijkheid tot een periodieke toetsing door een kinderrechter. De wet voorziet niet in een regeling voor geschillen over de uitvoering van de voogdij. Dit gaat voorbij aan de rechten die zij hebben op grond van artikel 8, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De (pleeg)vader maakt zich tegelijkertijd grote zorgen over de stabiliteit en veiligheid van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] in het gezinshuis. De gezinshuisouders hebben geen screening gehad, geen verklaring van geen-bezwaar door pleegzorg en/of de Raad en zij zijn ook niet SKJ-geregistreerd. De GI weigert te motiveren waarom toch voor dit gezinshuis is gekozen, terwijl de (pleeg)vader daar grote twijfels over heeft geuit. De (pleeg)vader heeft eveneens de zorg dat [voornaam minderjarige 1] op korte termijn elders geplaatst wordt, gelet op zijn gedrag in het gezinshuis jegens de baby. Opnieuw ontbreekt dan enige vorm van rechtsbescherming. Daarnaast is de (pleeg)vader van mening dat de GI het borgen van contact met de (pleeg)ouders en hun netwerk verzaakt. Immers, de vader heeft [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] sinds de uithuisplaatsing niet meer gezien. De belcontacten zijn tot een minimum teruggebracht. De (pleeg)vader heeft het gevoel dat hij door de instanties niet wordt gehoord en serieus genomen. Ook wordt al hetgeen hij zegt negatief geïnterpreteerd. De vader ligt onder verscherpt toezicht, terwijl de Raad en de GI laks en onzorgvuldig hebben gehandeld en blijven handelen. De (pleeg)vader benadrukt dat hij nooit geweld jegens [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] heeft gebruikt en dat wat hij wel heeft gedaan was om [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] te beschermen.
Concluderend komt een beëindiging van het gezag en de voogdij niet tegemoet aan de belangen van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] . Er is geen eindsituatie, maar een beginsituatie, waarin nog veel onduidelijk is en een periodieke rechterlijke toetsing noodzakelijk is.


Het standpunt van de (pleeg)moeder



4.4.
Door en namens de (pleeg)moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek en is het volgende ter zitting aangevoerd. In de strafzaak zijn geen strafbare feiten ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] in de tenlastelegging opgenomen. In het PBC-rapport wordt weliswaar een persoonlijkheidsstoornis bij de (pleeg)moeder geconstateerd, maar de (pleeg)moeder is het daar niet mee eens. Bovendien betekent een persoonlijkheidsstoornis niet meteen dat sprake is van misbruik van gezag.
De (pleeg)moeder heeft vragen over de constructie van het gezinshuis en de beperkte omgang met de kinderen, maar dit betekent niet dat zij niet goed meewerkt. De pleeg(moeder) is vanuit de PI bereikbaar voor gezagsbeslissingen en zij werkt overal aan mee. De (pleeg)moeder maakt zich zorgen over de veiligheid in het gezinshuis, gelet op al hetgeen daarover wordt beschreven in het raadsrapport. [voornaam minderjarige 1] zou de baby verwonden, dingen kapot maken in huis en veel stress ervaren. Ook vindt de (pleeg)moeder het opmerkelijk dat er zeer minimaal contact is met het netwerk van de (pleeg)ouders, maar dat er wel regelmatig en onbegeleid contact is met de biologische moeder van [voornaam minderjarige 1] . De (pleeg)moeder vindt het kwalijk dat de brieven en kaartjes van en naar [voornaam minderjarige 2] niet goed worden doorgegeven en dat haar mogelijkheid om maandelijks vragen te stellen aan de GI verdwenen is. De moeder ervaart dat afspraken door de GI niet worden nagekomen.


Het standpunt van de gezinshuisouders



4.5.
De gezinshuisouders zijn het eens met het verzoek van de Raad. Het gaat overwegend goed met de kinderen. [voornaam minderjarige 1] haalt goede cijfers op school en heeft veel plezier in voetballen en paardrijden. Wel is duidelijk te zien dat zijn gedrag omslaat, zodra hij spanning ervaart. [voornaam minderjarige 1] heeft behoefte aan duidelijkheid.

