Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:851 
 
Datum uitspraak:10-02-2026
Datum gepubliceerd:23-02-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:23/2188 t/m 23/2193
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Teruggaaf BPM bij export. Termijn inschrijving buitenlands kentekenregister (13 weken).
Trefwoorden:bpm
forfaitair
motorrijtuigenbelasting
vrijstelling
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/2188 t/m 23/2193
uitspraakdatum: 10 februari 2026


Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

en van



[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 1 mei 2023, nummers AWB 20/1692, 20/1704 en 20/2806, ECLI:NL:RBGEL:2023:2483, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Belanghebbende heeft teruggaafverzoeken van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) gedaan. De Inspecteur heeft die verzoeken afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.



1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de teruggaven van BPM vastgesteld op € 697, € 829 en € 895, de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.



1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Namens belanghebbende is verschenen A.F.M.J. Verhoeven. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] , bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.






2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op 5 augustus 2018 een verzoek ingediend om teruggaaf van € 697 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type Alfa Romeo (hierna: auto 1). Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van auto 1 beëindigd op 20 juni 2018 en is auto 1 op 6 juli 2018 in Polen geregistreerd. De Inspecteur heeft vastgesteld dat het bij het verzoek gevoegde Poolse kentekenbewijs vals is en dat auto 1 eerst op 2 oktober 2018 in Polen is geregistreerd.



2.2.
Belanghebbende heeft op 5 augustus 2018 een verzoek ingediend om teruggaaf van € 829 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type Peugeot 3008 (hierna: auto 2). Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van auto 2 beëindigd op 11 juni 2018 en is auto 2 op 20 juli 2018 in Polen geregistreerd. De Inspecteur heeft vastgesteld dat het bij het verzoek gevoegde Poolse kentekenbewijs vals is en dat auto 2 eerst op 8 oktober 2018 in Polen is geregistreerd.



2.3.
Belanghebbende heeft op 15 juli 2018 een verzoek ingediend om teruggaaf van € 895 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type Honda CR-V (hierna: auto 3). Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van auto 3 beëindigd op 29 mei 2018 en is auto 3 op 15 juni 2018 in Polen geregistreerd. De Inspecteur heeft vastgesteld dat het bij het verzoek gevoegde Poolse kentekenbewijs vals is en dat auto 3 eerst op 15 oktober 2018 in Polen is geregistreerd.



2.4.
In het verslag van het hoorgesprek van 4 november 2019 staat bij de opmerkingen door gemachtigde van belanghebbende inzake de teruggaafverzoeken BPM ter zake van auto’s 1 en 2 vermeld:
‘Auto op vals kenteken geregistreerd door koper, termijnoverschrijding daardoor kan klant niet aangerekend worden. Unierechtelijk termijn 13 weken niet verdedigbaar.’



2.5.
De Inspecteur heeft de teruggaafverzoeken BPM voor auto’s 1, 2 en 3 afgewezen, omdat de inschrijving van deze auto’s in het Poolse kentekenregister niet binnen dertien weken na uitschrijving van het kenteken in Nederland heeft plaatsgevonden.



2.6.
De Belastingdienst heeft in het kader van een verzoek op basis van de Wet open overheid op 18 januari 2023 een document van de Kennisgroep BPM gepubliceerd. In dit document is – voor zover – hier van belang het volgende opgenomen:

“De Kennisgroep BPM heeft het volgende standpunt ingenomen met betrekking tot de beoordeling van een te laat ingediend verzoek om teruggaaf van BPM vanwege export van een personenauto.


Kennisgroep BPM Versiedatum 5 oktober 2020



KG-BPM-2016-150 (3) Teruggaaf van BPM bij export waarbij het verzoek te laat is ingediend.



Casus:
Een Nederlandse autohandelaar verkoopt gebruikte auto’s aan een Duitse handelaar die de auto’s vervolgens zonder registratie opneemt in zijn handelsvoorraad. De auto’s worden niet binnen 13 weken op een regulier Duits kenteken duurzaam geregistreerd. Eerst nadat de registratie in Duitsland is voltooid, maar buiten de termijn van 13 weken, verzoekt de Nederlandse handelaar om teruggaaf van bpm.



