Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:1007 
 
Datum uitspraak:12-02-2026
Datum gepubliceerd:24-02-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 23_6751 Tus
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Tussenuitspraak. Aanvraag Wajong-uitkering afgewezen. In beroep is een gewijzigd besluit op bezwaar genomen. Daarbij is de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, maar op een andere grondslag, namelijk dat eiseres op haar 18e verjaardag geen ingezetene was van Nederland. De rechtbank oordeelt dat het UWV hiermee handelt in strijd met de goede procesorde want het UWV heeft deze grondslag eerder bewust en ondubbelzinnig prijsgegeven. Het UWV moet de Wajong-aanvraag van eiseres opnieuw beoordelen waarbij er van moet worden uitgegaan dat eiseres op haar 18e verjaardag ingezetene was.
Trefwoorden:ingezetene
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 23/6751 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats 1], eiseres
(gemachtigde: mr. I. Amghar),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).




Procesverloop

1. Bij besluit van 23 november 2022 heeft het UWV de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.


1.1.
In het besluit van 5 september 2023 (bestreden besluit I) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 november 2022 ongegrond verklaard.



1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.



1.3.
Op 23 mei 2025 heeft het UWV een gewijzigd bestreden besluit genomen (het bestreden besluit II). Het UWV heeft de aanvraag van eiseres in volle omvang beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 1a van de Wajong 2015. Het UWV blijft bij de afwijzing van de aanvraag maar dan op de grondslag dat eiseres op haar 18e verjaardag geen ingezetene was.



1.4.
Eiseres heeft hier op gereageerd. Na nadere vraagstelling van de rechtbank heeft ook het UWV gereageerd.



1.5.
De rechtbank doet deze tussenuitspraak zonder zitting en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:80b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




Overwegingen


Beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk

1. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit II niet (geheel) tegemoet komt aan het beroep van eiseres. Daarom wordt het beroep op grond van artikel 6:19 van de Awb geacht mede gericht te zijn tegen het bestreden besluit II. Gesteld noch gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit I, zodat het beroep voor zover het gericht is tegen dat besluit, in de einduitspraak niet-ontvankelijk zal worden verklaard.


Totstandkoming van het bestreden besluit II

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1983. Zij is in het voorjaar van 2001, samen met haar
broer en haar twee kinderen, vanuit haar land van herkomst, Angola, in Nederland aangekomen en heeft op enig moment verbleven in het opvangcentrum in [plaats 2]. Vanaf 28 november 2001 verbleef zij in het asielzoekerscentrum (AZC) in [plaats 3]. Vanaf 30 januari 2006 verbleef zij in een woning van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) [plaats 1]. Eiseres heeft vanaf haar vierde levensjaar (1987) mogelijk polio als gevolg waarvan zij (deels) blijvende beperkingen heeft. Ook heeft zij klachten als gevolg van (kyfo)scoliose.


2.1.
Op 4 november 2008 heeft het UWV van eiseres een aanvraag ontvangen voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 11 december 2008 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen. Aan deze afwijzing heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres op 13 maart 2001, toen zij zich op 17 jarige leeftijd in Nederland vestigde en zij verzekerd werd voor de Wajong, al arbeidsongeschikt was. Op grond van de oude Wajong mag het UWV dan de arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laten. Eiseres valt volgens het UWV, gelet op het moment waarop zij in Nederland is komen wonen, niet onder de uitzondering voor jonggehandicapten die gedurende zes jaar onmiddellijk voorafgaande aan hun zeventiende verjaardag in Nederland hebben gewoond (de zes-jaren eis). Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een Wajong-uitkering. Eiseres heeft tegen deze beslissing geen bezwaar gemaakt waarmee deze onherroepelijk is geworden.



2.2.
Op 12 april 2021 heeft eiseres opnieuw een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Een verzekeringsarts heeft een medisch onderzoek verricht, vastgelegd in een rapport van 22 november 2022. In dat rapport staat onder meer dat eiseres sinds 13 maart 2001 in Nederland woont en zij op haar 18e jaar ingezetene was. Bij het primaire besluit van 23 november 2022 heeft het UWV de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat volgens de verzekeringsarts aan de hand van de door eiseres aangeleverde (medische) gegevens de mate van haar beperkingen op haar 18e jaar (deels) niet meer is vast te stellen. Dit is beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 1a van de Wajong 2015.



2.3.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit I heeft het UWV de afwijzing van de aanvraag van eiseres gehandhaafd maar onder een aangepaste motivering. Het UWV heeft de aanvraag beoordeeld als een herhaalde aanvraag en daarbij het beoordelingskader van de oude Wajong toegepast.



2.4.
In beroep heeft het UWV aangegeven dat dit beoordelingskader niet juist is en heeft hij het (gewijzigde) bestreden besluit II genomen zoals vermeld onder 1.3. De afwijzing van de aanvraag van eiseres heeft het UWV nu gebaseerd op het standpunt dat eiseres op haar 18e verjaardag geen ingezetene was van Nederland en om die reden niet voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering.


