|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:1866 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | C/10/691739 / HA RK 24-11 C/10/691739 / HA RK 24-11 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Deelgeschil. Achteropaanrijding. Zijn partijen gebonden aan het deskundigenrapport dat in opdracht van partijen gezamenlijk is opgesteld? Bestaat er causaal verband tussen het ongeval en de klachten? Aanvullend voorschot, kosten deelgeschil begroot. | | Trefwoorden | : | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/691739 / HA RK 24-1173
Beschikking van 10 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te Rotterdam,
verzoeker,
advocaat mr. S.F. Soeltan te Amersfoort,
tegen
de naamloze vennootschap
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,
verweerster,
advocaat mr. M.M. Klunder te Ermelo.
Partijen worden hierna [verzoeker] en ASR genoemd.
1De zaak in het kort
1.1.
[verzoeker] stond stil op de snelweg vanwege file toen hij van achteren werd aangereden door een bestelbus. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. [verzoeker] en ASR, de WAM-verzekeraar van de bestuurder van de bestelbus, hebben gezamenlijk [naam 1] de opdracht gegeven voor een neurologisch deskundigenonderzoek. In deze procedure verzoekt [verzoeker] onder andere te verklaren dat het rapport dat daaruit volgde als bindend uitgangspunt geldt voor de verdere schadeafwikkeling, en hij verzoekt een aanvullend voorschot op zijn schade.
1.2.
De rechtbank verklaart voor recht dat het deskundigenrapport van [naam 1] als bindend uitgangspunt geldt tussen partijen en dat vast staat dat het ongeval het in het rapport beschreven letsel en beperkingen heeft veroorzaakt, en veroordeelt ASR om een aanvullend voorschot van € 25.000,- aan [verzoeker] te betalen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift, met producties 1 t/m 10,
het verweerschrift, met producties 1 t/m 4,
de mondelinge behandeling van 13 maart 2025, waarbij namens [verzoeker] spreekaantekeningen zijn voorgedragen.
3. De feiten
Het ongeval
3.1.
Op 10 november 2022 is [verzoeker] betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij stond stil op de snelweg (vanwege file) in zijn Volkswagen Caddy toen hij van achteren werd aangereden door een bij ASR verzekerde bestelbus. De bestuurder van die bestelbus heeft op het aanrijdingsformulier geschreven: “Te laat met remmen”, en dat hij met 30 à 40 km per uur reed. [verzoeker] hij heeft door de achteropaanrijding met zijn hoofd een voor-achterwaartse beweging gemaakt en heeft daarbij het stuur niet geraakt, maar wel de hoofdsteun. Hij was niet buiten bewustzijn. De politie die daar toevallig in de buurt was, adviseerde hem om naar een nabijgelegen benzinestation te rijden en daar te stoppen. Toen hij bij het benzinestation uitstapte voelde hij een pijnlijke en stijve nek, hoofdpijn en een pijn langs de gehele rug met uitstraling naar zijn rechterarm. [verzoeker] is door een ambulance meegenomen naar de spoedeisende hulp van een ziekenhuis en daar is krachtsverlies in de rechterarm, een zwaar gevoel in die arm, en nekpijn genoteerd.
3.2.
Voor het ongeluk werkte [verzoeker] als zelfstandige in een zogenoemde man/vrouw vof. Hij had een mobiel airco-service bedrijf; hij repareerde airco’s in diverse voertuigen op locatie van de klant. Zijn vrouw deed thuis administratieve werkzaamheden voor het bedrijf. De arbeidsdeskundige, [naam 2], heeft het declarabele werk van [verzoeker] als fysiek zwaar van aard aangemerkt (zie r.o. 3.9).
Na het ongeval
3.3.
De dag na het ongeval, op 11 november 2022, heeft [verzoeker] zich bij de huisarts gemeld in verband met nek- en rugklachten en tintelingen nek en rug. De huisarts observeerde “zit vast bewegen erg moeilijk” en heeft Diazepam 5mg en Diclofenac 75 mg voorgeschreven.
3.4.
Op 15 november 2022 meldt [verzoeker] zich weer bij de huisarts. De huisarts noteert als klacht: “nog veel last van nek en hoofd na aanrijding. Veel trillen en doof gevoel in rechterarm” en observeert: “bewegingen en aanrakingen erg gevoelig.” De huisarts verwijst hem door naar een neuroloog. Op 17 november 2022 is [verzoeker] gezien door neuroloog [naam 3]. [verzoeker] geeft daar aan dat hij het meeste pijn ervaart in zijn nek en schouders, dat het niet uit te houden is als hij gaat liggen, dat hij nog steeds last heeft van krachtsverlies in de rechterarm en sinds een paar dagen merkt dat zijn rechterarm trilt en dat hij trillende handen heeft. De neuroloog raadt hem aan te starten met fysiotherapie, de Diazepam te continueren en indien er geen verbetering optreedt, na twee maanden terug te komen.
3.5.
In november 2022 kwam [verzoeker] onder behandeling bij een fysiotherapeut, aanvankelijk twee keer, later één keer per week.
3.6.