Vraag:
Hoe dient een verzoek om teruggaaf dat te laat is ingediend te worden beoordeeld?



Antwoord:
Het te laat indienen van het verzoek om teruggaaf van bpm bij export is een formeel gebrek en resulteert in een niet-ontvankelijkheid van het verzoek. Een ambtshalve beoordeling van het verzoek op de materiële vereisten kan echter alsnog resulteren in een teruggaaf als;

- het motorrijtuig binnen 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister in de andere lidstaat van de EU of de EER is geregistreerd. Deze registratie voldoet aan richtlijn 1999/37/EG, m.u.v. een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving. (Art. 14a, lid 1 Wet)
- bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of de EER. (Art. 4a, lid 1, letter d UB)
- bpm is betaald ter zake van de registratie in Nederland op of na 16-10-2006 en geen bpm is teruggegeven dan wel vrijstelling is verleend; (Art. 14a, lid 3 Wet) het terug te geven bedrag tenminste € 50.- bedraagt; (Art. 14a, lid 5 Wet)
- het motorrijtuig buiten Nederland is gebracht en op het moment van het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister blijkens dit register niet werd aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop of motorrijtuig dat wacht op keuring (WOK); (Art. 4a, lid 1, letter a UB)
- het motorrijtuig op dat moment niet voldeed aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de Regeling voertuigen en degene op wiens naam het motorrijtuig te naam was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister dit bij het verzoek om teruggaaf verklaart; (Art. 4a, lid 1, letter b UB)


Toelichting:
(interne toelichting; maakt geen onderdeel uit van het antwoord).


De voorwaarde dat het verzoek om teruggaaf van BPM binnen de termijn van 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister moet zijn ingediend, in combinatie met het op dat moment overleggen van bescheiden waaruit de registratie in de andere lidstaat blijkt, impliceert dat ook binnen 13 weken sprake moet zijn van een voltooide registratie in de lidstaat waar het motorrijtuig naartoe is geëxporteerd. Dit vereiste wordt ook buiten de 13 weken termijn bij een ambtshalve beoordeling getoetst.



Een verzoek om ambtshalve teruggaaf op grond van onderdeel 21, Besluit Fiscaal Bestuursrecht kan buiten de 13 weken termijn bij de Inspecteur worden ingediend. Bij de ambtshalve beoordeling van de materiële vereisten is de Inspecteur gehouden de teruggaaf toe te kennen indien het verzoek, als dit tijdig was geweest, zou zijn toegekend. Tegen de inhoudelijke beslissing van de Inspecteur staat echter geen rechtsmiddel open.



Situatie van overmacht:


In de Memorie van Toelichting1 [Hof: voetnoot 1 luidt: Kamerstukken II 2012/13, 33403, nr. 3] op de wijziging van artikel 10a Wet BPM per 1-1-2013 is vermeld dat wanneer de termijn van 13 weken wordt overschreden doordat het motorrijtuig niet tijdig geregistreerd kan worden in het andere EU- of EER-land, in dat geval de teruggaaf in beginsel ook daarna nog ambtshalve wordt verleend. Hiermee wordt gedoeld op die situaties waarin de registratietermijn in het andere EU/EER land langer duurt dan 13 weken.”



2.7.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het niet aan belanghebbende te wijten is dat de auto’s niet binnen dertien weken zijn ingeschreven in het Poolse kentekenregister, en heeft beslist dat belanghebbende recht heeft op de gevraagde teruggaven van BPM. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat sprake is van een situatie waarin bij een ambtshalve beslissing grond had bestaan voor verlening van de gevraagde teruggaven (op basis van het in 2.6 genoemde kennisgroepstandpunt) en dat als de Inspecteur in de bezwaarfase zorgvuldig had gehandeld, een beroepsprocedure voorkomen had kunnen worden. Dit heeft de Rechtbank ertoe gebracht bij het toepassen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase een wegingsfactor van 1 toe te passen en voor de beroepsfase een wegingsfactor van 3. De Rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op een bedrag van € 7.165,50 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze vergoeding heeft de Rechtbank als volgt berekend: 2 punten voor twee bezwaarschriften, 1 punt voor de hoorzitting x wegingsfactor 1 x € 296, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de eerste zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting x wegingsfactor 3 x € 837.