[voornaam minderjarige 2] is een vrolijk en intelligent meisje. Ze doet het goed op school en heeft veel plezier in turnen en paardrijden. Zodra zij spanningen ervaart gaat ze alles om zich heen benoemen. De samenwerking met de GI verloopt goed. De jeugdbeschermers komen regelmatig met de kinderen praten.
De gezinshuisouders benadrukken dat zij gecertificeerd zijn en dat, anders dan namens de (pleeg)vader is gesuggereerd, de Meldcode Kindermishandeling wel is gevolgd naar aanleiding van het gedrag van [voornaam minderjarige 1] naar de baby toe.


Het standpunt van de informant



4.6.
De biologische moeder van [voornaam minderjarige 1] heeft ter zitting toegelicht dat de bezoeken met [voornaam minderjarige 1] goed gaan. Zijn oudere broer is daar ook bij. [voornaam minderjarige 1] is tijdens de bezoeken vrolijk en ontspannen. Het afscheid vindt [voornaam minderjarige 1] wel erg moeilijk en moet goed voorbereid worden. De biologische moeder hoopt dat [voornaam minderjarige 1] ooit weer bij haar kan komen wonen.






5De beoordeling


5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.



5.2.
Volgens artikel 1:327, eerste lid, van het BW kan de rechtbank de voogdij van een natuurlijk persoon beëindigen, indien (voor zover hier van belang):
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de voogd niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de voogd het gezag misbruikt.



5.3.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandelingen is de rechtbank van oordeel dat de (pleeg)ouders het gezag over [voornaam minderjarige 2] en de voogdij over [voornaam minderjarige 1] hebben misbruikt. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen.



5.4.
De meervoudige kamer strafzaken van deze rechtbank heeft de (pleeg)ouders op 25 november 2025 veroordeeld tot ieder (onder meer) 8 jaar gevangenisstraf voor het mishandelen van hun oudste minderjarige pleegdochter, het haar beroven en beroofd houden van haar vrijheid en haar in een hulpeloze toestand brengen en laten, met zwaar en ernstig lichamelijk letsel ten gevolge. De rechtbank heeft de (pleeg)vader verder veroordeeld voor mishandelingen van nog drie andere pleegkinderen en de (pleeg)moeder voor de mishandeling van een van die drie pleegkinderen. Blijkens het strafvonnis hebben de strafbare feiten zich afgespeeld in de periode van 20 juli 2021 tot en met 20 mei 2024. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] woonden op dat moment allebei bij de (pleeg)ouders. Dit betekent dat [voornaam minderjarige 2] (toen 4 tot 6 jaar oud) en [voornaam minderjarige 1] (toen 5 tot 8 jaar oud) getuigen (moeten) zijn geweest van de mishandelingen van hun pleegbroers en pleegzussen. Dat dit zo is, volgt ook uit de overgelegde verslagen van de kinder- en jeugdpsychiater, uit het verslag van de gezinshuisouders en uit de toelichting van de GI ter zitting wanneer het gaat om wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben gezegd of wat bij de kinderen wordt gezien.



5.5.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het getuige zijn van mishandeling in huiselijke kring zeer ernstige gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van een minderjarige. De gevolgen van het getuige zijn van huiselijk geweld zijn vergelijkbaar met de gevolgen van zelf mishandeld worden. De stelling van de (pleeg)ouders dat de feiten waarvoor zij zijn veroordeeld niet over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] gaan (de rechtbank begrijpt: dat zij [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] niet hebben mishandeld), kan de ouders dan ook niet baten. Opgroeien in een gezin waarin geweld wordt gebruikt, tast de basisvoorwaarden van het bestaan aan. Veiligheid, zelfvertrouwen en vertrouwen in anderen komen in het gedrang. Zo kunnen kinderen die in een gezin met geweld opgroeien loyaliteitsproblemen ontwikkelen, trauma’s ervaren en psychische schade opdoen. Deze gevolgen zijn bij [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] beiden zichtbaar, zo volgt uit de verslagen van de kinder- en jeugdpsychiater.



