|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:818 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_24_3009 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Beroep ongegrond. Toepassing NOW-1. De rechtbank heeft een accountant ingeschakeld en volgt de conclusies van deze accountant. Wel moet de minister het door Maxx Vastgoed betaalde griffierecht terugbetalen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | inkomstenbelasting | | | subsidieregelingen | | | subsidies | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3009
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Maxx Vastgoed B.V., uit Zwolle, eiseres, hierna: Maxx Vastgoed
gemachtigden: S. Ekkel en E. Stellingwerf-Stoffel
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder, hierna: de minister
gemachtigde: E.H. van den Brink
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de toepassing van de (eerste) Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1). Maxx Vastgoed heeft een aanvraag op grond van deze regeling ingediend en een voorschot van € 18.033,- ontvangen. Bij de definitieve vaststelling heeft de minister bepaald dat Maxx Vastgoed geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de NOW-1. Het omzetverlies van Maxx Vastgoed is volgens de minister namelijk minder dan 20%. Dit heeft tot gevolg dat Maxx Vastgoed
€ 18.033,- moet terugbetalen aan ten onrechte ontvangen voorschot. Maxx Vastgoed is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft een deskundige (een accountant) ingeschakeld en volgt de conclusies van deze accountant. Maxx Vastgoed krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Wel moet de minister het door Maxx Vastgoed betaalde griffierecht terugbetalen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Met de besluiten van 24 en 30 mei 2023 heeft de minister de aanvraag van Maxx Vastgoed om een definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-1 voor de eerste aanvraagperiode (maart, april en mei 2020) afgewezen en Maxx Vastgoed bericht dat zij het verleende voorschot van € 18.033,- moet terugbetalen. Met het bestreden besluit van
29 mei 2024 op het bezwaar van Maxx Vastgoed is de minister bij deze besluiten gebleven.
1.2.
Maxx Vastgoed heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van beide partijen deelgenomen.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en heeft aan beide partijen nadere stukken en inlichtingen gevraagd. Partijen hebben reacties en nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft accountant [deskundige] als deskundige benoemd. In het rapport van 22 september 2025 heeft de deskundige de vragen van de rechtbank beantwoord. Partijen hebben reacties op het deskundigenrapport ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een extra zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarmee ingestemd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Standpunten van partijen
Standpunt van de minister
2.1.
De minister heeft aan Maxx Vastgoed geen definitieve tegemoetkoming NOW-1 toegekend, omdat haar omzetverlies minder is dan 20%. De minister stelt zich op het standpunt dat het omzetverlies van Maxx Vastgoed in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 10% is. Voor de definitie van omzet sluit het UWV aan bij het jaarrekeningenrecht. Het gaat bij de omzet om de opbrengst uit levering van goederen en diensten onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belasting. Opbrengsten zijn baten die ontstaan bij de uitvoering van de normale activiteiten van een onderneming. De omzet moet daarbij blijken uit objectieve en verifieerbare gegevens. Volgens de minister blijkt uit stukken en onderbouwing van Maxx Vastgoed dat de omzet over 2019 € 638.374 bedraagt en de omzet over de meetperiode (maart tot en met mei 2020) € 144.555. Dit leidt in de periode 1 maart tot en met 31 mei 2020 tot een omzetverlies van 10%.
Standpunt Maxx Vastgoed
2.2.
Maxx Vastgoed stelt zich op het standpunt dat aan haar een NOW1-tegemoetkoming op basis van een omzetverlies van 21% moet worden toegekend. De accountant van Maxx Vastgoed heeft dit vastgesteld op basis van de richtlijnen NOW-1. Voor de bepaling van het omzetverlies moet volgens Maxx Vastgoed worden uitgegaan van de datum van de factuur. Als, zoals de minister stelt, niet de factuurdatum, maar de periode waarop de factuur betrekking heeft bepalend is, is de omzetdaling 42,4%. Maxx Vastgoed kon haar werkzaamheden in de periode maart en april 2020 nauwelijks uitvoeren. Maxx Vastgoed heeft over de omzet uit 13 facturen aangevoerd dat deze aan een onjuiste periode zijn toegerekend.
2.3.
Maxx Vastgoed voelt zich behandeld als vuil. Het handelen van de minister is er alleen op gericht dat wordt teruggevorderd. De onderzoekers en beoordelaars zijn volgens Maxx Vastgoed vooringenomen en de beslissing staat vooraf al vast. Ook heeft de minister onjuist gemotiveerd waarom geen hoorzitting is gehouden.