3Geschil en standpunten van partijen


3.1.
In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van BPM. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank de proceskostenvergoeding en de schadevergoeding juist heeft vastgesteld.



3.2.
De Inspecteur heeft in hoger beroep betoogd dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor teruggaaf van BPM, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een overmachtsituatie als bedoeld in het onder 2.6 opgenomen kennisgroepstandpunt, en dat de Rechtbank een te hoge proceskostenvergoeding heeft toegekend.



3.3.
Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de teruggaafverzoeken op basis van het Unierecht moeten worden beoordeeld. In dat kader heeft hij onder meer aangevoerd dat de doorwerking van het Unierecht, het evenredigheidsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het recht op eigendom, maken dat de BPM in zijn geval moet worden teruggegeven zonder separaat verzoek, zonder het overleggen van grensoverschrijdende documenten of anderszins. Daarnaast is volgens belanghebbende artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden en dient te worden overgegaan tot een volledige vergoeding van (proces)kosten en een hogere vergoeding van immateriële schade. Verder dient volgens belanghebbende rente te worden vergoed over de in strijd met het Unierecht geheven belasting.



3.4.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens het oordeel over de vergoeding van immateriële schade en griffierecht, en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar. De proceskostenvergoeding in beroep dient volgens de Inspecteur op een lager bedrag te worden vastgesteld. Belanghebbende concludeert tot een hogere proceskosten- en schadevergoeding en dus ook tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de proceskostenveroordeling en vergoeding van immateriële schade.






4Beoordeling van het geschil


4.1.
Op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM), kan onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen op aanvraag een teruggaaf van BPM worden verleend indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en vervolgens wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.



4.2.
In artikel 4a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitvoeringsbesluit BPM) (tekst 2018), zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om voor teruggaaf van BPM in aanmerking te komen. Een van die voorwaarden is dat het verzoek om teruggaaf van BPM wordt gedaan binnen dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister. Artikel 4a, eerste lid, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit BPM (tekst 2018) eist dat bij het teruggaafverzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.



4.3.
Niet in geschil is dat de geldige inschrijving van de auto’s in het Pools kentekenregister meer dan dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling in Nederland heeft plaatsgevonden. Hierdoor is – op basis van de nationale bepalingen – niet aan de voorwaarden voor teruggaaf van BPM bij uitvoer voldaan.



4.4.
Het beroep van belanghebbende op het Unierecht maakt dit niet anders. Volgens vaste rechtspraak vormt de BPM een binnenlandse belasting; deze belasting wordt niet geheven ter uitvoering van een Unierechtelijke verplichting of op grond van een bevoegdheid die is ontleend aan het recht van de Unie. De heffing van deze belasting vindt uitsluitend haar grondslag in een nationale wettelijke bevoegdheid. De omstandigheid dat artikel 110 van het VWEU de uitoefening van deze bevoegdheid begrenst, brengt op zichzelf niet mee dat het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht bij het heffen van BPM. Deze begrenzing door, kort gezegd, het non-discriminatiebeginsel doet dus niet eraan af dat de heffing van deze belasting de uitoefening van nationale bevoegdheden betreft. Met het heffen van BPM ter zake van de registratie van personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s wordt op zichzelf dus niet het recht van de Unie ten uitvoer gebracht. Dat is slechts anders indien door de Inspecteur of de rechter wordt vastgesteld dat bij de heffing van BPM in een concreet geval de grenzen van artikel 110 van het VWEU zijn overschreden. In dat geval moet het recht van de Unie wel worden geacht ten uitvoer te worden gebracht wanneer de Inspecteur of in voorkomend geval de rechter tot de slotsom komt dat toepassing van de Wet BPM heeft geleid tot een bezwarend besluit waarmee de grens is overschreden die artikel 110 VWEU aan de nationale bevoegdheid stelt. In zijn arresten van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:281 en 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753, oordeelde de Hoge Raad al dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) volgt dat noch het VWEU noch het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel Nederland dwingt tot een (gedeeltelijke) teruggaaf van eerder rechtmatig geheven belasting indien een personenauto wordt overgebracht naar een andere lidstaat.