Op 23 december 2022 wordt er een MRI-scan gemaakt vanwege de krachtvermindering in de rechterarm. In het verslag van de radioloog aan de huisarts staat als resultaat van de MRI CWK (Cervicale Wervelkolom) onder meer:
“Normale stand. Lichte degeneratieve veranderingen zijn zichtbaar op niveaus C3-C4 en C6-C7. Op niveau C6-C7 een mediolaterale tot foraminale discusextrusie met compromitteren van de C7 wortel rechts.” De conclusie luidt: “Mediolaterale tot foraminale discushernia rechts op C6-C7.”
3.7.
Op 2 maart 2023 is [verzoeker] opnieuw naar neuroloog [naam 3] geweest die in het verslag aan de huisarts schrijft: “Conclusie: 1. Myogene nekklachten; 2. C7 radiculopathie rechts”. Als beleid stelt [naam 3] voor, aangezien de hoofdklacht nog bestaat uit fors verhoogde spierspanning in de nek, om de fysiotherapie te continueren terwijl het hem geen goed idee lijkt om aan de C7-prikkeling iets te doen.
3.8.
Sinds medio 2024 is [verzoeker] alleen nog behandeld door een fysiotherapeut.
3.9.
Na overeenstemming tussen partijen over het inschakelen van ‘Wibbens arbeidskundig advies’ heeft van dat bureau [naam 2], in opdracht van ASR, [verzoeker] bezocht op 6 juli 2023. Hij heeft na een concept van 13 juli 2023 definitief gerapporteerd op 20 juli 2023.
3.10.
[verzoeker] heeft na het ongeval niet meer gewerkt, zijn bedrijfsauto is total loss, de apparatuur heeft hij opgeslagen en hij wist bij het gesprek met [naam 2] nog niet hoe de apparatuur eraan toe was. Hij heeft op dat moment een gezin met een dochter van zes en een baby.
Neurologisch onderzoek [naam 1]
3.11.
Op 29 mei 2024 is door partijen gezamenlijk een expertiseaanvraag verzonden naar [naam 1], neuroloog. Op 18 juni 2024 is [verzoeker] onderzocht door [naam 1]. Op 4 juli 2024 ontvingen partijen het conceptrapport. De medisch adviseur van [verzoeker] had geen aanvullende vragen of opmerkingen. De medische dienst van ASR vraagt op 30 juli 2024 aan [naam 1] uitstel om te kunnen reageren op het conceptrapport, omdat ASR eerst een onderzoek wil starten naar de geweldsinwerking van het ongeluk. Daar heeft de advocaat van [verzoeker] bezwaar tegen gemaakt. [naam 1] heeft wel uitstel verleend aan ASR.
3.12.
Op 27 augustus worden door de medisch adviseur van ASR drie aanvullende vragen/opmerkingen gemaakt, waar [naam 1] antwoord op heeft gegeven. Ook deed de medisch adviseur van ASR het verzoek ‘om aandacht te schenken aan bijgevoegd Delta V rapport en dit eventueel bij uw rapport te betrekken.’
De vragen aan [naam 1] en zijn antwoorden daarop luiden als volgt:
“Aanvullende vraag 1
Er is niets gemeld in het concept rapport over lichte degeneratieve afwijkingen rondom C3-C4 en C6-C7. Mij is bekend dat degeneratieve afwijkingen in combinatie met zwaar fysiek werk een verhoogd risico kunnen geven op het ontstaan van een HNP.
Antwoord:
Op de leeftijd van betrokkene zijn dergelijke lichte degeneratieve afwijkingen zeer
gebruikelijk en dergelijke lichte afwijkingen behoeven niet te leiden tot een verhoogd risico bij zwaar werk.
Aanvullende vraag 2
Kunt u op basis van de MRI-scan (28-12-2022) [Rb: bedoeld zal zijn 23-12-2022] beoordelen of de HNP nog vochthoudend is? Volgens mij zijn oudere HNP's minder vochthoudend en daardoor niet meer wit op de MRI-scan kleuren.
Antwoord :
Ik kan dit niet goed beoordelen daar op mijn scherm alle tussenwervelschijven weinig vocht
meer bevatten, hetgeen gezien de leeftijd van betrokkene gebruikelijk is.
Aanvullende vraag 3
Bent u bekend met de leidraad van de AMA-Guides van WIA-NOV wat betreft traumatische hernia’s? Klopt het dat er een aanzienlijk geweldsinwerking moet zijn op de
(nek)wervelkolom om een traumatische HNP te kunnen veroorzaken?
Antwoord:
In de praktijk is niet uit te sluiten dat personen bij tamelijk geringe of ongebruikelijke
bewegingen van de nek toch een hernia kunnen krijgen. Veel personen lopen een HNP op
zonder een traumatische gebeurtenis. Betrokkene geeft ook aan vrijwel direct na het ongeval
uitstraling in de rechter arm te hebben ervaren. Voor het ongeval had betrokkene deze
klachten niet. Derhalve is aannemelijk dat alhoewel de krachtinwerking niet al te groot is
geweest, er wel sprake was van directe compressie van de C7 wortel rechts.
3.13.
Het door ASR bijgevoegde Delta-V rapport is door Ongevallen Analyse Nederland (OAN) opgemaakt. De advocaat van [verzoeker] verzoekt op 28 augustus 2024 aan [naam 1] om het rapport van OAN niet bij zijn onderzoeksbevindingen te betrekken.
3.14.