Rapport van de deskundige en de reacties van partijen daarop
3.1.
De door de rechtbank ingeschakelde deskundige heeft in zijn rapport van
22 september 2025 antwoord gegeven op de door de rechtbank gestelde vragen. De deskundige heeft de processtukken bezien en aanvullende stukken bij Maxx Vastgoed opgevraagd en bezien. Ook heeft de deskundige telefonisch contact gehad met de gemachtigde van Maxx Vastgoed over de wijze van factureren. De deskundige gaat ervan uit dat gesteund kan worden op de jaarrekeningen (jaarstukken) van Maxx Vastgoed over 2019 en 2020. De deskundige heeft geconcludeerd dat de omzet uit 8 facturen aan de juiste periode is toegerekend, de omzet uit 4 facturen aan de onjuiste periode is toegerekend en de omzet uit 1 factuur geen omzet is, maar inkoop, zodat niet relevant is aan welke periode deze moet worden toegerekend.
3.2.
Maxx Vastgoed is het op hierna te bespreken gronden niet eens met verschillende conclusies van de deskundige.
3.3.
De minister sluit zich aan bij de conclusies van de deskundige en heeft een nieuwe berekening gemaakt, uitgaande van de bevindingen van de deskundige. De minister komt dan nog steeds uit op een omzetverlies van minder dan 20%.
Beoordeling door de rechtbank
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het omzetverlies
5. De NOW-1 is een subsidieregeling. Dat wil zeggen dat bedrijven recht kunnen hebben op een subsidie, maar alleen indien en voor zover zij voldoen aan de voorwaarden van de regeling.
6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de minister de omzetdaling van Maxx Vastgoed in de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 correct heeft berekend. Meer specifiek gaat het om de vraag of de netto-omzet over de maanden maart tot en met mei 2020 juist is vastgesteld.
6.1.
De beroepsgrond dat voor de bepaling van de omzet in de meetperiode moet worden uitgegaan van de factuurdatum, slaagt niet. Uit artikel 14, vijfde lid, van de NOW-1 volgt dat de minister de subsidie vaststelt aan de hand van de berekeningswijze als bedoeld in artikel 7 van de NOW-1. In het eerste lid van artikel 7 is hiervoor een formule opgenomen. Een van de elementen in de berekening is de omzetdaling. In artikel 6 van de NOW-1 is geregeld hoe de omzetdaling wordt vastgesteld. De omzet in de meetperiode (maart tot en met mei 2020) wordt daartoe vergeleken met de omzet in de referentieperiode (januari tot en met december 2019), gedeeld door vier. Voor de te vergelijken omzet wordt, zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 1, tweede lid, van de NOW-1, uitgegaan van de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat daarbij om de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon onder aftrek van kortingen en dergelijke van over de omzet geheven belasting. Het moment van leveren van tegenprestatie (goederen of diensten) is dus leidend voor het bepalen van de periode waarin omzet verantwoord moet worden.
6.2.
Uit de nota van toelichting bij de NOW-1 blijkt dat de minister er bewust voor heeft gekozen om voor de definitie van omzet aan te sluiten bij de omzetdefinitie in het jaarrekeningenrecht. Reden daarvoor is dat het omzetbegrip in deze regeling zo dicht mogelijk aansluit bij het activiteitenniveau van de onderneming, instelling, of het concern. Dit is van belang omdat de ontwikkeling van de omzetdaling daarmee voor een belangrijk deel kan samenhangen. De minister heeft dit in antwoord op vragen van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid aldus toegelicht: ‘De gekozen berekeningswijze van de omzetdaling is eenvoudig vast te stellen en goed controleerbaar. Daarin wordt in zekere mate met verschillende factoren rekening gehouden, maar gezien het streven naar eenduidigheid en eenvoud kan geen rekening worden gehouden met alle factoren en bedrijfsspecifieke kenmerken, zoals seizoensinvloeden en groei van ondernemingen. Dit is nodig omdat de regeling een noodmaatregel is die eenvoudig moet zijn om snel grote aantallen aanvragen te kunnen behandelen’.
6.3.
