|
|
|
| ECLI:NL:OGHACMB:2026:37 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-02-2026 | | Instantie | : | Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba | | Zaaknummers | : | CUR2022H0057 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2024:159. Heeft de bank de zorgplicht jegens de bestuurder van de vennootschap geschonden? | | Trefwoorden | : | vaststellingsovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR201802309 – CUR2022H00057
Uitspraak: 24 februari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de stichting
KORPORASHON PA DESAROYO DI KÒRSOU,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
gemachtigde: mr. M.F. Bonapart,
tegen
[BESTUURDER],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.C. Small.
Partijen worden hierna Korpodeko en [bestuurder] genoemd.
1De zaak in het kort
Korpodeko heeft kredieten verstrekt aan een besloten vennootschap die failliet is verklaard en waarvan [bestuurder] bestuurder was. Korpodeko vordert dat [bestuurder] veroordeeld wordt een uitstaand saldo van ruim NAf 400.000 te betalen.
In dit hoger beroep heeft het Hof eerder een tussenvonnis gewezen, waarin het geoordeeld heeft dat [bestuurder] hoofdelijk is gebonden. Nu wijst het Hof een eindvonnis, waarin het Hof het verweer verwerpt dat Korpodeko zijn zorgplicht jegens [bestuurder] zou hebben geschonden. Anders dan het Gerecht, wijst het Hof de vordering grotendeels toe.
2Het verdere verloop van de procedure
2.1
Bij vonnis van 27 augustus 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:159 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling.
2.2
Korpodeko heeft op 5 november 2024 een akte ingediend, met producties.
[bestuurder] heeft op 30 september 2025 een antwoordakte ingediend, met producties.
Korpodeko heeft op 2 december 2025 een akte uitlating producties ingediend.
2.3
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
3De verdere beoordeling
3.1
Voor zover de laatste akte van Korpodeko meer inhoudt dan een uitlating over de producties van [bestuurder], laat het Hof die buiten beschouwing wegens strijd met de eisen van een goede procesorde. Daarvoor is immers geen gelegenheid geboden.
3.2
Onder 3.14-3.15 van het tussenvonnis heeft het Hof overwegingen gegeven naar aanleiding van het verweer van [bestuurder] dat Korpodeko onvoldoende heeft gedaan om zich te verhalen op de bedrijfsgoederen die in fiduciair eigendom aan haar waren overgedragen. Om hier zicht op te krijgen, geeft het Hof een zo veel mogelijk chronologisch gerangschikt nader feitenoverzicht (3.2.1-3.2.18) in aanvulling op het feitenoverzicht in het tussenvonnis.
3.2.1 [
[bestuurder] was bestuurder van CHM. CHM exploiteerde een hotel.
3.2.2
In 2007, 2011 en 2014 heeft Korpodeko kredietovereenkomsten gesloten met CHM. Zoals in het tussenvonnis is beslist, heeft [bestuurder] te gelden als hoofdelijk verbonden schuldenaar bij deze kredietovereenkomsten.
Bij de kredietovereenkomsten is de (bestaande en toekomstige) inventaris van het hotel in fudiciaire eigendom overgedragen aan Korpodeko.
3.2.3
In 2008 is Otrobanda Waterfront Development Corporation N.C. (hierna: OWDC) schuldeiser geworden van CHM (dit blijkt uit productie 4 en een bijlage daarbij, overgelegd bij conclusie van antwoord). Op enig moment is tussen CHM en OWDC een geschil ontstaan. Daarover is geprocedeerd. CHM heeft die procedure verloren. Op 21 november 2013 hebben OWDC en CHM een vaststellingsovereenkomst gesloten.
3.2.4
In 2011, 2012, 2013 en 2015 heeft de Landsontvanger (de Ontvanger) ten laste van CHM bodembeslag laten leggen. Van de bodembeslagen van 12 januari 2012 en 14 mei 2012 heeft Korpodeko bij akte na tussenvonnis stukken overgelegd (productie 3).
3.2.5
Op 22 februari 2016 heeft CHM een vaststellingsovereenkomst gesloten met Emmazicht N.V. (eigenaar van het hotelpand, hierna: Emmazicht) en Riba N.V. (hierna: Riba) (productie 2 bij conclusie van antwoord). Overeengekomen werd onder meer dat CHM de inventaris van het hotel zou overdragen aan Riba en dat Riba een schuld van CHM van maximaal NAf 350.000 bij Korpodeko zou overnemen (art. 1 van de vaststellingsovereenkomst).
3.2.6
Bij e-mail van 12 mei 2016 (productie 4 bij conclusie van antwoord, tevens productie 8 bij antwoordakte na tussenvonnis zijdens [bestuurder]) heeft [bestuurder] Korpodeko bericht over:
- het op 19 december 2011 in opdracht van de Ontvanger gelegde beslag;
- de op 21 november 2013 tussen CHM en OWDC gesloten vaststellingsovereenkomst; en
- een op 30 maart 2016 gedateerde aanzegging van de belastingdeurwaarder van een openbare veiling.
[bestuurder] drong in zijn e-mail erop aan dat Korpodeko als fiduciair eigenaar zo spoedig mogelijk stappen zou zetten tegen OWDC, zodat de verkoop aan Riba zou kunnen worden voortgezet.
Bij e-mail van 13 mei 2016 (dezelfde productie) heeft de medewerker van Korpodeko bericht, zakelijk weergegeven, dat [bestuurder] Korpodeko onvoldoende heeft geïnformeerd en dat hij persoonlijk aansprakelijk is voor de openstaande schuld in de boeken van Korpodeko.