4.5.
Naar het oordeel van het Hof volgt uit de arresten van het Hof van Justitie in de zaken Veronsaajien en P.M. niet het tegendeel. Zo oordeelde het Hof van Justitie in de zaak Veronsaajien dat de Finse regeling van motorrijtuigenbelasting – waarin na tien jaar na eerste ingebruikneming van het motorrijtuig geen teruggaaf meer wordt verleend – niet in strijd is met primair Unierecht. Ook de Poolse regeling in de zaak P.M. – waarin bij uitvoer van een auto in het geheel geen teruggaaf van eerder geheven accijns wordt verleend als die auto in het Poolse kentekenregister is geregistreerd – achtte het Hof van Justitie niet in strijd met primair Unierecht. Gelet hierop, moet ook het standpunt van belanghebbende, dat een vervaltermijn van dertien weken in strijd is met het Unierecht, worden verworpen.



4.6.
Maar zelfs als belanghebbende zou moeten worden gevolgd in zijn betoog dat gevallen als hier aan de orde wel vallen binnen de werkingssfeer van het Unierecht, kan hem dat niet baten. Met betrekking tot de termijn van dertien weken overweegt het Hof dat het vaste rechtspraak is van het Hof van Justitie dat, bij gebreke aan een regeling in het Unierecht, het aan de lidstaten is om formeelrechtelijke maatregelen te treffen. Hierbij dienen de beginselen van het Unierecht te worden gerespecteerd. De belangrijkste beginselen zijn het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel schrijft voor dat het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet uiterst moeilijk of onmogelijk mag worden gemaakt. Het gelijkwaardigheidsbeginsel schrijft voor dat de regels voor het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet ongunstiger mogen zijn dan de regels die gelden voor het uitoefenen van rechten die uit het nationale recht voortvloeien. Het staat de wetgever dan ook vrij onder meer fatale termijnen voor te (doen) schrijven bij het indienen van verzoeken om teruggaaf. Een termijn van dertien weken is lang genoeg om het recht op teruggaaf te kunnen effectueren en voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel. Ook de overige aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarden maken het effectueren van dat recht niet uiterst moeilijk of onmogelijk. Voorts is de termijn, noch enige andere aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarde in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel.



4.7.
Het Hof verwerpt voorts het betoog van belanghebbende dat het niet verlenen van een teruggaaf van BPM leidt tot een aantasting van het recht op eigendom, zoals neergelegd in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In de wettelijke regeling is immers voorzien in de mogelijkheid om via een tijdig ingediend verzoek teruggaaf van BPM te krijgen. Het stellen van een vervaltermijn kan niet worden gezien als een aantasting van het eigendomsrecht en, zoals onder 4.6. reeds is overwogen, komt de termijn van dertien weken niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel.



4.8.
De Inspecteur heeft aangevoerd dat er weliswaar coulancebeleid bestaat, zoals beschreven in het antwoord op de vraag aan de Kennisgroep BPM (zie 2.6), maar dat dat belanghebbende niet kan baten, omdat de auto’s niet binnen dertien weken na de uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister zijn geregistreerd in het buitenland. Daarnaast is de Inspecteur van mening dat belanghebbende, naast zijn verklaring bij de Rechtbank dat hij geen enkele invloed heeft gehad op het moment van registratie van de auto’s in Polen, geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat er daadwerkelijk pogingen zijn ondernomen om op tijd (binnen de termijn van 13 weken) Poolse kentekens te verkrijgen. Dat is volgens de Inspecteur te weinig voor een geslaagd beroep op overmacht (zie onder 2.6, laatste twee zinnen).