5.6.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de (pleeg)ouders gedurende een lange periode ernstig misbruik hebben gemaakt van hun positie als (pleeg)ouders en daarmee de emotionele veiligheid van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] grof hebben veronachtzaamd. Zij hebben hun taak als (pleeg)ouders ernstig verzaakt. De gedragingen van de (pleeg)ouders in de thuissituatie en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] zijn dermate ernstig, dat hiermee voor de rechtbank vast staat dat de (pleeg)ouders het gezag over [voornaam minderjarige 2] en de voogdij over [voornaam minderjarige 1] hebben misbruikt.



5.7.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of het misbruik van het gezag en de voogdij ertoe dient te leiden dat het gezag en de voogdij van de (pleeg)ouders moeten worden beëindigd. De rechtbank beantwoordt deze vraag positief en licht dit als volgt toe.



5.8.
De (pleeg)ouders erkennen tot op heden niet dat de gevolgen voor [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] zijn veroorzaakt door hun eigen handelen. Terwijl erkenning van de (pleeg)ouders voor de impact van hun handelen op [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] voor hun verdere ontwikkeling juist zo belangrijk is. De (pleeg)ouders tonen geen probleeminzicht en nemen onvoldoende verantwoordelijkheid voor hun handelen. De (pleeg)ouders wijzen vooral naar anderen (de Raad, de GI, het PBC, het Openbaar ministerie en de gezinshuisouders) voor wat zij allemaal verkeerd zouden doen en hebben gedaan. De (pleeg)vader volhardt daarnaast in zijn stelling dat hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan juist om [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] te beschermen. Hij gaat daarmee volledig voorbij aan het feit dat de (pleeg)ouders ook [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] hebben blootgesteld aan de in de loop der tijd steeds hardere maatregelen die zij jegens hun oudste minderjarige pleegdochter hebben getroffen. Dat de (pleeg)ouders het gedrag van die pleegdochter steeds problematischer vonden, staat in geen enkele verhouding tot de aard en de ernst van de – zoals blijkt uit voornoemde strafvonnissen – stelselmatige vernederingen en mishandeling (waaronder ondervoeding) die hun oudste pleegdochter heeft moeten ondergaan. Niet gesteld, noch gebleken is dat de (pleeg)ouders de Raad of de GI hierover hebben geïnformeerd.
Het ontbreken van probleeminzicht bij de ouders en het niet nemen van verantwoordelijkheid voor hun handelen, zijn -naast het misbruik van gezag en de voogdij door (pleeg)ouders- omstandigheden die maken dat de maatregel van beëindiging van het gezag en de voogdij noodzakelijk is voor het onbedreigd opgroeien van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .



5.9.
In hetgeen de (pleeg)ouders hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding de maatregel niet te treffen. De gevoerde verweren zien vooral op het ontbreken van rechtsbescherming of bevatten kritiek op de GI en het gezinshuis.



5.10.
Daar waar het om de rechtsbescherming gaat, is het juist, zoals de (pleeg)vader stelt, dat de wet niet voorziet in een regeling voor geschillen over de uitvoering van voogdij en dat een periodieke rechterlijke toetsing bij voogdijkinderen ontbreekt. De Hoge Raad heeft zich hierover recent uitgelaten en toegelicht dat geen sprake is van een hiaat, waarin de rechter, bijvoorbeeld door analoge toepassing van artikel 1:253a BW of artikel 1:377a BW, zou moeten voorzien. De verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van voogdijkinderen ligt immers niet bij de ouders, maar bij de voogd. De ouder die meent dat een GI haar taak als voogd niet op een verantwoorde wijze uitoefent en dat de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, kan de rechtbank verzoeken de voogdij van de GI te beëindigen.
De rechtbank overweegt verder nog dat een ouder wiens minderjarig kind onder voogdij staat, diverse mogelijkheden heeft om voor zijn rechten en belangen als ouder bij de rechter op te komen. Zo behoudt de ouder recht op omgang met dat kind en kan hij de rechter verzoeken een omgangsregeling vast te stellen of te wijzigen. Ook kan de ouder de rechter verzoeken te bepalen dat de GI informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, verstrekt.