Dezelfde dag brengt [naam 1] zijn definitieve rapport uit. Daarin staat onder meer het volgende:
V. Beschouwing
“Betrokkene heeft ten gevolge van het ongeval op 10 november 2020 een accelererende krachtinwerking op zijn bovenlichaam gehad waarbij hij met zijn hoofd een voor achterwaartse beweging heeft gemaakt. Betrokkene heeft daarna klachten ontwikkeld van een pijnlijk stijve nek met uitstraling in de rechterarm naast pijnklachten van de rug- en hoofdpijnklachten. Uit het huisartsenjournaal komt naar voren dat betrokkene in eerste instantie nekklachten en rugklachten had en op 15-11-2022 is genoteerd dat betrokkene nog veel last van nek en hoofd had en een doof gevoel van de rechterarm terwijl de fysiotherapie op 14-12-2022 bericht dat er een verminderde kracht van de arm rechts was. Verdere analyse liet op de MRI een HNP C6-7 rechts zien met geringe beïnvloeding van de C7 wortel rechts. De behandelend neuroloog spreekt van myogene nekklachten met een milde C7 radiculopathie rechts. Bij het huidige neurologisch onderzoek is er bij rotatie naar rechts van het hoofd een pijnuitstraling in de rechter arm. Betrokkene geeft een dof gevoel aan van de gehele rechterarm met name in de middenvingers rechts met uitloop in de onderarm. Er kan geen krachtsverlies worden vastgesteld conform de bevindingen van de behandelend neuroloog in november 2022. Het doffe gevoel in de gehele rechter arm kan neurologisch niet worden verklaard, wel het verminderde gevoel in de middenvingers met uitloop naar de onderarm. Dit kan wijzen op een lichte C7 radiculopathie rechts, wat ook door de behandelend neuroloog is vastgesteld. Overigens vond de behandelend neuroloog geen sensibele afwijkingen, mogelijkerwijs zijn deze verschijnselen na verloop van tijd ontstaan. Zwaardere belasting van de nek of rechter arm kan meer druk op de C7 wortel geven en pijnklachten veroorzaken.
(…)
Samenvattend zijn er aanwijzingen dat betrokkene na het ongeval gezien de
uitstralende pijn vanuit de nek in de rechter arm, de MRI bevindingen en de sensibele
afwijkingen in het C7 gebied rechts, een lichte sensibele C7 radiculopathie rechts ten
gevolge van een HNP C6-7 rechts heeft opgelopen. In de behandelende sector wordt
verder gedacht aan myogene nekklachten en een PTSS. Tevens wordt in de
behandelende sector melding gemaakt van herstelbelemmerende factoren waardoor de
door betrokkene ervaren klachten in stand kunnen worden gehouden.”
(…)
VI. Beantwoording van de vragen
1De situatie met ongeval
(…)
Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn
huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze
beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven
en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Antwoord:
Er zijn gezien de verminderde sensibiliteit in het C7 gebied rechts wat dit betreft matig
ernstige beperkingen met betrekking tot huidcontact in deze gebieden. Daarnaast zijn er gezien de radiculaire pijnklachten bij zwaardere belasting van de rechter arm of rotatie van de nek naar rechts wat dit betreft eveneens matig ernstige beperkingen met betrekking tot de belasting van de nek en de rechter arm wat betreft zwaar tillen, duwen, trekken en dragen en boven schouderhoogte werken aannemelijk.
Medische eindsituatie
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de
blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een
belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel
verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben
voorde beperkingen (als bedoeld in vraag g)?
Antwoord:
h. Wortelblokkade C7 rechts kan leiden tot verbetering van de pijnlijke C7 radiculopathie.
i. Er zal waarschijnlijk een verbetering van de door de C7 wortel veroorzaakte pijnklachten kunnen optreden.
j. Doorgaans treedt verbetering binnen enkele dagen na een injectie op, te verwachten is
dat betrokkene geen 07 pijnklachten meer zal ervaren na een dergelijke blokkade.
k. Te verwachten is dat de met de C7 radiculopathie samenhangende beperkingen zullen
verdwijnen.
(…)
2De situatie zonder ongeval
(…)
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval
a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijking op uw vakgebied die de onderzochte thans nog heeft?
b. (…)
Antwoord:
a. Voor zover mij bekend bestonden bij betrokkene voor het ongeval geen klachten of afwijkingen op mijn vakgebied die betrokkene thans nog heeft.
b. N.v.t.
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval
c. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
Antwoord:
c. Er zijn daarnaast op mijn vakgebied geen klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als betrokkene het ongeval niet was overkomen.
3.15.
ASR heeft [naam 4] verzocht een expertiserapport uit te brengen op basis van het rapport van [naam 1]. Op 15 februari 2025 bracht [naam 4] zijn rapport uit. Daarin staat, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende.
De concept rapportage is inhoudelijk geheel consistent en navolgbaar. [naam 1]
beantwoordt de gestelde vragen en bij de vraag naar zijn diagnose geeft hij, terecht,
aan dat er sprake is van een (lichte) radiculopathie 07 rechts op basis van een op
een MRI scan vastgestelde HNP C6/7 rechts.
Maar bij de beantwoording van de aanvullende vragen in de definitieve rapportage is
er toch sprake van enige discrepantie. Gevraagd naar de vochthoudendheid van de
tussenwervelschijf C6/7 geeft hij aan dat hij dat "niet goed kan beoordelen omdat op
zijn scherm alle tussenwervelschijven van de CVVK niet meer vochthoudend zijn".
