Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:1008 
 
Datum uitspraak:17-02-2026
Datum gepubliceerd:24-02-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:24/80
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:BPM. Vermindering (afschrijving).
Trefwoorden:bpm
naheffingsaanslag
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/80
uitspraakdatum: 17 februari 2026


Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 december 2023, nummer ARN 22/5076 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur)





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 11.560.



1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft een nader stuk ingediend.



1.5
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn [naam1] en mr. [naam2] verschenen.






2Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Audi (Q7 4.0 TDI S07; hierna: de auto) een bedrag van € 3.053 aan BPM op aangifte voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 19 maart 2018. De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 1 december 2021 plaatsgevonden.




2.2.
Belanghebbende heeft in zijn op 19 november 2021 ingediende aangifte BPM de gehanteerde vermindering (afschrijving) berekend aan de hand van een door [naam3] van [bedrijfsnaam] op 12 november 2021 opgesteld taxatierapport. Daarin is op basis van de zogenoemde herleidingsmethode de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 11.000. Verder is in het rapport een schade aan de auto vermeld van (bruto) € 5.025.



2.3.
Belanghebbende heeft de auto op 1 december 2021 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 3 december 2021 een rapport opgesteld. DRZ heeft geen (meer dan normale gebruiks)schade vastgesteld. De handelsinkoopwaarde van de auto heeft DRZ op basis van een koerslijst van Autotelexpro bepaald op € 57.369 en de historische nieuwprijs op € 149.155. De bruto BPM beloopt een bedrag van € 40.877.



2.4.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 11.560 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is een extra leeftijdskorting van € 1.108 in aanmerking genomen.



2.5.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag vergeefs bezwaar en beroep aangetekend.






3Geschil

In hoger beroep is in geschil of de door belanghebbende verschuldigde BPM kan worden berekend op basis van de zogenoemde herleidingsmethode. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende subsidiair het standpunt ingenomen dat een bedrag van € 10.730 moet worden verrekend met het bedrag van naheffing van € 11.560.





4Beoordeling van het geschil


Herleidingsmethode


4.1.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de naheffingsaanslag op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moet worden vernietigd. Gelet op HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134, faalt dit betoog.



4.2.
Alsdan heeft belanghebbende ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat de onderhavige naheffingsaanslag als zodanig terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld.


Verrekening



4.3.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof evenwel gesteld, onder overlegging van een nader stuk met RDW-gegevens, dat een bedrag van € 10.730 met de naheffingsaanslag moet worden verrekend (dan wel dat de naheffingsaanslag daarmee moet worden verminderd), welk bedrag in 2025 is geheven van een andere belastingplichtige ter zake van de ‘herinvoer’ van de auto in Nederland nadat de auto eerder was geëxporteerd. Een juridische grondslag voor dit betoog heeft belanghebbende niet vermeld.





4.4.
Naar het oordeel van het Hof vindt die stelling van belanghebbende geen steun in het recht. De Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 – en de daarop gebaseerde nadere wettelijke regelingen – kent (kennen) geen grondslag voor de door belanghebbende bepleite vermindering/verrekening (van de later betaalde BPM).


Slotsom



4.5.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.






5Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht en/of proceskosten.






6Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank


Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.



De griffier, De raadsheer,






(J.W.J. de Kort) (R. den Ouden)


Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.






Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak