|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:520 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 11340166 CV EXPL 24-5448 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Eiser is een uitzend- en detacheringsbureau dat buitenlandse werknemers voor onder meer de bouwsector werft en tegen betaling ter beschikking stelt aan opdrachtgevers. Gedaagde is een van die opdrachtgevers. Verbintenissenrecht. Nakoming van betalingsverplichting; algemene voorwaarden van toepassing want gedaagde heeft redelijke mogelijkheid gekregen tot kennisneming; beroep op verrekening slaagt niet; goedkeuring van urenoverzichten via online portal door ander dan opdrachtgever in de gegeven omstandigheden toereikend. Tegenvordering tot vergoeding van schade die volgens eiser is ontstaan als gevolg van het inzetten van de ter beschikking gestelde arbeidskrachten is niet toewijsbaar, omdat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade is ontstaan als gevolg van fouten die zijn gemaakt door arbeidskrachten die Eiser aan Gedaagde ter beschikking heeft gesteld. Ook is de gestelde schade onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | tarieven | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11340166 \ CV EXPL 24-5448
Vonnis van 5 februari 2026
in de zaak van
DIT EN LAREX VAKPERSONEEL B.V.,
gevestigd te Deventer,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. R.J.H. van der Burgt,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden.
Partijen worden hierna aangeduid als DIT en [gedaagde] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;- de akte uitlaten tevens wijziging van eis aan de kant DIT;
- de akte uitlaten aan de kant van [gedaagde] ;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 7 tot en met 9 en met de aanvullende producties genummerd 10 tot en met 14;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 juli 2025 en de daaraan gehechte aantekeningen van de griffier;
- de akte uitlating proces-verbaal aan de kant van [gedaagde] met vier aanvullende producties genummerd 1 tot en met 4;
- de antwoordakte van DIT met aanvullende producties genummerd 15 tot en met 19.
1.2.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2De zaak in het kort
2.1.
DIT is een uitzend- en detacheringsbureau dat buitenlandse werknemers voor onder meer de bouwsector werft en tegen betaling ter beschikking stelt aan opdrachtgevers. [gedaagde] is een van die opdrachtgevers. Hij werkt via zijn eenmanszaak in de utiliteitsbouw. Voor die werkzaamheden leent [gedaagde] sinds februari 2023 bij DIT vakmensen, zoals loodgieters en elektriciens, in.
2.2.
DIT wil dat [gedaagde] de facturen betaalt die horen bij de inzet van twee specifieke loodgieters. [gedaagde] is het hier niet mee eens, omdat hij die facturen eerst had moeten goedkeuren en dat niet is gebeurd. Ook stelt [gedaagde] dat de algemene voorwaarden van DIT in deze zaak niet van toepassing zijn. Verder doet hij een beroep op verrekening. De verweren van [gedaagde] slagen niet. De vorderingen van DIT worden grotendeels toegewezen.
2.3.
[gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld. Volgens [gedaagde] is DIT tekortgeschoten, omdat zij niet de vakbekwame arbeidskrachten aan [gedaagde] heeft geleverd die hij mocht verwachten. [gedaagde] wil dat DIT aan hem een bedrag aan schadevergoeding betaalt, omdat het inzetten van door [gedaagde] van aan hem ter beschikking gestelde arbeidskrachten heeft geleid tot aanzienlijke schade. DIT wijst de aansprakelijkheid van de hand. De kantonrechter wijst de tegenvorderingen van [gedaagde] af.
2.4.
Hierna legt de kantonrechter uit waarom het gelijk in deze zaak grotendeels bij DIT ligt.
3De beoordeling
3.1.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie (tegenvorderingen) zullen deze vorderingen hierna gezamenlijk worden besproken.
3.2.
In opdracht van [gedaagde] heeft DIT vanaf mei 2023 twee ‘allround loodgieters’ aan [gedaagde] ter beschikking gesteld. Het gaat om de heren [loodgieter 1] en [loodgieter 2] (hierna: de twee loodgieters). In de bijbehorende inleenovereenkomsten is de afspraak vastgelegd dat [gedaagde] voor ieder van hen het overeengekomen opdrachtgeverstarief per gewerkt uur betaalt. [gedaagde] heeft de facturen die horen bij werkzaamheden van de twee loodgieters in de laatste maanden van 2023 niet voldaan.
