Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:1655 
 
Datum uitspraak:26-01-2026
Datum gepubliceerd:19-02-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:FT EA 26-5
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:De administrators in een naar het recht van Engeland en Wales geopende insolventieprocedure (Administration), betreffende een vennootschap naar recht van Engeland en Wales met een nevenvestiging in Nederland, hebben de rechtbank verzocht om een rechter-commissaris te benoemen, die ex artikel 68 lid 4 Faillissementswet (Fw) machtiging tot beëindiging van arbeidsovereenkomsten kan verlenen. Artikel 68 lid 4 Fw is ingevoerd in verband met artikel 13 lid 2 van de EU-Insolventieverordening (IVO) voor het geval er geen faillissementsprocedure in Nederland is geopend en er (dus) geen rechter-commissaris is benoemd die toestemming kan verlenen voor opzegging van arbeidsovereenkomsten door de hoofdinsolventiefunctionaris. Nu het in deze zaak een Administration naar het recht van Engeland en Wales betreft en het Verenigd Koninkrijk niet langer een EU-lidstaat is, worden de gevolgen van de Administration voor arbeidsovereenkomsten niet beheerst door artikel 13 IVO. De rechtbank wijst het verzoek af.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
huurovereenkomst
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak: 26 januari 2026 (bij vervroeging)

Beschikking op het op 13 januari 2026 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:




1. [verzoeker 1] , kantoorhoudend te Manchester (VK), en

2. [verzoeker 2], kantoorhoudend te Londen (VK),
handelend in hoedanigheid van administrators in de insolventieprocedure
naar recht van Engeland en Wales betreffende [naam V.O.F.] in administration,
woonplaats kiezende te Amsterdam,
verzoekers,
advocaten: mr. R.P.A. de Wit en mr. D. de Goede,




1Procedure

Verzoekers hebben op 13 januari 2026 een verzoekschrift met drie bijlagen ingediend, strekkende tot het benoemen van een rechter-commissaris.

Naar aanleiding van de oproeping voor de mondelinge behandeling hebben verzoekers om behandeling door middel van een online video-verbinding verzocht. De rechtbank heeft dat verzoek gehonoreerd.

De griffier heeft verzoekers op 16 januari 2026 op voorhand per e-mail een drietal vragen van de rechtbank gestuurd.

De verzoek(en) zijn op 20 januari 2026 behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online video-verbinding, verschenen en gehoord:
- [persoon A] , administrator;
- [persoon B] , administrator;
- [persoon C] , medewerker van de administrators;
- mr. R.P.A. de Wit, advocaat;
- mr. D. de Goede, advocaat.

De uitspraak is bepaald op heden.




2Het verzoek


Achtergrond

Bij vonnis van de High Court of Justice of England and Wales van 6 januari 2026 is het verzoek van het bestuur van de vennootschap naar recht van Engeland en Wales [naam V.O.F.] om haar onder Administration te plaatsen, goedgekeurd. Administration is een Engelse insolventieprocedure. Verzoekers zijn als insolventiefunctionarissen (administrators) aangesteld.


[naam V.O.F.] heeft diverse internationale vestigingen, waaronder in Nederland. In de Nederlandse vestiging te Strijen, gemeente Hoeksche Waard, waren ten tijde van het uitspreken van de Administration vijfentwintig werknemers werkzaam.

Nu op de arbeidsovereenkomsten met deze werknemers Nederlands recht van toepassing is, wensen verzoekers (een aantal van) de arbeidsovereenkomsten zoveel mogelijk en waar dit niet in strijd komt met Engels faillissementsrecht, naar de vereisten van het Nederlandse recht, meer in het bijzonder Nederlands faillissementsrecht op te zeggen. Dit vereist machtiging van de rechter-commissaris om tot ontslag over te gaan (artikel 40 jo. 68 Faillissementswet (Fw)).


Rechtsmacht & bevoegdheid

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht ingevolge artikel 3 aanhef en onder c van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Deze zaak is voldoende met de Nederlandse rechtssfeer verbonden omdat [naam V.O.F.] in Nederland een vestiging heeft waar zich voorraad en inventaris bevindt en zij met Nederlandse ingezetenen arbeidsovereenkomsten heeft gesloten waarop Nederlands recht van toepassing is terwijl de werkzaamheden in Nederland worden verricht. Ook is er sprake van een huurovereenkomst voor de Nederlandse vestiging en zijn er overige overeenkomsten met Nederlandse bedrijven die betrekking hebben op de Nederlandse vestiging. Dit is ingevolge artikel 6 aanhef en onder b Rv een aanvullend aanknopingspunt voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

Omdat het kantoor van de Nederlandse vestiging in Strijen is, volgt uit artikel 262 Rv jo. artikel 1:10 jo. artikel 1:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is van de zaak kennis te nemen.


Grondslag & belang

Administration is vergelijkbaar met een Nederlands faillissement en de taken en bevoegdheden van de administrators zijn vergelijkbaar met die van een Nederlandse curator. Net als in een Nederlands faillissement hebben de administrators recht en belang om de arbeidsovereenkomsten met de werknemers ter beperking van verdere kosten tegen een zo kort mogelijke termijn op te zeggen. Om dit conform het Nederlands recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten, meer in het bijzonder het Nederlandse faillissementsrecht te doen, is benoeming van een rechter-commissaris noodzakelijk. Naar Nederlands recht hebben insolventiefunctionarissen immers de machtiging van een rechter-commissaris nodig bij opzegging van arbeidsovereenkomsten.

De benoeming van een rechter-commissaris is noodzakelijk om arbeidsovereenkomsten (voortijdig) te kunnen beëindigen in overeenstemming met een analoge toepassing van artikel 40 Fw jo. artikel 68 lid 4 Fw. Hierbij wordt eveneens gewezen op de werking van artikel 13 lid 2 van de Insolventieverordening (IVO), die bij een hoofdinsolventieprocedure in één van de EU-lidstaten een vergelijkbare uitkomst zou hebben geboden. Bovendien zal een beëindiging van de arbeidsovereenkomsten de loongarantieregeling in werking doen treden. Dit is van belang voor de werknemers.

Hoewel de Administration van [naam V.O.F.] een Engelse insolventieprocedure betreft, die wordt beheerst door Engels recht, zou een analoge toepassing van de IVO eveneens resulteren in de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en grondslag voor het verzoek. In dat kader wordt verwezen naar hetgeen is bepaald in artikel 3 lid 2 IVO omtrent de bevoegdheid van rechters om een secundaire insolventieprocedure te openen. Daarnaast biedt artikel 13 lid 2 IVO een aanknopingspunt voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en grondslag voor het verzoek. Hieruit volgt immers dat Nederlandse rechters bevoegd blijven om wijzigingen in en/of beëindigingen van arbeidsovereenkomsten, die worden beheerst door Nederlands recht, goed te keuren; zelfs als in Nederland geen secundaire insolventieprocedure is geopend.

Daarnaast brengt toepassing van de Nederlandse faillissementswet rechtsmacht voor de Nederlandse rechter met zich mee en grondslag voor het verzoek. In artikel 68 lid 4 Fw is bepaald dat een Nederlandse rechter-commissaris van de rechtbank een machtiging kan verlenen voor de beëindiging van arbeidsovereenkomsten op verzoek van de insolventiefunctionaris in de hoofdinsolventieprocedure. Daarbij is niet vereist dat in Nederland een secundaire insolventieprocedure is geopend.

Er bestaat een lacune die moet worden opgelost. De regeling van artikel 68 lid 4 Fw kan analoog worden toegepast dan wel kan de rechtbank vanwege het leerstuk van assimilatie een rechter-commissaris benoemen die machtiging kan geven voor ontslagen.

Ontslag is nodig voor de aanspraak van de werknemers op de loongarantieregeling. De machtiging wordt vooral verzocht in het belang van de werknemers.

Verzoekers wenden zich daarom tot de rechtbank met het om een rechter-commissaris te benoemen die waar nodig machtiging kan verlenen aan verzoekers, aldus steeds verzoekers.




