Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:1545 
 
Datum uitspraak:06-02-2026
Datum gepubliceerd:18-02-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 24/10927
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), O/GS-tegemoetkoming, tussenuitspraak. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om een O/GS-tegemoetkoming terecht heeft afgewezen. Strijd met zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. De rechtbank stelt de Dienst Toeslagen in de gelegenheid de gebreken te herstellen.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/10927


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 6 februari 2026 in de zaak tussen


[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),

en

de Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [persoon A] en [persoon B] ).


Samenvatting

1. Eiser heeft een aanvraag gedaan om compensatie of een opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag om een O/GS-tegemoetkoming afgewezen. In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel bij het afwijzen van de aanvraag om een O/GS-tegemoetkoming. De rechtbank stelt de Dienst Toeslagen in de gelegenheid de gebreken te herstellen en houdt iedere verdere beslissing aan.



Procesverloop

2. Met het besluit van 19 juli 2021 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser om compensatie of een O/GS-tegemoetkoming op grond van de Wht voor de toeslagjaren 2008 en 2009 afgewezen.


2.1.
Met het besluit van 28 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 19 juli 2021 ongegrond verklaard.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 10 oktober 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Met het besluit van 19 juli 2021 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser voor de jaren 2008 en 2009 afgewezen omdat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond in die jaren. Ook is er geen persoonlijke betalingsregeling verzocht en geweigerd. De bezwaarschriftenadviescommissie heeft geadviseerd het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen dat advies overgenomen.


Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om een O/GS-tegemoetkoming voor toeslagjaren 2008 en 2009 terecht afgewezen?

4. Eiser betoogt dat hij recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wht. In het kader van een andere procedure heeft eiser een uitgebreider dossier van de Dienst Toeslagen ontvangen. In die stukken bevindt zich een formulier met het opschrift ‘oplegformulier bezwaren n.a.v. een toeslagbeschikking paarse kamer’ en een datumstempel van 2 februari 2011. Dit formulier heeft betrekking op een bezwaarschrift dat eiser heeft ingediend tegen de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008. In het formulier staat in een handgeschreven notitie de tekst “vraagt herberekening” en “bij handhaving cap naar ontvanger voor betalingsregeling”. Hieruit blijkt dat eiser in het bezwaarschrift heeft gevraagd om een persoonlijke betalingsregeling en dat daar vervolgens niets mee is gedaan. Door de terugvorderingen moest eiser van 2010 tot en met 2013 maandelijks € 500,- afbetalen, terwijl zijn jaarinkomen in 2012 € 15.397,- en in 2013 € 15.823,- bedroeg. De Dienst Toeslagen had moeten weten dat eiser daardoor financieel in de problemen zou komen. Uit het dossier blijkt niet waarop de Dienst Toeslagen heeft gebaseerd dat ten aanzien van eiser geen opzet/grove schuld is vastgesteld.


4.1.
Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat het Landelijk Incasso Centrum (LIC) op basis van het invorderingsdossier vaststelt of er een beschikking is afgegeven waarmee een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd en of ten aanzien van een ouder opzet/grove schuld is vastgesteld. De uitkomst hiervan wordt vervolgens door de Dienst Toeslagen in het SAS-systeem opgeslagen met een aanduiding ‘Ja’ of ‘Nee’. Op basis van die aanduiding kent de Dienst Toeslagen al dan niet een O/GS-tegemoetkoming toe. De Dienst Toeslagen heeft het invorderingsdossier, waarop het LIC zich baseert, niet zelf onderzocht. De notitie in het oplegformulier bezwaren van 2 februari 2011 betekent niet noodzakelijkerwijs dat er een persoonlijke betalingsregeling is aangevraagd, omdat de notitie ook kan zien op een standaard betalingsregeling.



4.2.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond is het volgende van belang.


4.2.1.
De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.



4.2.2.
Uit wetsgeschiedenis van de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie formeel bij de aanvrager van de compensatie ligt, maar dat in de praktijk de persoonlijk zaakbehandelaar van de Dienst Toeslagen samen met de aanvrager de informatie verzamelt die nodig is om het recht op compensatie vast te stellen. De persoonlijk zaakbehandelaar zal hiervoor zoeken in de computersystemen van de Dienst Toeslagen, de stukken beoordelen die door de aanvrager zijn aangeleverd en luisteren naar het verhaal van de aanvrager. Dit is niet anders voor het recht op een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.



4.2.3.
De informatie op grond waarvan de Dienst Toeslagen heeft vastgesteld of een aanvrager in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De Dienst Toeslagen moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van de Dienst Toeslagen (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet de Dienst Toeslagen die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten van een zoekopdracht, onder vermelding van de gebruikte zoektermen en -parameters.



4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om een O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2008 en 2009 terecht heeft afgewezen. Uit de toelichting van de Dienst Toeslagen op de zitting blijkt dat de Dienst Toeslagen onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of eiser in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming, door alleen af te gaan op een mededeling van het LIC daarover. Daarmee heeft de Dienst Toeslagen in strijd gehandeld met de verplichting de benodigde kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Er is ook sprake van een motiveringsgebrek, omdat de vaststelling in het bestreden besluit dat eiser niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming onvoldoende is onderbouwd. In zoverre slaagt de beroepsgrond.Conclusie en gevolgen

5. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om de Dienst Toeslagen in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De Dienst Toeslagen moet ook de ontbrekende op de zaak betrekking hebbende stukken overleggen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de Dienst Toeslagen de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.



5.1.
De Dienst Toeslagen moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de Dienst Toeslagen gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de Dienst Toeslagen. In beginsel, ook in de situatie dat de Dienst Toeslagen de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.



5.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.





Beslissing

De rechtbank:


draagt de Dienst Toeslagen op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;


stelt de Dienst Toeslagen in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;


houdt iedere verdere beslissing aan.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.



Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3 (MvT), p. 72.


Vgl. Rb. Rotterdam 16 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3342, r.o. 7.


Artikel 3:2 van de Awb.


Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.


Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.


Artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb.
Link naar deze uitspraak