Heeft het UWV het bestreden besluit II mogen baseren op de gewijzigde grondslag van het niet zijn van ingezetene?

4. Volgens het UWV was eiseres op haar 18e verjaardag geen ingezetene van Nederland. Het UWV baseert dit op het volgende. Het UWV gaat, gelet op de medische informatie van 27 november 2001, uit van de datum van 2 april 2001 als zijnde de datum dat eiseres in Nederland is aangekomen. Volgens het UWV is er geen steun in de stukken voor het standpunt van de verzekeringsarts dat eiseres op 13 maart 2001 in Nederland is aangekomen. Volgens het UWV komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Op de 18e verjaardag van eiseres was die er nog niet volgens het UWV, gelet op waar eiseres toen heeft verbleven. Ook als het UWV uitgaat van de datum van aankomst van 13 maart 2001 verbleef eiseres nog maar zeer kort in Nederland op haar 18e verjaardag. Ook weegt het UWV mee dat eiseres op haar 18e verjaardag geen duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte had maar in een opvangcentrum verbleef. Zij had op dat moment geen werk, was niet maatschappelijk actief en nog niet aangemeld voor een inburgeringscursus.



4.1.
Eiseres voert ten eerste aan dat het UWV met het hanteren van de gewijzigde grondslag voor de afwijzing van haar aanvraag handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Het UWV heeft zich zowel in het besluit van 11 december 2008 als in het besluit op bezwaar van 5 september 2023 expliciet op het standpunt gesteld dat eiseres zich op haar 17e in Nederland heeft gevestigd en daarmee ingezetene van Nederland is geworden. Eiseres heeft op dit standpunt mogen vertrouwen. Het UWV mag hier nu niet op terugkomen.



4.2.
Naar aanleiding van deze beroepsgrond heeft de rechtbank het UWV ook gevraagd hoe de gewijzigde grondslag zich verhoudt tot de vaste jurisprudentie dat een bestuursorgaan handelt in strijd met de goede procesorde als het de grondslag van een besluit vervangt door een grondslag die het in een eerdere fase van de procedure bewust en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op de door eiseres genoemde besluiten en op het feit dat het primaire besluit van 23 november 2022 verwijst naar het rapport van de verzekeringsarts van 22 november 2022, waarin er ook van is uitgegaan dat eiseres op haar 18e jaar ingezetene was.



4.3.
Het UWV heeft hier op gereageerd dat geen sprake is van een grondslag die in een eerdere fase van de procedure bewust en ondubbelzinnig is prijsgegeven. De beoordeling of eiseres al dan niet ingezetene was, heeft namelijk niet eerder ter discussie gestaan, zodat dit standpunt eerder ook niet bewust en ondubbelzinnig is prijsgegeven. Bovendien gaat het om het schriftelijk herhalen van een eerder ingenomen standpunt, zoals in het voorgenomen besluit op bezwaar van 19 juli 2023 is gedaan. Dat is niet gelijk te stellen met het prijsgeven van een eerder ingenomen standpunt. In beroep is namelijk gebleken dat er destijds in 2008 geen onderzoek is gedaan naar het ingezetenschap, maar dat er is uitgegaan van de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP). Ook bij de beoordeling in 2022 is dit niet gedaan, maar is dit herhaald uit de eerdere beslissing. De inschrijving in de BRP is onvoldoende voor het aannemen van ingezetenschap, omdat niet blijkt dat daaraan een beoordeling van de feiten en omstandigheden met betrekking tot ingezetenschap vooraf is gegaan. Ook staat volgens het UWV de mededeling in het voorgenomen besluit op bezwaar het gewijzigde standpunt over het ingezetenschap niet in de weg omdat het relevante recht is gewijzigd, zodat het UWV in de beroepsfase alsnog een volledige beoordeling op grond van de Wajong 2015 heeft uitgevoerd. Daarbij is het UWV niet gehouden om eerdere mededelingen over relevante voorwaarden onveranderd over te nemen.
En ook als wel sprake is van het prijsgeven van een standpunt, dan heeft het UWV alsnog de mogelijkheid om hiervan terug te komen. Dit heeft de CRvB namelijk ook in hoger beroep toegestaan in de uitspraak van 20 augustus 2025, waarbij het ging om het bepalen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de daarmee samenhangende relevante periode. Dit, ondanks dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder in de beroepsfase anders was bepaald en ter zitting in de beroepsfase door het UWV niet uitdrukkelijk was weersproken, aldus het UWV.