De algemene voorwaarden van DIT zijn van toepassing
3.3.
Een belangrijk onderdeel van de discussie tussen partijen is de vraag of de algemene voorwaarden van DIT van toepassing zijn op de inleenovereenkomsten met [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is dat niet zo, omdat deze algemene voorwaarden niet aan hem ter hand zijn gesteld. Dit meest verstrekkende verweer van [gedaagde] moet als eerste worden beoordeeld.
3.4.
De kantonrechter oordeelt dat de algemene voorwaarden van DIT in deze zaak van toepassing zijn. DIT moet [gedaagde] namelijk op grond van de wet een redelijke mogelijkheid bieden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Daarbij is het aan DIT om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij die mogelijkheid heeft geboden althans dat zij de algemene voorwaarden aan [gedaagde] ter hand heeft gesteld. DIT is hierin geslaagd.
3.5.
DIT heeft onderbouwd gesteld dat in de inleenovereenkomsten voor de twee loodgieters – en ook in eerdere met [gedaagde] gesloten inleenovereenkomsten – staat dat haar algemene voorwaarden van toepassing zijn op die inleenovereenkomst met daarbij een link naar de digitale versie van de algemene voorwaarden en de mogelijkheid om dat document op te slaan voor latere kennisneming.
3.6.
Voor het versturen van de inleenovereenkomst en andere zakelijke documenten zoals urenoverzichten en facturen maakt DIT gebruik van een online portal. Het betoog van [gedaagde] dat hij niet of nauwelijks toegang had tot de portal van DIT baat hem niet. Onweersproken is namelijk dat DIT bij het begin van de samenwerking, in februari 2023, voor [gedaagde] een portal heeft aangemaakt en de bijbehorende inloggegevens aan hem heeft verstrekt. [gedaagde] is ook actief geweest in de portal. Dat blijkt uit het feit dat [gedaagde] op 28 februari 2023 om 01:29 uur gewerkte uren van 22 februari 2023 heeft goedgekeurd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de kantonrechter de stelling van [gedaagde] dat het aan het begin van de samenwerking voor [gedaagde] niet of nauwelijks mogelijk was om de portal te gebruiken zodat de algemene voorwaarden niet aan hem ter hand zijn gesteld, niet volgen.
3.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] ook verklaard dat hem niet is verteld dat de inleenovereenkomst in de portal staat. In de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter onaannemelijk dat [gedaagde] niet zou hebben geweten dat de inleenovereenkomst en de bijbehorende documenten in de portal te vinden zijn. Uit het feit dat DIT op enig moment per e-mail facturen heeft verzonden naar [gedaagde] - omdat hij had aangegeven dat hij niet in de portal kon - maakt de kantonrechter namelijk op dat voor [gedaagde] duidelijk was dat documenten over het inlenen van arbeidskrachten via de portal voor hem toegankelijk waren. Daar komt bij dat van [gedaagde] als opdrachtgever mag worden verwacht dat hij, na ontvangst van de inloggegevens van de portal, kennis neemt van de inhoud daarvan en dat het voor zijn risico komt als hij dat niet doet. Bovendien is [gedaagde] kort na het aangaan van de eerste inleenovereenkomst(en) actief is geweest in de portal.
3.8.
Verder heeft DIT een e-mail van haar aan [gedaagde] van 31 maart 2023 overgelegd. Daarin is [gedaagde] gewezen op de algemene voorwaarden. Die e-mail bevatte ook een link naar de digitale versie van de algemene voorwaarden en de mogelijkheid om dat document op te slaan voor latere kennisneming.
3.9.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat in voldoende mate vast staat dat [gedaagde] een redelijke mogelijkheid heeft gehad om bij het aangaan van de overeenkomst kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Dit maakt dat de algemene voorwaarden van DIT van toepassing zijn.
De vordering tot betaling van openstaande facturen
3.10.