Maar dat is natuurlijk wel een bevinding. Hij schrijft er bij dat die bevinding niet
ongewoon is voor iemand op de leeftijd van betrokkene, maar het is wel een
constatering. Daarnaast wordt er inderdaad door hem niets geschreven over de
uitpuiling van de tussenwervelschijf C3/4. Die is weliswaar niet symptomatisch maar
is wel een uiting van een pre-existente polydiscopathie.
Zijn antwoord op de aanvullende vraag 3 is ook niet adequaat onderbouwd. Hij
schrijft: In de praktijk is niet uit te sluiten dat personen bij tamelijk geringe of
ongebruikelijke bewegingen van de nek toch een hernia kunnen krijgen. Veel
personen lopen een HNP op zonder een traumatische gebeurtenis. Betrokkene geeft
ook aan vrijwel direct na het ongeval uitstraling in de rechter arm te hebben ervaren.
Voor het ongeval had betrokkene deze klachten niet. Derhalve is aannemelijk dat
alhoewel de krachtinwerking niet al te groot is geweest, er wel sprake was van
directe compressie van de C7 wortel rechts.
De eerste zin wijst op een ervaring uit de praktijk waarbij mensen acuut nekhernia
klachten krijgen bij een geringe of ongebruikelijke beweging. Ja dat is juist (mijn
eigen vrouw kreeg acuut nekherniaklachten na een yoga-oefening die ze niet eerder
had gedaan) maar is geen argument om een traumatische genese te
veronderstellen. Het is meer het laatste uitlokkende moment waarop een al
beschadigde tussenwervelschijf uiteindelijk door de al eerder scheurtjes vertonende
annulus heen breekt en ja dat kan ook bij iemand die nimmer tevoren klachten had
(bij het voorbeeld blijvend: mijn vrouw had voor dat moment nog nooit nekklachten
gehad). In de volgende zin geeft [naam 1] een argument aan dat "het toch
traumatisch moet zijn omdat de klachten vrijwel direct ontstonden en die klachten er
daarvoor niet waren". Dat is in de medische causaliteitsleer een onjuiste redenering.
(…)
[foto]
Dit is de MRI-CWK in "standaard setting" en ja, dan lijken alle tussenwervelschijven
zwart en dus niet meer vochthoudend. Er is een rechtszijdige HNP C6/7 zichtbaar
(witte pijl) en een lichte discusbulging C3/4.
(…)
[foto]
Maar in een DICOM beeldviewer programma bestaat de mogelijkheid om de zwartwit
balans bij te stellen en dan kan men op de T2 (links) zien dat de discus C3/4 nog
een goede hoogte heeft maar de nucleus centraal vocht heeft verloren terwijl de
discus C6/7 inderdaad helemaal niet meer vochthoudend is (oranje pijlen). C4/5,
C5/6 en C7/Th1 zijn normaal vochthoudend. Op de Ti opname (rechts) is de
subligamentaire disvusuitpuiling C6/7 goed zichtbaar (witte pijl).
(…)
Uit een reconstructie van de impact in deze casus en daarbij behorende berekening,
waarbij gebruik wordt gemaakt van de resultaten van zo goed mogelijk vergelijkbare
botsproeven, blijkt dat betrokkene als bestuurder een delta v heeft ondergaan van
circa 7,6 tot 11,5 km/uur. De daarbij behorende gemiddelde voertuigversnelling
bedroeg 1,8 tot 3,3 g. De inzittende bewoog ten opzichte van het voertuiginterieur in
eerste instantie ongeveer recht naar achter. Dit in aanmerking nemend is de kans dat
er letsel zou zijn opgetreden aan structuren van de cervicale wervelkolom niet geheel
uitgesloten maar toch erg klein (dan moet men de uiterste waarde van 3,3 G
aannemen).
Op de CT -scan van de dag van het ongeval zijn geen structurele letsels te zien
(zoals bijvoorbeeld een avulsiebreukje, een subligamentair hematoom, etc). Ook op
de MRI van 6 weken later zijn daar geen aanwijzingen voor. Wel worden op beide
scans degeneratieve afwijkingen vastgesteld, vooral op niveau C6/7 en in iets
mindere mate C3/4.
Betrokkene heeft echter wel direct uitstralende klachten in de rechter arm
aangegeven. Bij de pre-existente degeneratieve discopathie (met osteofytaire haak
bij C6/7 rechts) was de ruimte voor de uittredende zenuwwortel al beperkt en deze is
door de plotse beweging geprikkeld geraakt (gezien het normale reflexpatroon, de
intacte motoriek en de niet-radiculaire verdeling van "dofheid" in de gehele rechter
arm is er geen sprake van een al dan niet blijvende compressie).
Concluderend heeft mijns inziens het trauma niet wezenlijk bijgedragen aan de
vastgestelde HNP C6/7 rechts.
3.16.
ASR heeft in totaal € 67.450,00 aan voorschotten aan [verzoeker] betaald.
4Het verzoek
4.1.