4.9.
Belanghebbende heeft in hoger beroep verwezen naar het op 10 juni 2025 gepubliceerde kennisgroepstandpunt van de Kennisgroep Auto (KG:013:2025:2). Hij is van mening dat het beleid van de Belastingdienst erop neerkomt dat de Belastingdienst in alle gevallen een teruggaaf van BPM moet verlenen en verleent, ook indien de auto niet binnen dertien weken in het buitenland is geregistreerd. In beroep heeft hij daartoe aangevoerd dat aan andere ondernemers wel BPM wordt teruggegeven bij registraties in het buitenland buiten de termijn van 13 weken.



4.10.
Het Hof is van oordeel dat in het door belanghebbende genoemde kennisgroepstandpunt geen beleid is opgenomen dat erop neerkomt dat de Belastingdienst in alle gevallen een teruggaaf van BPM verleent, indien een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan nadat de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is verstreken. Uit dit kennisgroepstandpunt kan overigens niet worden afgeleid dat de Belastingdienst wel dergelijk beleid hanteert. Uit het onder 2.6. opgenomen kennisgroepstandpunt volgt juist dat in het geval een verzoek om teruggaaf buiten de termijn van dertien weken wordt gedaan, gelijk de Inspecteur betoogt, alleen – ambtshalve – een teruggaaf wordt verleend als de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister wel binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, of niet binnen die termijn heeft kunnen plaatsvinden als gevolg van overmacht. Belanghebbende heeft verder geen gevallen aangedragen waarin met haar vergelijkbare belastingplichtigen wel een teruggaaf van BPM hebben ontvangen, ondanks dat zowel het verzoek en de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister is gedaan buiten de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister. Dit maakt dat ook niet aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst niet gepubliceerd begunstigend beleid voert als door belanghebbende betoogd.



4.11.
Het Hof is verder van oordeel dat belanghebbende niet die feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat als gevolg van overmacht de inschrijving van de in het buitenlandse kentekenregister buiten de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft weliswaar ter zitting bij de Rechtbank verklaard dat hij geen enkele invloed heeft gehad op het moment van registratie van de auto’s in Polen, maar daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er wel is geprobeerd om deze auto’s binnen de 13 weken termijn te registeren. Het Hof weegt hierin mee dat het verzoek om teruggaaf van belanghebbende is afgewezen omdat de auto’s niet overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEEG 1999, L138) waren ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; in het hoorgesprek over auto’s 1 en 2 (zie 2.4) is kennelijk besproken dat de auto’s op valse kentekens zijn gezet. Iedere informatie omtrent de geldige (latere) registratie van de auto’s in Polen ontbreekt in het dossier. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat ten aanzien van deze auto’s sprake was van overmacht die er toe heeft geleid dat de registratie van deze auto’s buiten de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden. Belanghebbende voldoet daarom ook niet aan de voorwaarden voor een teruggaaf op grond van het beleid dat de Belastingdienst wel hanteert.



4.12.
Op grond van het vorenstaande treft de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor teruggaaf van BPM doel.



4.13.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding voor immateriële schade te laag heeft vastgesteld. Volgens belanghebbende volgt uit het Unierecht dat belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding dan de door de Rechtbank gehanteerde vergoeding van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling. Belanghebbende kan aan het Unierecht geen recht op een hogere vergoeding aan immateriële schade ontlenen dan de vergoeding die de Rechtbank heeft vastgesteld.


Proceskosten in eerste aanleg



4.14.
De Inspecteur heeft aangevoerd dat, als het Hof beslist dat belanghebbende geen recht op teruggaaf van BPM heeft, de Rechtbank de proceskostenvergoeding te hoog heeft vastgesteld, en dat in dat geval de wegingsfactor van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding moet worden teruggebracht naar 0,5. Dit omdat het beroep van belanghebbende bij de Rechtbank dan ongegrond is en er alleen aanleiding is voor een vergoeding van de proceskosten wegens de toekenning van de immateriële schadevergoeding. Het hoger beroep van de Inspecteur slaagt op dit punt.