DIT vordert betaling van een bedrag aan hoofdsom van in totaal € 20.544,25, vermeerderd met rente en kosten. Volgens DIT is [gedaagde] dit bedrag verschuldigd voor de uren dat de twee loodgieters in de maanden november en december 2023 werkzaamheden hebben verricht voor de onderneming van [gedaagde] . [gedaagde] heeft de onderliggende facturen niet betwist. Dit betekent dat [gedaagde] het bijbehorende bedrag aan opdrachtgeverstarief alsnog moet betalen. Dat is anders als het verweer van [gedaagde] slaagt.
Het verweer ten aanzien van de urenoverzichten en het gebruik van de portal slaagt niet
3.11.
Volgens [gedaagde] is hij niet gehouden om het door DIT gevorderde bedrag voor de werkzaamheden van de twee loodgieters te betalen, omdat hij de facturen die ten grondslag liggen aan die vordering niet heeft goedgekeurd. Dit verweer slaagt niet.
3.12.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de termijnen voor het goedkeuren van de urenoverzichten die horen bij de facturen waarop DIT haar vordering baseert, ongebruikt heeft laten verstrijken. Onbetwist is namelijk dat [gedaagde] die urenoverzichten niet heeft geaccordeerd en ook niet heeft afgewezen, terwijl het op grond van de tussen partijen geldende afspraken wel aan hem was om dat te doen.
3.13.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft DIT onweersproken verklaard dat - in geval van het uitblijven van een reactie van de opdrachtgever - een medewerker van DIT de urenoverzichten accordeert. Vervolgens ontvangt de opdrachtgever een factuur op basis van die urenoverzichten. De opdrachtgever heeft in dat geval wel de mogelijkheid om binnen 8 dagen alsnog protest aan te tekenen tegen de facturen of de onderliggende urenoverzichten.
3.14.
[gedaagde] heeft de facturen die DIT ten grondslag legt aan haar vorderingen ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om terug te komen op deze facturen of de onderliggende urenoverzichten voor de werkzaamheden die de twee loodgieters hebben verricht. Dat de correspondentie met (de accountmanager van) DIT vanwege problemen met de portal volgens [gedaagde] enkel verliep via WhatsApp of e-mail maakt dit niet anders. Uit de overgelegde WhatsApp-berichten en e-mails en de toelichting daarop volgt namelijk niet dat [gedaagde] heeft willen terugkomen op de facturen of overzichten van de uren die de twee loodgieters in november en december 2023 hebben gewerkt. Ook is niet gebleken dat [gedaagde] heeft geklaagd over de gebrekkige kwaliteit van de werkzaamheden die door deze twee loodgieters zijn verricht. Integendeel, uit een door DIT als productie 7 overgelegd bericht van [gedaagde] aan een accountmanager van DIT blijkt dat [gedaagde] juist over hen wel tevreden was. [gedaagde] heeft dit niet ontkend.
3.15.
Dat [gedaagde] op een later moment problemen heeft ondervonden bij het gebruik van de portal is overigens ook niet gebleken. [gedaagde] heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd met stukken en ook heeft hij niets ingebracht tegen de gemotiveerde betwisting van de problemen door DIT.
3.16.
Het is dus aan [gedaagde] te wijten dat de onderliggende urenoverzichten, en daarmee de facturen die ten grondslag liggen aan de vordering van DIT, niet door hem zijn goedgekeurd. Dit betekent dat het feit dat een medewerker van DIT in plaats van [gedaagde] de urenoverzichten heeft geaccordeerd in de gegeven omstandigheden niet in de weg staat aan de verplichting van [gedaagde] om de bijbehorende facturen te betalen. De vordering van DIT tot betaling van € 20.544,25 is toewijsbaar.
Het beroep op verrekening slaagt niet, want de tegenvorderingen zijn niet toewijsbaar
3.17.
[gedaagde] heeft bij akte uitlating proces-verbaal aanvullend een beroep gedaan op verrekening voor de situatie waarin de vordering van DIT (in conventie) geheel of gedeeltelijk zou worden toegewezen. In dit kader heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij een tegenvordering heeft op DIT. Hierna beoordeelt de kantonrechter eerst de tegenvordering en daarna het beroep op verrekening.
3.18.
