Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:296 
 
Datum uitspraak:23-01-2026
Datum gepubliceerd:18-02-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:ak_25_2147
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering per 26 februari 2025 en de toekenning van een bijstandsuitkering per 1 maart 2025 met toepassing van de kostendelersnorm. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit tot opschorting niet op de juiste wijze is bekend gemaakt en ook de intrekking niet in stand kan blijven. Omdat de uitkering is blijven doorlopen geldt dit ook voor de toekenning van de uitkering per 1 maart 2025. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en voorziet zelf in de zaak door het bestreden besluit te vernietigen en de primaire besluiten te herroepen.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/2147

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.P. Harten),

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal
(gemachtigde: [gemachtigde]).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering per 26 februari 2025 en de toekenning van een bijstandsuitkering per 1 maart 2025 met toepassing van de kostendelersnorm. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit tot opschorting niet op de juiste wijze is bekend gemaakt en ook de intrekking niet in stand kan blijven. Omdat de uitkering is blijven doorlopen geldt dit ook voor de toekenning van de uitkering per 1 maart 2025. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en voorziet zelf in de zaak door het bestreden besluit te vernietigen en de primaire besluiten te herroepen.



Procesverloop

2. Bij de besluiten van 27 februari 2025 en 11 maart 2025 heeft het college het recht op bijstand van eiser vanaf 26 februari 2025 opgeschort en ingetrokken, omdat niet duidelijk was waar eiser woonde en verbleef. Bij besluit van 18 mei 2025 heeft het college eisers bijstandsaanvraag per 1 maart 2025 afgewezen en het reeds verstrekte voorschot van
€ 713,00 teruggevorderd.


2.1
Met het bestreden besluit van 2 juli 2025 op de bezwaren tegen de drie genoemde besluiten van eiser is het college bij de opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering gebleven. Het college heeft wel alsnog een bijstandsuitkering toegekend per 1 maart 2025 met toepassing van de kostendelersnorm.



2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.



2.2
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (beiden via een beeldverbinding) en de gemachtigde van het college.





Beoordeling door de rechtbank


De totstandkoming van het besluit


3. Eiser woonde in de woning van zijn ouders ([adres] te [woonplaats]) en ontving een bijstandsuitkering. Eiser heeft op 26 februari 2025 via een whatsappbericht bij het college gemeld dat hij dakloos is geworden, dat hij nergens naar toe kan en dat hij de uitkering wil aanpassen en een voorschot wenst. Op 27 februari 2025 heeft eiser via whatsapp bericht dat hij op straat verblijft en nergens naar toe kan.


3.1
Met het besluit van 27 februari 2025 (het primaire besluit 1) heeft het college de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 26 februari 2025 opgeschort in afwachting van informatie over eisers (nieuwe) verblijfadres. Het college heeft een hersteltermijn van 7 dagen gegeven om door te geven waar eiser sinds 26 februari 2025 verblijft. Het besluit tot opschorting is verzonden naar het adres: [adres].



3.2
Met het besluit van 11 maart 2025 (het primaire besluit 2) heeft het college de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 26 februari 2025, omdat niet duidelijk was waar eiser woonde en verbleef. Het college stelt dat eiser zich niet aan de inlichtingenplicht heeft gehouden. Eiser heeft niet binnen 7 dagen aan het college doorgegeven waar hij sinds 26 februari 2025 verbleef. Het recht op bijstand is volgens het college per 26 februari 2025 niet langer vast te stellen.



3.3
Eiser heeft tegen de primaire besluiten 1 en 2 bezwaar gemaakt.



3.4
Eiser heeft op 2 april 2025 een nieuwe aanvraag ingediend om een bijstandsuitkering per 1 maart 2025.



3.5
In verband met die nieuwe aanvraag heeft het college eiser op 15 april 2025 een voorschot betaald ter hoogte van € 713,-.



3.6
Bij brief van 7 april 2025 heeft het college eiser bericht dat hij meer informatie dient te verstrekken omdat anders het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het college heeft eiser verzocht om een overzicht van zijn bankrekening(en) over de periode van 1 januari 2025 tot en met 2 april 2025. Op dit overzicht moet het bankrekeningnummer, de data en het begin- en eindsaldo staan vermeld.



3.7
Eiser heeft een overzicht van zijn bankrekening aangeleverd. Hierna heeft het college eiser op 22 april 2025 bericht dat hij nog de volgende informatie moet verstrekken: een overzicht van het cryptoaccount en wallet vanaf 1 oktober 2024 en een overzicht van bankrekening met nummer [rekeningnummer] vanaf 18 april 2024 met een begin- en eindsaldo en de transacties op chronologische volgorde. Dit mogen geen losse screenshots zijn.



3.8
Eiser heeft de verzochte gegevens niet verstrekt.



3.9
Met het besluit van 18 mei 2025 (het primaire besluit 3) heeft het college de bijstandsaanvraag van 2 april 2025 afgewezen en het verstrekte voorschot van € 713,- teruggevorderd.