[verzoeker] verzoekt, bij wijze van een deelgeschil volgens artikel 1019w Rv, de rechtbank om, in een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking,
I. tussen partijen voor recht te verklaren dat de rapportage van [naam 1] als bindend uitgangspunt heeft te gelden voor de vaststelling van de schade,
II. tussen partijen voor recht te verklaren dat op basis van het deskundigenrapport van [naam 1] vast staat dat bij [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 10 november 2022 een acceleratie-deceleratie trauma is ontstaan, met resterende nek-, rug- en hoofdpijnklachten alsmede een dof gevoel van de gehele rechter arm met verminderde kracht in de rechter arm tot gevolg,
III. tussen partijen voor recht te verklaren dat bij [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 10 november 2022 nog sprake is van beperkingen zoals door [naam 1] geformuleerd bij vraag 1g van zijn definitieve rapport van 28 augustus 2024, waardoor [verzoeker] in zijn dagelijks functioneren beperkingen ondervindt,
IV. ASR te veroordelen om binnen 14 dagen na ontvangst van de beschikking een aanvullend voorschot onder algemene titel van € 75.000,- aan [verzoeker] betaalbaar te stellen, dan wel een zodanig bedrag dat de rechtbank juist voorkomt,
V. de kosten van onderhavige procedure te begroten op een bedrag van € 7.495,95 en ASR te veroordelen om die begrote kosten, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht, te betalen aan het kantoor van zijn advocaat.
4.2.
ASR voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken.
4.3.
Op de stellingen van partijen zal bij de beoordeling worden ingegaan.
5De beoordeling
De zaak is geschikt voor een deelgeschil
5.1.
Het verzoek van [verzoeker] berust op artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. [verzoeker] verzoekt onder andere om te oordelen dat het rapport van [naam 1] als bindend uitgangspunt tussen partijen geldt, zodat partijen daarna verder kunnen onderhandelen over de aansprakelijkheid en de schade. Een oordeel over dit geschilpunt kan een bijdrage leveren aan onderhandelingen die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een tussen partijen te sluiten vaststellingsovereenkomst. Het verzoek is dan ook, zoals niet tussen partijen ter discussie staat, geschikt voor behandeling als deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv.
Het rapport van [naam 1] geldt als bindend uitgangspunt
5.2.
De rechtbank zal voor recht verklaren dat de rapportage van [naam 1] als bindend uitgangspunt geldt voor de vaststelling van de schade. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.
5.3.
Wanneer partijen in het kader van een onderzoek naar de schadeafwikkeling in verband met de aansprakelijkheid van één van hen, overeenkomen om gezamenlijk een medisch deskundige de opdracht te geven om gezamenlijk geformuleerde vragen te beantwoorden, dan geldt in beginsel dat partijen zich ertoe verbinden om deze rapportage als uitgangspunt te nemen voor de verdere behandeling van de zaak. Dat kan anders zijn, als er sprake is van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het tot stand gekomen rapport, in die zin dat de rapportage ontoereikend is voor de schadeafwikkeling en/of inhoudelijk of wat betreft de totstandkoming niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden. Van dit laatste is sprake als de inhoud van het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. Van de partij die een deskundigenrapport bekritiseert, mag worden verlangd dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de deskundige op overtuigende wijze worden weersproken.
5.4.
In randnummer 19 en 20 van haar verweerschrift motiveert ASR waarom zij vindt dat het rapport van [naam 1] niet als bindend uitgangspunt zou moeten gelden. ASR stelt kort gezegd dat het rapport van [naam 1] onvoldoende consistent is en dat de beantwoording van de aanvullende vragen van de medisch adviseur van ASR, onvolledig, onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, en gebaseerd op onjuiste feiten. Daarnaast stelt ASR dat de door [naam 1] gestelde diagnose onvoldoende gemotiveerd is en gebaseerd op onjuiste en onvolledige uitgangspunten. Ter onderbouwing hiervan geeft ASR één concreet voorbeeld, namelijk dat [naam 1] de aanwijzingen voor een pre-existente nekhernia initieel niet in zijn rapport heeft vermeld. Ten aanzien van dat bezwaar van ASR oordeelt de rechtbank als volgt.
5.5.
ASR doelt kennelijk op de reactie van [naam 1] op de aanvullende vraag 1 van de medisch adviseur van ASR (r.o. 3.6, pagina 12 van het rapport van [naam 1]), die overigens niet als vraag is geformuleerd. [naam 4] schrijft over die reactie van [naam 1]:
‘Daarnaast wordt er inderdaad door hem [[naam 1] dus, en initieel, opm. Rb] niets geschreven over de uitpuiling van de tussenwervelschijf C3/4. Die is weliswaar niet symptomatisch maar is wel een uiting van een pre-existente polydiscopathie.’ [Rb begrijpt dit als: slijtage van de tussenwervelschijven].
ASR heeft niet gemotiveerd waarom het initieel ontbreken van de constatering in het rapport zou maken dat het rapport van [naam 1] niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ook heeft ASR niet uitgelegd of en waarom de reactie van [naam 1] op deze aanvullende ‘vraag’ de validiteit van de conclusie en/of diagnose van [naam 1] zou aantasten. [naam 1] geeft in zijn beantwoording van de aanvullende vraag aan: ‘Op de leeftijd van betrokkene zijn dergelijke lichte degeneratieve afwijkingen zeer gebruikelijk en dergelijke lichte afwijkingen behoeven niet te leiden tot een verhoogd risico bij zwaar werk.’
