|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:557 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/444198 / JE RK 26-10 C/02/444198 / JE RK 26-10 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Beslissing op een mondeling verzoek voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie amanden. Het verzoek is toegewezen voor de duur van twee weken omdat vader zicht tegen de ondertoezichtstelling verzet. Restant verzoek aangehouden tot mondelinge behandeling. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | echtscheiding | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444198 / JE RK 26-104
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen;
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg.
1Het verloop van de procesverloop
1.1.
De kinderrechter neemt het volgende mee in de beoordeling:
- het mondelinge verzoek van de Raad d.d. 20 januari 2026, gevolgd door het
schriftelijke verzoek met bijlagen, ontvangen op 21 januari 2026.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 20 januari 2026 van het verzoek tot wijziging althans vaststelling van voorlopige voorzieningen dat door de moeder is aangespannen, bekend onder het zaak-/rekestnummer: C/02/443404 / FA RK 25-6680, heeft de Raad mondeling de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek, voor zoveel nodig mede in zijn hoedanigheid als kinderrechter, gelijktijdig met voornoemd verzoek tot wijziging althans vaststelling van voorlopige voorzieningen mondeling behandeld, met gesloten deuren.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2025 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 16 januari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
[minderjarige] is voor het huwelijk van de ouders geboren. De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1.
Tijdens de zitting van zaaknummer C/02/443404 / FA RK 25-6680 heeft de Raad een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden verzocht, welk verzoek de Raad daarna op schrift heeft gesteld. De Raad verzoekt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming West Zeeland als uitvoerende instantie te benoemen.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad het volgende aangevoerd. Uit de overgelegde stukken en dat wat tijdens de zitting naar voren is gebracht blijkt dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat ouders onvoldoende in staat zijn om deze zorgen weg te nemen. Eind 2024 heeft de Raad een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermende maatregel afgerond en ouders verwezen naar het vrijwillig kader. Voorwaarde van deze verwijzing was het accepteren van hulpverlening welke eraan bij zou dragen dat er zicht zou komen op beide opvoedsituaties van [minderjarige] . Op 13 januari 2026 heeft er een jeugdbeschermingstafel plaatsgevonden. De Raad heeft daar besloten om met prioriteit nogmaals een onderzoek te starten naar de noodzaak van een kinderbeschermende maatregel, omdat de eerder geadviseerde hulpverlening niet van de grond is gekomen. Het lukt de hulpverlening onvoldoende om zicht te krijgen op de opvoedomgeving van vader. Daarnaast hebben er zich in de (recente) achterliggende periode escalaties tussen ouders voorgedaan. Daarbij komt dat de indicatie voor de betrokken hulpverlening afloopt per 22 januari 2026 en vader weigert te tekenen voor een verlenging van de betrokken hulpverlening. Tijdens de zitting is geprobeerd om afspraken tussen ouders te maken over contact tussen [minderjarige] en vader alsmede ook het accepteren van hulpverlening door te tekenen voor de verlenging van de hulpverlening. Op zitting lijkt moeder bereid om mee te werken aan onbegeleide omgang tussen vader en [minderjarige] gezien de ‘recente ontwikkelingen’. Wanneer ter zitting wordt gevraagd welke recente ontwikkelingen moeder bedoelt verwijst moeder naar een aantal door vader geuite bedreigingen jegens haar en erkent zij dat zij instemt met onbegeleid contact omdat zij vanwege de door de man geuite bedreigingen bang is voor de gevolgen/een escalatie wanneer zij niet mee gaat in de wens van vader. Vader geeft hierover aan dat hij de controle verliest omdat het contact tussen [minderjarige] en hem naar zijn mening onvoldoende van de grond komt. De dreigementen die vader uit zou hij echter nooit in de praktijk brengen. Ondanks dat de Raad, gelet op de ontwikkelingen tijdens de zitting, van mening is dat er nu enkel onder begeleiding contact kan plaatsvinden tussen vader en [minderjarige] , blijft vader weigeren om te tekenen voor de verlenging van de hulpverlening. Hierdoor kan begeleid contact niet van de grond komen. Door het stagneren van de hulpverlening ontbreekt het aan zicht op [minderjarige] en zijn opvoedomgevingen en kan ook niet worden ingeschat in hoeverre er sprake is van (fysieke) onveiligheid voor [minderjarige] en moeder. Gelet op de uitlatingen die vader heeft gedaan indien het zal ontbreken aan contact tussen hem en [minderjarige] , zijn weigering om mee te werken aan de inzet van hulpverlening en het hierdoor mogelijke besluit van de rechtbank om het contact tussen vader en [minderjarige] op te schorten, maakt de Raad zich grote zorgen over de (acute) (fysieke) veiligheid van [minderjarige] en moeder. De Raad ziet daarom geen andere mogelijkheid dan een voorlopige ondertoezichtstelling en vindt dat er vanuit een gedwongen kader eerst zicht moet komen op de (fysieke) veiligheid van [minderjarige] en moeder en dan moet worden bekeken welke mogelijkheden er zijn tot een vorm van contact tussen vader en [minderjarige] .
4.2.
De moeder stemt in met de voorlopige ondertoezichtstelling. Zij hoopte op de inzet van hulpverlening in het gedwongen kader en ondersteunt dan ook het verzoek van de Raad.
4.3.