3.10
Eiser heeft tegen het primaire besluit 3 bezwaar gemaakt.


Het standpunt van het college



Opschorting en beëindiging uitkering per 26 februari 2025



4.1
Het college heeft het recht op bijstand per 26 februari 2025 opgeschort op grond van artikel 54 van de PW, omdat eiser niet alle wijzigingen in zijn situatie aan het college heeft doorgegeven en niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden van re-integratie en arbeidsinschakeling. Het college heeft het besluit tot opschorting verzonden naar het bij het college laatst bekende adres en via een whatsappbericht. Daarbij is een redelijke termijn van 7 dagen geboden waarbinnen eiser dient door te geven waar hij verblijft. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van deze hersteltermijn, waardoor het recht op bijstand per 26 februari 2025 niet kan worden vastgesteld. Het college heeft daarom het recht op bijstand met ingang van 26 februari 2025 ingetrokken. Niet is gebleken dat het besluit voor eiser onevenredige nadelige gevolgen heeft. Eiser heeft immers binnen de gestelde termijn kunnen reageren. Verder kent de PW geen bepaling die voorziet in een hardheidsclausule.


Toekenning bijstand per 1 maart 2025



4.2
Het college kent bijstand toe met ingang van 1 maart 2025. Eiser heeft in bezwaar voldoende gegevens overgelegd waardoor het recht op bijstand is vast te stellen. Volgens het college is op grond van artikel 19a van de PW de kostendelersnorm van toepassing nu eiser woont bij zijn moeder en stiefvader (bloedverwant en aanverwant in de eerste graad). De kostgangersovereenkomst met zijn stiefvader en het tijdelijke verblijf van zijn moeder en stiefvader in het buitenland doen daar niet aan af.


Het standpunt van eiser


5. Eiser voert aan dat het college ten onrechte de bijstandsuitkering per 26 februari 2025 heeft opgeschort en ingetrokken. Eiser heeft namelijk pas kennisgenomen van het besluit tot opschorting met het whatsappbericht van het college van 2 april 2025. Eiser heeft daarom nooit aan de hersteltermijn van 7 dagen kunnen voldoen. Eiser voert verder aan dat het college bij de toekenning van de bijstandsuitkering per 1 maart 2025 ten onrechte de kostendelersnorm heeft toegepast. Verder heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom de bedragen ter hoogte van € 713,00 en € 498,79 van hem worden teruggevorderd. Het college heeft verder onvoldoende rekening gehouden met eisers kwetsbare positie en bijzondere omstandigheden.


Op welke periode ziet de opschorting en de intrekking van de uitkering?


6. De rechtbank stelt vast dat de bijstandsuitkering door het college is opgeschort en nadien ingetrokken met ingang van 26 februari 2025. In het bestreden besluit heeft het college – na een aanvankelijke weigering – aan eiser met ingang van 1 maart 2025 weer een bijstandsuitkering toegekend. Op die toekenningsbeslissing zal de rechtbank hierna (onder 10.) nader ingaan. Van belang voor de opschorting en intrekking van de uitkering per 26 februari 2025 acht de rechtbank wel dat het college in de onduidelijkheid over de verblijfplaats van eiser geen aanleiding heeft gezien om de aanvraag om bijstand per 1 maart 2025 af te wijzen. De aanvankelijke weigering van bijstand in het besluit van 6 mei 2025 hield verband met onduidelijkheid over een bankrekening in Malta en crypto account/wallet. Daarmee ziet de opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering feitelijk op de periode van 26 februari 2025 tot 1 maart 2025, dat wil zeggen op drie dagen.

Is de opschorting van de bijstand en de aan eiser geboden hersteltermijn van zeven dagen (het primaire besluit 1) op de juiste wijze bekend gemaakt?


7. Op grond van artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het bekend is gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Wanneer toezending of uitreiking aan een betrokkene niet mogelijk is, kan het college besluiten bekendmaken op een andere geschikte wijze.