Nu bedoelde toelichting door ASR ontbreekt, valt niet in te zien waarom het initieel ontbreken van bedoelde constatering zou maken dat het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Van een zwaarwegend en/of steekhoudend bezwaar is dan ook geen sprake.
5.6.
ASR heeft verder delen uit het rapport van [naam 4] geciteerd. Zij heeft deze citaten verder niet toegelicht. De rechtbank begrijpt eruit dat [naam 4] een paar kritiekpunten heeft op de reactie van [naam 1] op de aanvullende vragen van de medisch adviseur van ASR. Deze punten zullen hierna besproken worden. De rechtbank stelt evenwel voorop dat [naam 4] heeft aangegeven dat hij vindt dat het rapport van [naam 1] inhoudelijk geheel consistent en navolgbaar is.
5.7.
Allereerst leest de rechtbank in het geciteerde deel uit het rapport van [naam 4] dat hij vindt dat bij de beantwoording van de vragen sprake is van enige discrepantie. Hij wijst daarbij op de beantwoording van vraag 2 van de medisch adviseur van ASR (r.o. 3.6, pagina 12 van het rapport van [naam 1]), waarbij [naam 1] aangeeft dat hij niet goed kan beoordelen of de HNP nog vochthoudend is, omdat op zijn scherm alle tussenwervelschijven weinig vocht bevatten, wat gezien de leeftijd van [verzoeker] niet ongebruikelijk is. [naam 4] zegt hierover dat “dit wel een constatering is”.
ASR heeft niet gemotiveerd waarom het ontbreken van deze constatering in het rapport maakt, dat het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Van een zwaarwegend en/of steekhoudend bezwaar is dan ook geen sprake.
5.8.
De rechtbank leest voorts dat [naam 4] vindt dat [naam 1] zijn reactie op vraag 3 van de medisch adviseur van ASR niet adequaat heeft onderbouwd. ASR heeft niet uitgelegd wat er aan onderbouwing ontbreekt. De rechtbank kan ook uit het citaat van [naam 4] niet afleiden waarom hij vindt dat het antwoord niet adequaat is onderbouwd. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
5.9.
Daarnaast leest de rechtbank dat [naam 4] stelt dat [naam 1] de ‘zwart-witbalans’ in zijn beeldviewer had kunnen bijstellen toen hij de MRI-beelden van de tussenwervelschijven beoordeelde. Dan had hij volgens [naam 4] een aantal constateringen kunnen doen. ASR heeft hierover gesteld dat [naam 1] niet op de juiste wijze kennis heeft genomen van het beschikbare beeldmateriaal. Maar ASR legt verder niet uit wat het gevolg hiervan zou zijn. [naam 4] noemt dan wel een aantal constateringen die hij heeft gedaan toen hij het beeld bijstelde, maar zonder uitleg op dit punt, die ontbreekt, kan de rechtbank niet beoordelen wat het belang hiervan is. Dit maakt in ieder geval niet dat van een zwaarwegend en/of steekhoudend bezwaar blijkt tegen het rapport van [naam 1].
5.10.
Tot slot leest de rechtbank in het citaat van [naam 4] dat hij vindt dat [naam 1] een onjuiste redenering maakt wat betreft medische causaliteit. ASR stelt dat uit het rapport van [naam 4] volgt dat [naam 1] een onjuiste causaliteitsleer aanhangt. De kritiek van [naam 4] ziet op het antwoord van [naam 1] op vraag 3 van de medisch adviseur van ASR (r.o. 3.6.). Dit antwoord luidt als volgt:
In de praktijk is niet uit te sluiten dat personen bij tamelijk geringe of ongebruikelijke bewegingen van de nek toch een hernia kunnen krijgen. Veel personen lopen een HNP op
zonder een traumatische gebeurtenis. Betrokkene geeft ook aan vrijwel direct na het ongeval
uitstraling in de rechter arm te hebben ervaren. Voor het ongeval had betrokkene deze
klachten niet. Derhalve is aannemelijk dat alhoewel de krachtinwerking niet al te groot is
geweest, er wel sprake was van directe compressie van de C7 wortel rechts.
5.11.
Volgens [naam 4] stelt [naam 1] hier dat “het toch traumatisch moet zijn omdat de klachten vrijwel direct ontstonden en die klachten er daarvoor niet waren”. De rechtbank leest deze conclusie van [naam 1] niet als een zodanig stellige causaliteitsbeoordeling als [naam 4] doet voorkomen. Volgens [naam 4] is het ongeval eerder “het laatste uitlokkende moment waarop een al beschadigde tussenwervelschijf uiteindelijk door de al eerdere scheurtjes vertonende annulus heen breekt”. Dat [naam 4], dat schrijvende, een andere mening is toegedaan over de causaliteit, of liever gezegd, strikter de medische causaliteitsvraag benadert, maakt niet dat het rapport van [naam 1], inclusief de beantwoording van de aanvullende vragen, onvolledig, onbegrijpelijk of gebaseerd op onjuiste feiten is. Het is immers – zeker in de letselschadebranche – bekend dat artsen verschillend denken over whiplash- en herniaproblematiek zoals die hier aan de orde is.
5.12.