4.15.
Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld, overweegt het Hof dat de Rechtbank voor de hoogte van de proceskostenvergoeding terecht is uitgegaan van het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), en terecht heeft geoordeeld dat ook op grond van het Unierecht geen aanleiding bestond voor een hogere (integrale) vergoeding van de proceskosten voor het beroep in eerste aanleg. Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb voor een hogere vergoeding. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden. Het hoger beroep van belanghebbende slaagt niet op dit punt.



4.16.
Belanghebbende heeft voor het overige nog gronden van min of meer algemene aard aangevoerd over schendingen van het Unierecht, waaronder beweerdelijk onbevoegde uitleggingen van dat recht door de Hoge Raad, het Hof en de Rechtbank, en een vermeend recht op rente wegens in strijd met het Unierecht geheven belasting. Het Hof ziet geen aanleiding om op die gronden het hoger beroep van belanghebbende gegrond te achten. Het Hof merkt hierbij nog op dat, anders dan belanghebbende betoogt, het Hof in onderhavige zaak niet verplicht is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de toepassing van het Unierecht. Alleen de hoogste nationale rechter heeft op grond van artikel 267 VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Verder is bij belanghebbende geen sprake van in strijd met het Unierecht geheven belasting, zodat ook voor vergoeding van de door belanghebbende verzochte rente geen aanleiding is.


Vergoeding van immateriële schade in hoger beroep



4.17.
Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade gedaan wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hogerberoepschrift is op 9 juni 2023 ingediend en het Hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar met afgerond acht maanden is overschreden. Er bestaat daarom aanleiding voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade voor het hoger beroep van € 1.000. Ook voor wat betreft deze vergoeding geldt dat belanghebbende aan het Unierecht geen recht kan ontlenen op een hogere vergoeding. Nu de overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan het Hof, moet dit bedrag worden vergoed door de Staat.


Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.






5Griffierecht en proceskosten


5.1.
Het Hof is van oordeel dat geen aanleiding bestaat om het door belanghebbende betaalde griffierecht aan te laten vergoeden. Nu het Hof het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaart, bestaat eveneens geen aanleiding voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur.



5.2.
Het Hof veroordeelt de Inspecteur en de Staat tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof, omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen.



5.3.
Het Hof stelt deze vergoeding voor de beroepsfase vast op 1 punt (verzoekschrift) x € 934 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 467. Het Hof zal de Inspecteur en de Staat hiertoe veroordelen, waarbij zij ieder de helft van dit bedrag moeten vergoeden.



5.4.
Het Hof stelt deze vergoeding voor de hogerberoepsfase vast op 1 punt (verzoekschrift) x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 233,50. Het Hof zal de Staat hiertoe veroordelen.



5.5.
Ter zitting heeft belanghebbende nog aandacht gevraagd voor artikel 19a, vierde lid, van de Wet BPM, op grond waarvan de uitbetaling van de proceskostenvergoeding en de vergoeding van immateriële schade uitsluitend mag plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Belanghebbende acht deze bepaling in strijd met Unierecht. Het Hof is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding/immateriële schadevergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.






6Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de immateriële schadevergoeding en het griffierecht,
– bevestigt de uitspraken op bezwaar,
– veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50, en
– veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Harthoorn, voorzitter, mr. T.H.J. Verhagen en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.


De beslissing is op 10 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.


De griffier, De voorzitter,






(E.D. Postema) (M. Harthoorn)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917.


HvJ 2 februari 2023, C-676/21 Veronsaajien, ECLI:EU:C:2023:63


HvJ 17 mei 2023, C-105/22, P.M., ECLI:EU:C:2023:414


Zie onder meer HvJ 11 juli 2002, ECLI:EU:C:2002:435.


Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5.


Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5.


Vgl. Hoge Raad 9 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753.


Vgl. Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.
Link naar deze uitspraak