8. Het college heeft in beginsel aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatst bekende adres van de betrokkene, ook al is dit niet meer het woonadres van betrokkene en heeft betrokkene nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen. Dit is in het geval van eiser echter niet van toepassing nu hij juist wel uit eigen beweging het college op de hoogte heeft gesteld van de wijziging in zijn verblijfsplaats.
Zodoende was voor het college bekend dat eiser niet langer op dat adres verbleef ondanks dat hij geen nieuwe verblijfplaats had doorgegeven; die was er immers niet. Ten onrechte heeft het college het primaire besluit 1 daarom toch (enkel) naar het oude adres verstuurd. Uit het dossier blijkt dat eiser en het college over en weer correspondeerden via whatsapp en e-mail waardoor het in dit concrete geval op de weg had gelegen van het college om het besluit tot opschorting (mede) via die weg bekend te maken. Uit in elk geval een whatsapp bericht van 5 januari 2025 blijkt verder dat het college op de hoogte was van het e-mailadres van de gemachtigde van eiser, zodat het besluit ook aan hem had kunnen worden verzonden. Dan is vervolgens de vraag wanneer het college het besluit wel op een juiste wijze aan eiser bekend heeft gemaakt. Anders dan het college stelt, blijkt uit de transcriptie van de whatsappcorrespondentie niet dat het besluit tot opschorting op 5 maart 2025 per whatsappbericht aan eiser is verstuurd. Uit de transcriptie blijkt dat eiser op 5 maart 2025 heeft bericht dat hij minder uitkering heeft ontvangen over de maand februari waarop het college enkel heeft bericht dat de uitkering is opgeschort per 26 februari 2025 zonder daarbij naar het opschortingsbesluit of de hersteltermijn te verwijzen. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat het college, zoals gesteld door eiser, pas op 2 april 2025 het opschortingsbesluit aan eiser bekend heeft gemaakt.


Wat zijn de gevolgen voor de bijstandsuitkering?


9. Omdat een besluit tot opschorting van de uitkering slechts werking heeft tot het moment waarop de uitkering wordt ingetrokken en dat intrekkingsbesluit op 11 maart 2025 is genomen, komt de rechtbank tot de conclusie dat het opschortingsbesluit nooit in werking is getreden. Omdat niet alleen de opschorting niet op de juiste wijze bekend is gemaakt maar ook het in het opschortingsbesluit opgenomen verzoek om binnen zeven dagen de verblijfplaats door te geven, kan ook de intrekking van de bijstandsuitkering niet in stand blijven. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 54, eerste en vierde lid, van de PW. De gebreken kunnen niet worden hersteld en de rechtbank herroept de besluiten tot opschorting en intrekking met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb.

De toekenning van een bijstandsuitkering per 1 maart 2025


10. Het voorgaande betekent dat de bijstandsuitkering van eiser na 26 februari 2025 ongewijzigd is blijven lopen en daarom niet opnieuw (vanaf 1 maart 2025) kon worden toegekend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zoverre en herroept het primaire besluit. Om die reden komt de rechtbank ook niet toe aan de beroepsgrond dat het college de uitkering per 1 maart 2025 te laag heeft vastgesteld door het hanteren van de kostendelersnorm.

Terugvorderingen


11. Met betrekking tot de beroepsgrond dat het college in het bestreden besluit ten onrechte bedragen van € 498,79 en € 713,- heeft teruggevorderd, overweegt de rechtbank nog het volgende.Ten aanzien van het bedrag van € 498,79 wordt vastgesteld dat dit ziet op een andere procedure waarbij het college de bijstandsuitkering van eiser over een periode in 2024 heeft herzien en in verband daarmee een bedrag heeft teruggevorderd. Terecht heeft college betoogd dat in het primaire besluit van 6 mei 2025 en in het bestreden besluit eiser slechts is geïnformeerd over het nog open staande bedrag en er geen sprake is van een besluit. Ten aanzien van de terugvordering van € 713,- is de rechtbank van oordeel dat die terugvordering van het aan eiser betaalde voorschot wel onderdeel uitmaakte van het primaire besluit van 6 mei 2025 tot weigering van de bijstandsuitkering maar niet meer is gehandhaafd in het bestreden besluit van 2 juli 2025 waarbij de uitkering alsnog is toegekend. Weliswaar heeft het college in het verweerschrift en ter zitting betoogd dat er nog steeds sprake is van een terugvorderingsbedrag van € 713,- omdat per ongeluk bij de nabetaling van de uitkering naar aanleiding van het besluit van 2 juli 2025 geen rekening is gehouden met het betaalde voorschot maar dat is een omstandigheid die is ontstaan ná het nemen van dit besluit, waar het besluit zelf niet op ziet. De beroepsgrond dat in het bestreden besluit ten onrechte de genoemde bedragen zijn teruggevorderd kan daarom niet slagen.




Conclusie en gevolgen

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en de primaire besluiten met betrekking tot de opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering herroepen.

13. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (bedragen per 1 januari 2025) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,- per punt. De gemachtigde van eiser heeft op 6 april 2025 en 18 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. Ook heeft de gemachtigde deelgenomen aan de hoorzitting. In het bestreden besluit heeft het college geen proceskosten toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift van 6 april 2025. Dit betreft een bedrag van € 666,-. De aanvullende proceskosten in bezwaar worden door de rechtbank vastgesteld op dit bedrag. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 934,- per punt. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De proceskosten in beroep bedragen daarmee € 1.868,-. Het totaalbedrag aan proceskostenveroordeling is € 2.534,-.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


herroept de primaire besluiten 1, 2 en 3 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;


veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534,-;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L.M. Celie, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Participatiewet.


Algemene wet bestuursrecht.


CRvB 30 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2016:1143.
Link naar deze uitspraak