Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:2241 
 
Datum uitspraak:07-01-2026
Datum gepubliceerd:18-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/675257 / FA RK 24-79 C/09/675257 / FA RK 24-79
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Afwijzen verzoek vaststellen omgangsregeling
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7957
Zaaknummer: C/09/675257
Datum beschikking: 7 januari 2026

Omgang



Beschikking op het op 22 oktober 2024 ingekomen verzoek van:




[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Groen te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:




[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ‘s-Gravenhage.



Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:


het verzoekschrift;


het F9-formulier van 11 november 2024 van de zijde van de moeder, met bijlage.



Op 10 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:


de moeder met haar advocaat en tolk V. Bolt;


de advocaat van de vader;



[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.


De vader is zelf, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.



Feiten


Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.


Zij zijn de ouders van de minderjarige:


- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .


Bij beschikking van deze rechtbank van 15 april 2021 is het vaderschap van de vader vastgesteld.


De moeder heeft van rechtswege het gezag over de minderjarige.


De moeder en de minderjarige hebben vermoedelijk de Keniaanse nationaliteit. De vader heeft de Turkse nationaliteit.


De moeder en de minderjarige staan volgens de Basisregistratie personen niet ingeschreven in Nederland.






Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot het treffen van een regeling inzake de omgang tussen de vader en de minderjarige, in die zin dat zij omgang hebben gedurende drie dagdelen per week voor de duur van telkens drie uren, de eerste drie maanden onder begeleiding van een derde, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vader heeft ter zitting verweer gevoerd dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



Beoordeling

Omgangsregeling

De moeder verzoekt een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] . Zij vindt het belangrijk dat [de minderjarige] haar vader leert kennen, vooral omdat zij nu op een leeftijd is dat ze naar hem vraagt. [de minderjarige] weet dat ze een vader heeft, maar begrijpt nog niet waarom hij niet in haar leven is. De moeder zou het fijn vinden voor [de minderjarige] dat het contact daarom opgestart wordt. [de minderjarige] en de vader kunnen dan samen een band met elkaar opbouwen. De moeder stelt daarom een omgangsregeling voor met een wat hogere frequentie.

De vader is zelf niet op de zitting verschenen, maar zijn advocaat wel. Door haar is uitgelegd dat het een erg uitzonderlijke situatie is, maar dat de vader geen contact wil met [de minderjarige] . Dat partijen samen een kind hebben was volgens de vader nooit de bedoeling en dit heeft veel teweeg gebracht in zijn familie. De vader is getrouwd en heeft met zijn vrouw een kind. Op het moment dat de vader omgang zou hebben met [de minderjarige] , betekent dat het einde van zijn huwelijk en dan kan hij zijn andere kind (waarschijnlijk) niet meer zien. De vader wilde geen relatie en geen kind met de moeder en werd er mee geconfronteerd dat [de minderjarige] er ineens was. De vader is nergens bij betrokken geweest, heeft [de minderjarige] nog nooit gezien en er is ook geen band tussenbeide. Volgens de vader is het niet in zijn belang, maar vooral ook niet in het belang van [de minderjarige] dat er een omgangsregeling bepaald zou worden. De vader voelt geen ruimte om contact te hebben met [de minderjarige] en zou dus tegen zijn zin in gedwongen worden. Dat is voor [de minderjarige] niet leuk en zij heeft dan niets aan het contact.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Hierbij geldt, dat het recht op contact met de vader, en de plicht van de vader tot contact, er is zolang het belang van de minderjarige zich hier niet tegen verzet.

In dit geval is de rechtbank van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om contact te hebben met een vader die dat niet wil of niet kan. [de minderjarige] ontvangt dan namelijk niet de liefde waar ze recht op heeft. Dat is pijnlijk voor haar en ze kan zich daardoor afgewezen gaan voelen. De advocaat van de vader heeft ter zitting uitgelegd dat het absoluut niet de schuld van [de minderjarige] zelf is, maar dat de vader zich vanwege eigen familieomstandigheden niet vrij voelt en geen ruimte voelt om contact te hebben. De rechtbank zal daarom geen omgangsregeling vaststellen. De rechtbank geeft aan de moeder mee, zoals de raadsmedewerker ter zitting ook adviseerde, dat zij [de minderjarige] eerlijk kan vertellen dat de vader een ingewikkelde familiesituatie heeft waardoor hij geen ruimte heeft om haar te zien en dat het niet aan haar zelf ligt.



Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.



Beslissing
De rechtbank:

wijst af het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.









Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 januari 2026.
Link naar deze uitspraak