4.4.
De rechtbank volgt het UWV hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het bestreden besluit II wel gebaseerd heeft op een grondslag die het UWV in een eerdere fase van de procedure bewust en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Het UWV heeft niet alleen in het besluit van 11 december 2008 ondubbelzinnig medegedeeld dat eiseres zich op 13 maart 2001, toen zij 17 jaar was, in Nederland heeft gevestigd en toen verzekerd werd voor de Wajong, maar heeft dit standpunt vervolgens verschillende keren herhaald. Ook in het rapport van de verzekeringsarts van 22 november 2022 is dit zo vermeld, alsook dat eiseres daarmee op haar 18e jaar ingezetene was. Op dit rapport is vervolgens het primaire besluit van 23 november 2022 gebaseerd. Daarna is ook in het voorgenomen besluit op bezwaar van 19 juli 2023 weergegeven dat eiseres zich op haar 17e in Nederland heeft gevestigd, waarmee zij ingezetene is geworden en verzekerd is geraakt voor de Wajong, net als in het bestreden besluit I. Dat een grondslag alleen bewust en ondubbelzinnig kan worden prijsgegeven als het eerder ter discussie heeft gestaan in een bezwaar- en/of beroepsprocedure volgt de rechtbank niet. In dit geval is het UWV er telkens, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig, van uitgegaan dat eiseres op haar 17e (en 18e) jaar ingezetene was, waarmee er voor eiseres geen reden bestond om dat ter discussie te stellen. Dat het slechts gaat om het schriftelijk herhalen van een eerder ingenomen standpunt volgt de rechtbank ook niet. Dat daar sprake van is blijkt ook niet uit het rapport van de verzekeringsarts van 22 november 2022 en ook niet uit het voorgenomen besluit op bezwaar van 19 juli 2023 en het bestreden besluit I. Daarin wordt telkens aangegeven dat eiseres zich op haar 17e in Nederland heeft gevestigd en daarmee ingezetene is geworden en verzekerd is geraakt voor de Wajong. Verder heeft het UWV gesteld dat in beroep is gebleken dat er in 2008 en 2022 geen onderzoek is gedaan naar het ingezetenschap, maar is uitgegaan van de BRP-inschrijving. Dat dit onderzoek destijds niet is gedaan, maar alleen is uitgegaan van de BRP-inschrijving, is verder echter niet door het UWV toegelicht of onderbouwd en kan de rechtbank ook niet uit de stukken afleiden. Volgens het UWV is dat onderzoek nu, in beroep, wel gedaan, waarvoor het UWV wijst naar de medische informatie van 27 november 2001. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat die medische informatie zich ook eerder al bij de stukken bevond. Bovendien komt de datum waar eerder van is uitgegaan als zijnde de datum van vestiging van eiseres in Nederland, 13 maart 2001, meer overeen met de datum van eerste aantekening (21 maart) op de medische informatie van 27 november 2001, dan de datum van 2 april 2001 die bovenaan die informatie is vermeld en waarvan het UWV nu uitgaat als datum van vestiging van eiseres in Nederland.
De rechtbank volgt het UWV ook niet in de stelling dat hij een gewijzigd standpunt heeft mogen innemen omdat het UWV in beroep alsnog een volledige beoordeling op grond van de Wajong 2015 heeft uitgevoerd. Dat heeft het UWV immers ook gedaan bij het primaire besluit van 23 november 2022 dat is gegrond op het rapport van de verzekeringsarts van 22 november 2022, waarbij ook het standpunt is ingenomen dat eiseres zich op haar 17e heeft gevestigd in Nederland en dus ingezetene was op haar 18e jaar. Bovendien heeft ook in 2008 een inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden op het ingezetenschap.
Tot slot gaat de vergelijking met de uitspraak van de CRvB van 20 augustus 2025 niet op, omdat het daar ging om de vaststelling van de - voor het recht op een Wajong-uitkering -relevante te beoordelen periode. Dat is in het onderhavige geval niet zo.



4.5.
Gelet op het voorgaande heeft het UWV in strijd met de goede procesorde gehandeld door bij het bestreden besluit II de Wajong-aanvraag van eiseres af te wijzen op de grondslag dat zij op haar 18e verjaardag geen ingezetene was van Nederland.

5. Dat betekent dat het bestreden besluit II op een onjuiste grondslag is gebaseerd. De Wajong-aanvraag had naar het oordeel van de rechtbank niet afgewezen mogen worden op de grondslag dat eiseres op haar 18e verjaardag geen ingezetene was. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV de Wajong-aanvraag van eiseres opnieuw beoordelen waarbij er van moet worden uitgegaan dat zij op haar 18e verjaardag ingezetene was. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

6. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.






Beslissing

De rechtbank:
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:








Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Dit betreft een aanvraag onder de zogenaamde oude Wajong, van vóór 2010.


Zie noot 1.


Deze aanvraag is een aanvraag onder de Wajong 2015.


Artikel 1a:1 van de Wajong 2015.


Het UWV verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.


Het UWV verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 30 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2233.


Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 20 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2587 en 20 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1295.


Het UWV verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 30 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2233.


ECLI:NL:CRVB:2025:1282.
Link naar deze uitspraak