Tussen partijen is niet in geschil dat een aantal geleverde arbeidskrachten niet voldeed aan de wensen en kwaliteitseisen van [gedaagde] . De tegenvordering van [gedaagde] heeft te maken met de gestelde onbekwaamheid van door DIT geleverde arbeidskrachten. [gedaagde] stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het ondeugdelijk uitvoeren van de werkzaamheden door ingeleende arbeidskrachten. [gedaagde] wil dat DIT deze schade aan hem vergoedt. DIT heeft toegelicht dat en waarom zij het hier niet mee eens is.
3.19.
[gedaagde] baseert zijn vordering tot schadevergoeding primair op wanprestatie en subsidiair op onrechtmatige daad. De kantonrechter is van oordeel dat DIT geen vergoeding hoeft te betalen voor de schade die [gedaagde] stelt te hebben geleden, omdat niet kan worden vastgesteld dat de schade het gevolg is van fouten van de door DIT ter beschikking gestelde arbeidskrachten en omdat [gedaagde] deze schade onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. Hierna legt de kantonrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
- over het vakmanschap dat [gedaagde] mocht verwachten
3.20.
Op basis van de stukken en dat wat DIT tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, stelt de kantonrechter vast dat de kernactiviteit van DIT is: het op inleen- of detacheringsbasis leveren van de beste vakmannen die geschikt zijn voor uitdagende projecten in de sectoren Techniek, Bouw, Metaalindustrie en in de Schildersbranche. Gelet op het beloofde vakmanschap en mede in het licht van het niet-geringe bedrag dat [gedaagde] per gewerkt uur betaalt voor een arbeidskracht, mag [gedaagde] verwachten dat kwalitatief hoogstaand personeel ter beschikking wordt gesteld dat in staat is de door hem opgedragen werkzaamheden zelfstandig en deugdelijk uit te voeren.
3.21.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] nader toegelicht dat een aantal ingeleende arbeidskrachten niet kwalificeert als vakmannen, omdat deze arbeidskrachten niet voldoen aan de kwaliteitseisen voor de technische werkzaamheden waarvoor [gedaagde] hen inleende. DIT heeft dat aanvankelijk niet weersproken.
3.22.
Volgens [gedaagde] heeft de inzet van onbekwame vakmannen geleid tot schade bij zijn opdrachtgevers, voor welke schade [gedaagde] aansprakelijk is gesteld. Ter onderbouwing van het gebrek aan vakmanschap bij de arbeidskrachten heeft [gedaagde] een aantal ernstige gebleken gebreken opgesomd. [gedaagde] heeft daarbij foto’s overlegd. Op die foto’s zijn onder meer elektriciteitsaansluitingen te zien en een aanzienlijke lekkage. DIT heeft gemotiveerd betwist dat zij aansprakelijk is voor de gestelde schade. Ook heeft DIT bij akte uitlating proces-verbaal naar voren gebracht dat een van de specifieke elektriciens waarover [gedaagde] zijn onvrede heeft geuit, vakkundig en gekwalificeerd is voor de werkzaamheden. Verder heeft zij betwist dat haar arbeidskrachten geen goed werk hebben afgeleverd en dat de schade is ontstaan door de arbeidskrachten.
3.23.
De kantonrechter verwerpt het betoog van DIT dat zij in dit geval niet kan worden aangesproken tot vergoeding van schade die ontstaat doordat de arbeidskracht niet blijkt te beschikken over de benodigde kwaliteitseisen. Daarbij is het volgende van belang. Partijen hebben afgesproken dat de leiding over en het toezicht op de arbeidskracht tot de verantwoordelijkheden van [gedaagde] als inlener behoren. Ook is het aan [gedaagde] om de arbeidskracht instructies te (laten) geven over veiligheid op de werkplek en hem daarin te (laten) begeleiden. Bij deze afspraken past naar het oordeel van de kantonrechter dat het eindresultaat van de inspanningen van de arbeidskracht voor oplevering moet worden gecontroleerd. Daarbij past niet dat [gedaagde] als inlener ook de verschillende onderdelen van de werkzaamheden tussentijds moet (laten) controleren, zodat onaf of ondeugdelijk werk tijdig wordt opgemerkt en schade zoveel als mogelijk wordt voorkomen. Ook hoeft [gedaagde] niet te verwachten dat het nodig is om in hoge mate toezicht te (laten) houden op de arbeidskrachten, in die zin dat hen wordt verteld hoe zij bepaalde werkzaamheden zouden moeten uitvoeren om zo te waarborgen dat zij de aan hen opgedragen werkzaamheden daadwerkelijk en naar behoren uitvoeren. Verder past bij het inlenen van ‘vakmannen die geschikt zijn voor uitdagende projecten’ niet de werkwijze van DIT waarbij naar eigen zeggen geldt: ‘als de arbeidskracht niet voldoet aan de functievereisten dan moet de opdrachtgever dat kenbaar maken, zodat DIT een andere arbeidskracht kan inzetten’.