5.11.
Daar waar de (pleeg)ouders stellen dat de (huidige) GI haar taak als voogd (in het kader van de voorlopige voogdij) ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet op een verantwoorde wijze uitoefent/heeft uitgeoefend, is dit onvoldoende onderbouwd. Uit jurisprudentie volgt dat het ontbreken van een screening door een pleegzorgaanbieder, als zodanig niet in de weg staat aan een plaatsing bij een pleeggezin. Ook andere informatie kan een rol spelen, zoals informatie en adviezen van de Raad. Anders dan (met name) de (pleeg)vader stelt, heeft de GI wel een toelichting gegeven op de plaatsing in het huidige pleeggezin, is de constructie van het pleeggezin voldoende toegelicht en blijkt uit de stukken voldoende duidelijk dat de GI zicht heeft op het huidige pleeggezin en ook op alle bij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] betrokken hulpverlening, zoals de kinder- en jeugdpsychiater.
De rechtbank erkent dat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] een verzwaarde opvoedvraag hebben door hetgeen zij hebben meegemaakt. Uit het dossier en de overgelegde stukken blijkt dat het huidige pleeggezin goed in contact staat met de GI en hulpverlening, zoals de kinder- en jeugdpsychiater, dat zij open zijn naar de hulpverlening over eventuele zorgen over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] en zorgelijke gebeurtenissen (en de gezinshuisouders dan de protocollen volgen), dat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] naar school en buitenschoolse activiteiten gaan en dat beide kinderen er gezond uitzien. Het enkele feit dat de (pleeg)vader zich onvoldoende geïnformeerd voelt over het welzijn van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] en steeds nieuwe vragen opwerpt over zorgen die hij heeft, maakt niet dat deze zorgen terecht zijn. De rapportages van de GI en de Raad en de daarin opgenomen verslagen van onder andere de kinder- en jeugdpsychiater bevatten geen signalen die maken dat er aanleiding is om aan te nemen dat de plaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] in het gezinshuis onvoldoende veilig is.



5.12.
De rechtbank zal in het belang van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] het gezag en de voogdij van de (pleeg)ouders over hen beëindigen. Voortzetting van het gezag en de voogdij wordt schadelijk geacht voor de ontwikkeling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] .



5.13.
De beëindiging van het gezag en de voogdij van de (pleeg)ouders leidt ertoe dat een gezagsvoorziening over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] komt te ontbreken. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De GI heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI met de voogdij moet worden belast.



5.14.
De rechtbank zal bepalen dat de (pleeg)vader en de (pleeg)moeder aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] gaan, zodat de GI voor [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] de geldzaken kan regelen.


5.15.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing

De rechtbank:


6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [naam (pleeg)vader], geboren op [geboortedatum 3] 1986 in [geboorteplaats 2] en [naam (pleegmoeder)] , geboren op [geboortedatum 4] 1987 in [geboorteplaats 3] , over [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ;



6.2.
beëindigt de voogdij van [naam (pleeg)vader], geboren op [geboortedatum 3] 1986 in [geboorteplaats 2] en [naam (pleegmoeder)] , geboren op [geboortedatum 4] 1987 in [geboorteplaats 3] , over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ;



6.3.
benoemt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam tot voogdes over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] ;



6.4.
bepaalt dat de (pleeg)vader en de (pleeg)moeder rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarigen;


6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.










Deze beschikking is gegeven door mr. H. Benaissa, voorzitter, tevens kinderrechter en mr. J.C.M. Persoon en mr. K.J. van den Herik, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:


degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:266, eerste lid, onder b, BW en artikel 1:327 eerste lid, onder b, BW.


ECLI:NL:HR:2025:1948


Artikel 1:275, eerste lid, BW.


Artikel 1:276, eerste lid, BW.
Link naar deze uitspraak