Voor de overige stellingen van ASR in r.o. 19 van haar conclusie van antwoord geldt, dat zij die onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft. De kritiek die ASR dan wel [naam 4] op het rapport van [naam 1] geeft, ziet voor het overgrote deel op de beantwoording van de aanvullende vragen van de medisch adviseur van ASR. De kritiekpunten zijn op detailniveau en zijn bovendien niet toegelicht. Ook alle punten bij elkaar maken niet dat er sprake is van zwaarwegende en/of steekhoudende bezwaren tegen het rapport. Daarbij komt dat [naam 4], als reeds hiervoor overwogen, óók heeft aangegeven dat hij vindt dat het rapport van [naam 1] inhoudelijk geheel consistent en navolgbaar is.
5.13.
Het voorgaande maakt dat ASR niet heeft aangetoond dat er sprake is van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport, zodat de rechtbank oordeelt dat het rapport van [naam 1] als bindend uitgangspunt geldt voor de afwikkeling van de schade.
De verzoeken m.b.t. verklaringen voor recht worden toegewezen
5.14.
Nu het rapport van [naam 1] als bindend uitgangspunt geldt tussen partijen voor de afwikkeling van de schade, zal de rechtbank de verzoeken van [verzoeker] onder II en III beoordelen. [verzoeker] verzoekt onder II een verklaring voor recht dat op basis van het rapport van [naam 1] vast staat dat als gevolg van het ongeval een acceleratie-deceleratie trauma is ontstaan en dat hij als gevolg van het ongeval resterende nek-, rug- en hoofdpijnklachten heeft en een dof gevoel in de gehele rechterarm, met verminderde kracht tot gevolg. ASR voert verweer hiertegen en stelt dat de stelling van [verzoeker], dat “[naam 1] aannemelijk acht dat bij hem sprake is van nek-, rug- en hoofdpijnklachten alsmede een dof gevoel van de gehele rechterarm met verminderde kracht in de rechterarm met een forse beperking voor het maatschappelijk functioneren”, niet juist is. In het verzoek van [verzoeker] staat echter niets over ‘forse beperkingen voor het maatschappelijk functioneren’.
5.15.
Op basis van het rapport van [naam 1] kan de rechtbank vaststellen dat [verzoeker] voormelde klachten systematisch ervaart vanaf de dag van het ongeval. In zijn rapport concludeert [naam 1] dat er geen aanwijzingen zijn dat [verzoeker] deze klachten ook zou hebben ontwikkeld zonder het ongeval (zijn antwoord op vraag c, r.o. 3.14.). Ook blijkt uit het rapport dat [naam 1] vindt dat het aannemelijk is dat er direct na het ongeval compressie van de C7 wortel rechts optrad, ondanks de (aangenomen) relatief beperkte krachtinwerking tijdens het ongeval. Daar wordt een deel van de klachten aan gewijd. Uit het rapport van [naam 1] blijkt ook dat hij niet uitsluit dat er sprake is van herstelbelemmerende factoren die verantwoordelijk kunnen zijn voor het in stand houden van de klachten. Maar dat betekent nog niet dat [verzoeker] deze klachten niet ervaart als gevolg van het ongeluk. Al met al stelt de rechtbank op basis van het rapport van [naam 1] vast dat er juridisch causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten die [verzoeker] ervaart.
5.16.
Over het door [verzoeker] ervaren krachtverlies in de rechterarm overweegt de rechtbank nog het navolgende. [naam 1] stelde zelf geen krachtverlies vast. Eerder was dat wel vastgesteld door de fysiotherapeut. [naam 1] stelt wel matig ernstige beperkingen met betrekking tot de belasting van de nek en de rechter arm vast en geeft voorts aan dat zwaardere belasting van de nek of rechter arm meer druk kan geven op de C7 wortel en pijnklachten kan veroorzaken. Tenslotte maakt [naam 1] ook geen onderscheid ten aanzien van de door [verzoeker] ervaren klachten bij de beantwoording van vraag c. Daarom begrijpt de rechtbank de rapportage van [naam 1] aldus, dat deze rapportage ook het juridisch causaal verband tussen het ongeval en het krachtverlies in de rechterarm dat [verzoeker] ervaart, ondersteunt.
5.17.
Daarnaast verzoekt [verzoeker] (onder III) een verklaring voor recht dat er sprake is van beperkingen zoals [naam 1] in zijn antwoord op vraag g formuleert. ASR stelt dat dit niet juist is, maar verwijst zelf ook naar dit antwoord van [naam 1] in haar verweer. ASR heeft haar verweer op dit punt niet voldoende gemotiveerd of onderbouwd. Het verzoek onder III wordt toegewezen.
ASR moet een aanvullend voorschot van € 25.000,- aan [verzoeker] betalen
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat ASR aan [verzoeker] een nader voorschot op zijn schade (exclusief buitengerechtelijke kosten) dient te voldoen van € 25.000,-. Dit baseert de rechtbank op het volgende.
5.19.
Voor toewijzing van een nader voorschot op de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade dient voldoende aannemelijk te zijn dat de bodemrechter in de hoofdzaak tot het oordeel zal komen dat causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het ongeval, en dat de omvang van de aan het ongeval toe te rekenen schade de reeds door ASR verstrekte voorschotten te boven gaat. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen mede te worden betrokken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van het voorschot. De schade wordt begroot door de situatie zoals die zich na het ongeval heeft gerealiseerd te vergelijken met de hypothetische situatie, zoals die – het ongeval weggedacht – zich naar verwachting in alle redelijkheid ontwikkeld zou hebben.