3.24.
Zonder nadere toelichting van DIT, die ontbreekt, en in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] kan de kantonrechter niet vaststellen dat het aan noodzakelijke begeleiding van de arbeidskrachten tijdens projecten, door of vanwege [gedaagde] heeft ontbroken. Dit verweer kan DIT dus niet baten.
3.25.
Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat DIT is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichting tot het leveren van vakbekwame arbeidskrachten. Voor een aantal arbeidskrachten (waaronder elektriciens) die [gedaagde] heeft ingeleend, geldt dat zij niet kwalificeren als vakmannen omdat verschillende technische mankementen en brandveiligheidsrisico’s zijn ontstaan bij het verrichten van hun werkzaamheden.
- geen recht op schadevergoeding, want causaal verband en schade staan niet vast
3.26.
Toch betekent het voorgaande niet dat de tegenvordering van [gedaagde] toewijsbaar is. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van de schade die een ander lijdt als gevolg van een tekortkoming (en voor zover die in dit geval te wijten is aan de schuld van DIT of om een andere reden voor haar rekening komt) is namelijk ook vereist dat er een causaal verband is tussen de tekortkoming aan de kant van DIT en de ingetreden schade aan de kant van [gedaagde] en dat de schade voldoende concreet en onderbouwd is.
3.27.
Op basis van de overgelegde stukken en dat wat partijen tijdens de mondelinge behandeling en in de nadere akten naar voren hebben gebracht, kan de kantonrechter niet vaststellen dat (een deel van) de schade die [gedaagde] stelt te hebben geleden is ontstaan als gevolg van fouten die zijn gemaakt door arbeidskrachten die DIT aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld. Zo heeft [gedaagde] niet toegelicht en is ook anderszins onduidelijk gebleven welke arbeidskracht op welk project heeft gewerkt; of de betreffende arbeidskracht alleen of met anderen werkte; wat de specifieke opdracht aan de arbeidskracht was; waarin de gestelde fouten precies zijn gelegen; in hoeverre die fouten niet eerder ontdekt konden of hadden moeten worden en ook niet welke schade is ontstaan door specifieke, gebrekkige werkzaamheden van welke arbeidskracht.
3.28.
Daar komt bij dat niet duidelijk is geworden welke schade [gedaagde] heeft geleden. [gedaagde] heeft de gestelde schade namelijk onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Zo is niet uitgekristalliseerd uit welke posten de schade bestaat en wat daarvan de omvang is. Uit de overgelegde e-mail van een opdrachtgever van [gedaagde] blijkt weliswaar dat een bedrag van € 30.000,00 nodig zou zijn voor het aanpassen en herstellen van verschillende elektrische installaties, maar die e-mail is niet toereikend, omdat hieruit niet blijkt dat dit bedrag in rekening is gebracht bij [gedaagde] . Ook uit de overgelegde schermafbeelding met een overzicht van een ‘totaalclaim op [bedrijfsnaam gedaagde] ’ blijkt niet dat [gedaagde] voor een bedrag van in totaal € 164.000,00 aansprakelijk is gesteld door een van zijn opdrachtgevers, althans dat zijn schade dit bedrag omvat.
3.29.
Het voorgaande betekent dat de tegenvordering van [gedaagde] tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding niet toewijsbaar is. Gelet daarop zullen ook de vorderingen van [gedaagde] met betrekking tot de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
3.30.
Dat wat partijen verder nog hebben aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.
3.31.
De slotsom is dat [gedaagde] geen vordering heeft op DIT en dat hij dus op grond van de wet niet bevoegd is om te verrekenen. Het beroep op verrekening slaagt dus niet.