3Beoordeling

Nu het verzoek tot benoeming van een rechter-commissaris (mede) gegrond is op artikel 68 lid 4 Fw en [naam V.O.F.] een actieve Nederlandse vestiging heeft binnen het arrondissement van de rechtbank Rotterdam, acht de rechtbank zich, gelet op artikel 2 Fw, bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Verzoekers verzoeken de rechtbank ex artikel 68 lid 4 Fw een rechter-commissaris te benoemen zodat deze machtiging voor ontslag ex artikel 40 Fw kan verlenen voor de Nederlandse werknemers.

De rechtbank wijst het verzoek af, om de navolgende redenen.

De regeling van artikel 68 lid 4 Fw kan naar het oordeel van de rechtbank niet los worden gezien van artikel 13 lid 2 IVO. Het vierde lid van artikel 68 Fw is ingevoerd bij de Uitvoeringswet EU-insolventieverordening (de Uitvoeringswet). Volgens de toelichting op de Uitvoeringswet is artikel 68 lid 4 Fw ingevoerd in verband met artikel 13, tweede lid, IVO, voor het geval er geen faillissementsprocedure in Nederland is geopend en er (dus) geen rechter-commissaris is benoemd die toestemming kan verlenen voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de hoofdinsolventiefunctionaris. Artikel 68 lid 4 Fw verwijst ook specifiek terug naar de machtigingsbevoegdheid bedoeld in artikel 13 lid 2 IVO. Dit artikel bepaalt dat de rechters dan wel autoriteiten van de lidstaat waar een secundaire insolventieprocedure kan worden geopend, bevoegd blijven om de beëindiging of wijziging van de in dit artikel bedoelde (arbeids)overeenkomsten goed te keuren, zelfs indien er in die lidstaat geen insolventieprocedure is geopend. Artikel 68 lid 4 Fw bepaalt (daarom) dat, indien er in Nederland geen secundaire insolventieprocedure is geopend, er (toch) een rechter-commissaris kan worden benoemd die de benodigde machtiging kan verlenen. De terminologie die wordt gehanteerd in artikel 68 lid 4 Fw (secundaire insolventieprocedure en hoofdinsolventieprocedure) is ook terminologie uit de IVO. Noch uit artikel 68 lid 4 Fw, noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat een breder toepassingsbereik beoogd is en dat ook insolventiefunctionarissen uit landen die geen partij zijn bij de IVO een beroep kunnen doen op de bepaling

Nu het in deze zaak een Administration naar het recht van Engeland en Wales betreft en het Verenigd Koninkrijk niet langer een EU-lidstaat is, worden de gevolgen van de Administration voor arbeidsovereenkomsten niet beheerst door artikel 13 IVO. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de administrators daarom ook geen beroep doen op bepalingen uit de IVO en kan de rechtbank evenmin op grond van artikel 68 lid 4 Fw een rechter-commissaris benoemen.

Verzoekers hebben ter zitting betoogd dat de rechtbank op grond van het leerstuk van assimilatie bereid zou moeten zijn om ook in geval van een Administration naar het recht van Engeland en Wales toepassing te geven aan artikel 68 lid 4 Fw. De rechtbank ziet hiervoor geen ruimte. Het gaat hier niet om de vraag of en hoe de Nederlandse rechter een buitenlandse rechtsfiguur moet inpassen in het Nederlandse recht, maar of de Nederlandse rechter op grond van artikel 68 lid 4 Fw een rechter-commissaris kan benoemen voor ontslagmachtigingen in procedures waarop de IVO niet van toepassing is. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

De omstandigheid dat de ontslagprocedure vergemakkelijkt zou worden als er machtiging zou kunnen worden verleend door een Nederlandse rechter-commissaris, kan naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag creëren voor de bevoegdheid tot benoemding van een rechter-commissaris. Bovendien is niet gebleken dat de werknemers zonder machtiging niet ontslagen kunnen worden of geen beroep kunnen doen op de loongarantieregeling (die een breder toepassingsbereik kent dan alleen faillissement omdat ook in andere gevallen van betalingsonmacht een beroep op die regeling kan worden gedaan).




4De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.B. Biezen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.



De griffier is buiten staat deze


beschikking mede te ondertekenen.



Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking)


Uitvoering van de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PbEU 2015, L 141), kamerstukken 34 729 (vergaderjaar 2017-2018).


Zie Nota van Wijziging, kamerstukken 2017-2018, 34 729, nr 6.
Link naar deze uitspraak