Maxx Vastgoed heeft aangevoerd dat de omzet uit acht facturen voor beheerkosten ten onrechte aan de meetperiode zijn toegerekend. Deze grond slaagt niet. Op de facturen staat dat ze betrekking hebben op een maand die valt in de meetperiode. In beginsel mag er daarom van worden uitgegaan dat de levering van de prestatie (beheerwerkzaamheden) in die maand heeft plaatsgevonden. Maxx Vastgoed heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat in dit geval niet zo is geweest. Daarbij is van belang dat de deskundige heeft uitgelegd dat beheerwerkzaamheden vaak te splitsen zijn in administratief beheer, technisch beheer, commercieel beheer en juridisch beheer. Maxx Vastgoed heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij alleen het soort beheerwerkzaamheden deed die tijdens de lockdown niet konden worden uitgevoerd.
6.4.
Ook heeft Maxx Vastgoed aangevoerd dat de factuur met nummer [nummer 1] voor huurkosten over maart 2020 te laag is, omdat de huur conform rechtspraak van de Hoge Raad is verlaagd. Deze grond slaagt niet. De minister mag uitgaan van de facturen zoals die zijn overgelegd. Maxx Vastgoed heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze factuur naderhand is gecorrigeerd, ook niet nadat de rechtbank haar expliciet heeft verzocht om stukken waaruit blijkt dat Maxx Vastgoed de huur voor maart 2020 op een later moment heeft gecorrigeerd.
6.5.
Maxx Vastgoed heeft verder aangevoerd dat de creditfactuur van 31 december 2020 met nummer [nummer 2] evenredig aan alle maanden van 2020, en dus voor 1/4e deel aan de meetperiode moet worden toegerekend. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt de deskundige in zijn zienswijze dat de creditfactuur als inkoopfactuur moet worden beschouwd. De creditfactuur is verstuurd vanwege door Maxx aan Huurmakelaars B.V. verrichte werkzaamheden ter zake de beheeropbrengst. Dat betreft dan omzet van Maxx Vastgoed die gerealiseerd is door het inhuren van Maxx Aankoopmakelaars B.V. Voor Maxx vastgoed zou deze inhuur kwalificeren als diensten door derden, een kostenpost en geen negatieve omzet. Nu er geen sprake is van omzet is het tijdstip van verantwoording niet meer relevant. De rechtbank volgt de deskundige in zijn visie dat niet relevant is dat Maxx Vastgoed zelf deze factuur als negatieve omzet ziet. De minister heeft deze creditfactuur dus terecht niet als negatieve omzet toegerekend aan de meetperiode.
6.6.
Partijen zijn het er inmiddels over eens dat de minister de facturen met nummers [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] ten onrechte aan de meetperiode heeft toegerekend.
7. Uit 6.6 volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit is dan ook in zoverre in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Aannemelijk is dat Maxx Vastgoed door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Daarvoor is het volgende van belang.
7.1.
De minister heeft in de brief van 30 oktober 2025 een nieuwe berekening gemaakt, waarbij de minister de onder 6.6 genoemde facturen niet heeft toegerekend aan de meetperiode. De minister komt in die brief uit op een omzetverlies van 10,62%. Omdat dit minder is dan 20% is er nog steeds een omzetverlies van minder dan 20%.
7.2.
De rechtbank volgt verschillende elementen uit deze berekening van de minister niet.
7.2.1.
Zo heeft de minister in die berekening de omzet in de referentieperiode verlaagd met € 8.500,- met verwijzing naar de reactie van, zo neemt de rechtbank aan, 29 augustus 2025: “In onderzoek ten onrechte € 8.500 bijgeteld. Omzet is immers geconsolideerd.” en “Overeenkomstig de netto-omzet van Maxx Vastgoed BV. werkgever geeft te laag op en is in zijn nadeel.” De rechtbank acht hiermee onvoldoende gemotiveerd waarom € 8.500,- op de omzet in de referentieperiode in mindering moet worden gebracht.
7.2.2.
Daarnaast gaat de minister er in deze berekening van uit dat in het bestreden besluit is uitgegaan van een omzet van € 147.280,- in de meetperiode. Dat is niet juist. In het bestreden besluit is uitgegaan van € 144.555,-. Er had immers een correctie van € 2.714,- plaatsgevonden.
7.2.3.
De minister neemt daarna de volgens hem door de deskundige aangegeven correcties over: bij de omzet in de meetperiode wordt opgeteld een bedrag van € 2.515,- en daarop wordt € 5.500,-, € 480,- en € 3.071,28 in mindering gebracht. Het is de rechtbank niet duidelijk waar het bedrag van € 480,- vandaan komt en ook niet duidelijk is waarom bij de omzet in de meetperiode een bedrag van € 2.515,- wordt opgeteld.
7.3.