[gedaagde] is een bedrag aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd
3.32.
DIT vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is gebaseerd op een bepaling in de algemene voorwaarden bij de inleenovereenkomsten. Dit bedrag wijkt af van het tarief dat is genoemd in de wettelijke regeling. [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat van de wettelijke regeling mag worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
3.33.
De door DIT gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Het gevorderde bedrag is echter hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. In het onderhavige geval ziet de kantonrechter aanleiding om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv te matigen. Daarbij weegt mee dat de gestelde buitengerechtelijke incassowerkzaamheden deels zien op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden. Verder kunnen de aard en de omvang van de gestelde herinneringen en aanmaningen als buitengerechtelijke werkzaamheden de toewijzing van de gevorderde vergoeding niet rechtvaardigen. De vordering wordt daarom gematigd toegewezen, en wel tot het in het Rapport Voorwerk II gehanteerde, en door de kantonrechter redelijk geachte tarief, zijnde € 980,44.
3.34.
Na incasso heeft [gedaagde] alsnog een bedrag van € 2.406,54 betaald. Dit bedrag strekt primair in mindering van de kosten. Gelet op de hiervoor onder nummer 3.33. vastgestelde hoogte van het toewijsbare bedrag aan buitengerechtelijke kosten en het bedrag dat [gedaagde] na incasso heeft betaald, stelt de kantonrechter vast dat geen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten meer openstaat. Die vordering is niet toewijsbaar.
[gedaagde] moet de contractuele rente over de hoofdsom betalen
3.35.
[gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde contractuele rente van een bedrag van € 1.826,76 over de (restant)hoofdsom, gerekend vanaf de vervaldag van de facturen tot en met 7 september 2024. Deze vordering is dus in principe toewijsbaar.
3.36.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft [gedaagde] na incasso een bedrag betaald. Dit bedrag strekt, na mindering van het bedrag aan buitengerechtelijke kosten, in mindering van de verschenen rente. Het gaat, na aftrek van het bedrag aan buitengerechtelijke kosten, om een bedrag van € 1.426,10 (namelijk: € 2.406,54 - € 980,44). Het gevolg van het in mindering brengen van dit bedrag op de verschenen rente is dat nog een bedrag van € 400,66 euro openstaat aan contractuele rente over de periode tot en met 7 september 2024. De vordering tot betaling van de verschenen rente is toewijsbaar tot dit bedrag.
3.37.
DIT vordert daarnaast ook de contractuele rente van 1% per maand over de (restant)hoofdsom, gerekend vanaf 9 september 2024 tot de dag van volledige betaling. Deze vordering is ook toewijsbaar, omdat [gedaagde] daartegen geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd. Deze vordering wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in conventie
3.38.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter stelt de proceskosten van DIT tot vandaag vast op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
1.409,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.810,37
3.39.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in reconventie (tegenvordering)
3.40.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt de proceskosten van DIT vast op € 1.515,00 (1,5 punten × € 1.010,00) als bijdrage in het salaris van de gemachtigde.
3.41.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De beslissing
De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DIT te betalen een bedrag van € 20.544,25 aan hoofdsom, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 1% per maand over dit bedrag, met ingang van 9 september 2024 tot de dag van betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan DIT te betalen een bedrag van € 400,66 aan verschenen contractuele rente over de periode tot en met 7 september 2024;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de kant van DIT tot vandaag vastgesteld op € 2.810,35;
in reconventie
4.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de kant van DIT tot vandaag vastgesteld op € 1.515,00;
in conventie en in reconventie
4.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de explootkosten in geval van betekening van het vonnis;
4.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, gerekend vanaf de 15e dag na betekening van het vonnis tot de dag van betaling;
4.8.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken mr. A. Wijsman-van Veen op 5 februari 2026.
Artikel 6:233 aanhef en onder b en 6:234 leden 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek.
HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394.
Productie 13 aan de kant van DIT.
Die afspraken volgen onder meer uit de artikelen 4.1, 4.2 en 4.5 van de algemene voorwaarden.
Artikel 5.3 van de algemene voorwaarden.
Artikel 6:44 lid 1 BW.
Artikel 6:44 lid 1 BW. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|