5.20.
[verzoeker] begroot zijn schade tot nu toe op € 142.791,43. De schade bestaat uit medische kosten, reiskosten, kosten voor huishoudelijke hulp, verlies aan verdienvermogen, verlies aan zelfredzaamheid en overige materiële schade zoals nader gespecificeerd in de door [verzoeker] overgelegde productie 7.
5.21.
ASR voert verweer tegen het verzoek om een aanvullend voorschot. Zij stelt dat er geen oorzakelijk verband is tussen het ongeval en de nog voortdurende klachten en zij betwist dat de beperkingen in de weg staan aan iedere arbeid. ASR zet voorts vraagtekens bij de gestelde geldproblemen van [verzoeker]. Ook wijst ASR erop dat [verzoeker] in haar ogen het arbeidskundig traject belemmert. Tot slot voert ASR verweer tegen bepaalde schadeposten, zoals vliegvakanties.
5.22.
Aangezien het rapport van [naam 1] als bindend uitgangspunt geldt tussen de vaststelling van de schade, kan ook worden vastgesteld dat [verzoeker] na het ongeval klachten heeft ontwikkeld waardoor hij de werkzaamheden in zijn eigen bedrijf die hij voorheen deed niet meer kon uitvoeren en schade heeft geleden. Gelet op het door ASR gevoerde verweer staat de omvang van de schade echter niet vast. De rechtbank acht wel voldoende aannemelijk dat de schade van [verzoeker] meer zal zijn dan hij tot nu toe aan voorschotten heeft ontvangen. De rechtbank vindt het passend om een aanvullend voorschot onder algemene titel van € 25.000,- toe te kennen.
Kosten deelgeschil
5.23.
De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Bij begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschil volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het vorenstaande volgt reeds dat het laatste niet aan de orde is.
5.24.
De raadsman van [verzoeker] hanteert een uurtarief van € 295,- exclusief btw en schat de totaal bestede en nog te besteden tijd aan deze procedure op 21 uur. ASR voert verweer tegen de begrote kosten. Zij acht een uurtarief van € 245,- exclusief btw redelijk en vindt het totaal bestede aantal uren voor deze procedure bovenmatig. In dat kader wijst zij erop dat het verzoekschrift weliswaar 39 pagina’s bevat, maar dat delen hiervan uit een kantoormodel lijken te komen.
5.25.
De rechtbank acht een uurtarief van de advocaat van [verzoeker] van € 280,- exclusief btw acceptabel, gelet op haar ervaring en specialisme als LSA-advocaat. Het begrote aantal uren komt de rechtbank niet onredelijk voor, gelet op de mate van complexiteit van deze zaak. De rechtbank begroot de totale tijdsbesteding voor deze procedure daarom conform het kostenoverzicht van de advocaat van [verzoeker] op € 7.114,80 (21 uur x € 280,- x 21 % btw).
5.26.
Aangezien ASR in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar namens verzekerde aansprakelijkheid heeft erkend, zal zij conform het verzoek van [verzoeker] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit deelgeschil.
Ten overvloede
5.27.
Tot slot merkt de rechtbank het volgende op. Uit het rapport van [naam 1] blijkt dat hij mogelijkheden ziet om de klachten die [verzoeker] ervaart te verminderen (pagina 10 van het rapport van [naam 1]). De rechtbank betreurt dat het revalidatietraject nog niet is aangevangen en dat [verzoeker] meent dat dat mede komt door de spanning en stress over deze procedure. In het kader van de onderhandelingen die partijen nog moeten voeren over het verlies van verdienvermogen, is verbetering van de klachten en de belastbaarheid van [verzoeker] relevant. De rechtbank spreekt de hoop uit dat met de handvatten die [naam 1] geeft nog verbetering in [verzoeker]’s situatie kan worden bereikt.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat de rapportage van [naam 1] als bindend uitgangspunt geldt voor de vaststelling van de schade,
6.2.
verklaart voor recht dat op basis van het deskundigenrapport van [naam 1] vast staat dat bij [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 10 november 2022 een acceleratie-deceleratie trauma is ontstaan, met resterende nek-, rug- en hoofdpijnklachten alsmede een dof gevoel in de gehele rechterarm met verminderde kracht in de rechterarm tot gevolg,
6.3.
verklaart voor recht dat bij [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 10 november 2022 nog sprake is van beperkingen zoals door [naam 1] geformuleerd bij vraag 1g van zijn definitieve rapport van 28 augustus 2024, waardoor [verzoeker] in zijn dagelijkse functioneren beperkingen ondervindt,
6.4.
veroordeelt ASR om binnen 14 dagen na datum van deze beschikking aan [verzoeker] een aanvullend voorschot te betalen van € 25.000,-,
6.5.
begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 7.114,80 (inclusief btw), vermeerdert deze kosten met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 1.325,- en veroordeelt ASR tot betaling van deze bedragen aan het kantoor van [verzoeker]’s advocaat.
6.6.
verklaart deze beschikking waar het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
3727/638
In het verzoekschrift staat bij randnummer 23 dat dit bezoek op 19 april 2024 plaatsvond. Blijkens het verslag van neuroloog [naam 3] (productie 2 bij verzoekschrift) is dit onjuist en was dit op 2 maart 2023. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|