De vader stemt niet in met het verzoek van de Raad. Hij vindt de maatregel van een voorlopige ondertoezichtstelling te ingrijpend. Dit geldt temeer nu de Raad ook aangeeft dat de contacten tussen hem en [minderjarige] onder begeleiding zouden moeten plaatsvinden. De vader erkent fouten te hebben gemaakt maar vindt de ‘straf’ van een voorlopige ondertoezichtstelling te hoog. Er is al lange tijd uitvoering gegeven aan de huidige voorlopige zorgregeling en dit verliep goed. Ook de Raad heeft eerder geconstateerd dat de contacten tussen de vader en [minderjarige] ongedwongen verliepen. Niet is gebleken dat [minderjarige] zorgelijk gedrag vertoont. De vader erkent dat de hulpverlening niet altijd vlot is verlopen maar is van mening dat de hulpverlening zelf hier een aandeel in heeft (gehad).
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, als bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Op grond van artikel 1:255, tweede lid, BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Op grond van de informatie, zoals weergegeven in het verzoek, en de verklaringen van de ouders komt de kinderrechter tot het oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld en dat de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen.
5.5.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een schriftelijk verzoek van de Raad en een nadere/separate zitting voor wat betreft het verzoek van de Raad tot een voorlopige ondertoezichtstelling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] .
5.6.
De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.7.
De kinderrechter maakt zich ernstig zorgen over de veiligheid van [minderjarige] . Naar aanleiding van een mislukt UHA-traject heeft de Raad reeds in december 2024 een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermende maatregel afgerond. De Raad heeft ouders toen verwezen naar hulpverlening in het vrijwillig kader, zodat er zicht zou komen op beide opvoedsituaties van [minderjarige] . Deze hulpverlening is echter niet (voldoende) van de grond gekomen. Het is de hulpverlening onvoldoende gelukt om zich te krijgen op de opvoedomgeving van vader. Dit baart de kinderrechter zorgen, temeer omdat er zich recent meerdere escalaties tussen ouders hebben voorgedaan. Zo heeft vader de deur van moeder ingetrapt, doodsbedreigingen geuit bij de hulpverlener over moeder en tegen de afspraken in bij de kinderopvang gestaan om [minderjarige] mee te nemen. Ook is de vastgestelde zorgregeling in de afgelopen periode niet structureel nagekomen door partijen. Over de redenen daarvan verschillende partijen van mening, maar vast staat dat [minderjarige] geen onbelast, structureel en betrouwbaar contact heeft gehad met de vader.
5.8.
Partijen hebben tijdens de zitting toegelicht dat ondanks de voornoemde recente incidenten er in de afgelopen vier weken wél weer uitvoering is gegeven aan de zorgregeling. Dit strookt niet met het verzoek van moeder, waarbij zij verzoekt een voorlopige zorgregeling te bepalen waarbij er uitsluitend begeleide contacten plaatsvinden tussen vader en [minderjarige] . Moeder leek tijdens de zitting desondanks bereid mee te werken aan een voorlopige zorgregeling waarbij er (wederom) onbegeleide contacten plaatsvinden, vanwege recente ontwikkelingen. Op de vraag van de Raad welke recente ontwikkelingen moeder precies bedoelt, heeft moeder te kennen gegeven dat vader heeft gedreigd haar tanden uit haar mond te slaan, haar auto in de brand te steken en haar deur in te trappen als er geen omgang tussen hem en [minderjarige] zou plaatsvinden. Moeder heeft bevestigd dat zij dus bereid is mee te werken aan onbegeleid contact tussen vader en [minderjarige] , enkel uit angst voor de gevolgen op het moment dat zij niet instemt met hetgeen vader wenst.
5.9.
De kinderrechter neemt het vader zeer kwalijk dat genoemde escalaties hebben plaatsgevonden en vader deze bedreigingen jegens moeder heeft geuit. Het is begrijpelijk dat vader contact met [minderjarige] wenst maar dit rechtvaardigt op geen enkel wijze dergelijk gedrag. Daarbij komt dat de indicatie voor de op dit moment betrokken hulpverlening afloopt per 22 januari 2026 en vader tot op heden heeft geweigerd en ook tijdens de zitting heeft aangegeven niet te tekenen voor een verlenging van de betrokken hulpverlening. Doordat de betrokken hulpverlening daardoor stagneert is er geen zicht meer op de veiligheid van) [minderjarige] (en moeder) en komt er evenmin zicht op de opvoedomgeving van vader. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is dat er vanuit een gedwongen kader zicht komt op de acute (fysieke) veiligheid van [minderjarige] en de opvoedomgeving van [minderjarige] bij vader. De toezegging van vader dat hij het niet verder laat komen, acht de kinderrechter onvoldoende ter waarborging van de (fysieke) veiligheid van [minderjarige] , nu vader recent de voordeur van moeder heeft ingetrapt.
5.10.
Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht. Omdat de vader het niet eens is met het verzoek, zal de kinderrechter dit doen voor de duur van twee weken onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De mondelinge behandeling van het resterende deel van het verzoek wordt gehouden op [datum] 2026 om [uur] .
5.11.
Omdat, overeenkomstig het verzoek van de Raad, Stichting Jeugdbescherming West Zeeland in deze beschikking tot uitvoerende instantie wordt benoemd, zal (ook) de GI een afschrift van deze beschikking krijgen.
5.12.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland met ingang van 20 januari 2026 tot 3 februari 2026;
6.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 (4331 JE) te Middelburg;
6.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor de hiervoor onder 6.2. genoemde zitting voor (de advocaten van) de ouders, de Raad en de GI;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier en op schrift gesteld op 23 januari 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|