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om vast te kunnen stellen dat het omzetverlies minder is dan 20%. Dat komt doordat, als alles wat nog niet duidelijk is in het voordeel van Maxx Vastgoed wordt uitgelegd, nog steeds de drempel van 20% niet wordt gehaald. Daarvoor geldt de volgende (fictieve) berekening, die alleen wordt gemaakt om definitief over dit geschil te kunnen beslissen.
7.3.1.
Voor de referentie-omzet gaat de rechtbank uit van het in de beslissing op bezwaar genoemde bedrag van € 638.372,-, waarbij de rechtbank drie bedragen optelt waarvan niet meer in geschil is dat deze geheel of gedeeltelijk aan 2019 moeten worden toegerekend. Omdat het een fictieve berekening, zo veel mogelijk in het voordeel van Maxx Vastgoed, betreft, rekent de rechtbank de bedragen hier helemaal aan 2019 toe. Het gaat om de volgende bedragen: € 5.500,-, € 641,80 en € 3.071,28. De totale referentie-omzet is dan
€ 647.587 / 4 = € 161.897.
7.3.2.
Ook voor de omzet in de meetperiode neemt de rechtbank als startpunt het in de beslissing op bezwaar genomen bedrag, namelijk € 144.555. De rechtbank brengt daarop de drie eerder genoemde bedragen in mindering, waarvan niet meer in geschil is dat ze niet aan de meetperiode moeten worden toegerekend, namelijk: € 5.500,-, € 641,80 en
€ 3.071,28. De omzet in de meetperiode is dan € 135.342,-.
7.3.3.
Het omzetverlies komt volgens deze, fictieve, voor Maxx Vastgoed meest gunstige, berekening op (€ 161.897 - € 135.342) / € 161.897 *100= 16,4 %. Dat is minder dan de 20% omzetverlies die nodig is om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-1. De aanvraag van Maxx Vastgoed is dan ook terecht afgewezen.
De hoorzitting en gestelde vooringenomenheid
8.1.
Uit het bestreden besluit blijkt dat geen hoorzitting is gehouden. Maxx Vastgoed heeft in zijn beroepschrift toegelicht dat zij heeft afgezien van een hoorzitting, omdat zij op basis van informatie van de minister de indruk kreeg dat deze niet zinvol zou zijn. Gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb heeft de minister daarom terecht afgezien van het houden van een hoorzitting.
8.2.
Maxx Vastgoed heeft tot slot niet aannemelijk gemaakt dat de minister vooringenomen is geweest bij de besluitvorming.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dit betekent dat Maxx Vastgoed geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Het bestreden besluit was niet goed gemotiveerd. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Dit geeft wel aanleiding te bepalen dat de minister aan Maxx Vastgoed het door haar betaalde griffierecht van € 371,- moet vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan Maxx Vastgoed moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
De rechter is verhinderd te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 4:46, eerste en tweede lid
Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
e subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:3, aanhef en onder c
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
het bezwaar kennelijk ongegrond is,
de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
e belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Artikel 7:12, eerste lid
De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1)
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder: (…) omzetdaling: een daling van de omzet als bedoeld in artikel 6, eerste lid (…).
Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling.
Artikel 4
De Minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020.
Artikel 5
1. Onverminderd artikel 4:35, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening geweigerd, indien of voor zover:
a. niet of onvoldoende aannemelijk is dat de omzetdaling van de betreffende werkgever ten minste 20% zal zijn;
(…).
Artikel 6
De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de periode als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt, in hele procenten en naar boven afgerond.
De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.
Artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder a
De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 7, met dien verstande dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, indien de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, minder dan 20% bedraagt.
Burgerlijk Wetboek
Artikel 2:377, zesde lid
Onder de netto-omzet wordt verstaan de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen.
Staatscourant 2020, nr. 19874 van 1 april 2020, blz. 13
Verslag van een schriftelijk overleg van 15 april 2020 TK 2019-2020, 35 420, nr. 15, p. 9
In de stukken genummerd onder 1 tot en met 5, 13, 16 en 17
In de stukken genummerd onder 6
In de stukken genummerd onder 10, 11 en 14
factuur [nummer 6], in de stukken genummerd onder 10
factuur [nummer 4] , in de stukken genummerd onder 11 (€ 776,58 minus € 134,78 BTW)
factuur [nummer 5] , in de stukken genummerd onder 14
factuur [nummer 6], in de stukken genummerd onder 10
factuur [nummer 4] , in de stukken genummerd onder 11 (€ 776,58 minus € 134,78 BTW)
factuur [nummer 5] , in de stukken genummerd onder 14 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|