3.2.7
Een ongedateerd memo (kennelijk uit 2016), productie 4 bij conclusie van antwoord, vermeldt onder meer:
Status:
Korpodeko wilt Riba NV financieren maar zit met de onduidelijkheid van de belasting en kan bij een eventuele verkoop van de goederen door CHM aan Riba NV niet overdragen gezien de goederen momenteel bezwaard zijn. Korpodeko is van mening dat het “beslag” van de belasting onrechtmatig is.
3.2.8
Bij brief van 19 juli 2016 heeft [bestuurder] namens CHM aan Riba bericht dat CHM de gehele inventaris aan Riba heeft overgedragen, maar dat Riba haar verbintenis om de schuld van CHM bij Korpodeko over te nemen, niet is nagekomen (productie 7 bij antwoordakte na tussenvonnis zijdens [bestuurder]).
3.2.9
Bij e-mail van 3 augustus 2016 (productie 10 bij antwoordakte na tussenvonnis zijdens [bestuurder]) heeft [bestuurder] bij een medewerker van Korpodeko erop aangedrongen dat Korpodeko met CMH zou samenwerken in verband met tegenwerking van Riba. Volgens [bestuurder] kan het niet de bedoeling zijn dat Riba kosteloos gebruik maakt van de zaken die in fiduciair eigendom van Korpodeko zijn.
3.2.10
Bij e-mails van 26 september 2016 en 16 oktober 2016 (productie 4 bij conclusie van antwoord) heeft [bestuurder] de directeur van Korpodeko aangeschreven over zijn zorgen over de schuld van CHM bij Korpodeko. Hij meende, zakelijk weergegeven, dat de verkoop van de zaken aan Riba doorgang zou moeten vinden en dat Korpodeko samen met CHM stappen zou moeten zetten tegen de Ontvanger en tegen Riba.
3.2.11
Bij vonnis van 6 december 2017 is CHM in staat van faillissement verklaard.
3.2.12
Het eerste faillissementsverslag betreffende E.M. City Hotel B.V. (hierna: City Hotel) van 9 januari 2018, productie 3 bij conclusie van antwoord, vermeldt onder meer:
1.6
Oorzaken faillissement:
Uit de gesprekken met [betrokkene] en de overige aan de curator beschikbaar gestelde informatie wordt het volgende afgeleid.
Eind 2015 eindigde de exploitatie van het Hotel door Howard Johnson (Caribbean Hospitality Management BV “CHM” – eveneens gefailleerd op 7 december 2017 (…)). Na een transitietijd van 6 maanden, gedurende welke Riba NV (tevens gedeeltelijk gecontroleerd door [betrokkene]) het hotel huurvrij heeft kunnen exploiteren, nam het huurcontract en daarmee de exploitatie van het Hotel tussen de Verhuurder en City Hotel een aanvang.
(…) Er waren 20 kamers buiten gebruik en andere gedeeltes van het Hotel kampten ook met achterstallig onderhoud. (…)
(…)
Bedrijfsmiddelen
3.5
Beschrijving:
De curator heeft een gebruikelijke hotel- en kamerinventaris – behorende bij de circa 67 kamers in het Hotel – aangetroffen.
Er zijn verschillende partijen die hier een (eigendoms)recht op pretenderen. Gezien het ontbreken van deugdelijke administratie heeft de curator tot op heden niet kunnen vaststellen welke zaken in de boedel vallen. Daarenboven heeft de fiscus meerdere malen bodembeslag laten leggen (zie onder).
Daarnaast heeft de curator de meubels van de hotellobby aangetroffen in opslag.
(…)
3.8
Bodemvoorrecht Fiscus:
De Ontvanger heeft ten laste van CHM bodembeslag laten leggen op de volgende data: 19 december 2011, 12 januari 2012, 14 mei 2013, 20 september 2013 en 30 oktober 2015. De curator verwacht op korte termijn een uitgewerkt overzicht te ontvangen van de Ontvanger van (bodem)zaken waarop het beslag thans nog rust.
Werkzaamheden:
De Curator zal onderzoeken of en in hoeverre het mogelijk is bodemzaken over te dragen aan een derde – mogelijk een nieuwe exploitant van het Hotel.
3.2.13
In een e-mail van 12 januari 2018 (productie 5 bij akte na tussenvonnis zijdens Korpodeko) stelde de curator zich vooralsnog op het standpunt dat alle in het hotel aanwezige zaken in de boedel van de faillissementen van CMH en City Hotel vallen. In een e-mail van 16 januari 2018 (dezelfde productie) stelde een beleidsmedewerker van de Ontvanger zich op het standpunt dat roerende zaken die fiduciair aan Korpodeko waren overgedragen, onder het bodemrecht vielen en kondigde de medewerker aan dat die zaken zouden worden geveild. Deze e-mail werd in cc gestuurd naar de advocaat van Korpodeko.
3.2.14
Bij vaststellingsovereenkomst van 6 en 8 februari 2018 (productie 6 bij akte na tussenvonnis zijdens Korpodeko) zijn Korpodeko, de Ontvanger en de Sociale Verzekeringsbank overeengekomen dat Korpodeko een vergoeding zou ontvangen van één derde deel van de verkoopopbrengst van de te veilen goederen. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt verder dat Korpodeko op 19 januari 2018 verzet had aangetekend tegen de dwanginvordering en dat zij dit zou intrekken na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst.
3.2.15
Bij beschikking van 28 augustus 2018 is de opheffing van het faillissement van CHM bevolen bij gebrek aan baten.
3.2.16
Blijkens een e-mail van na 18 oktober 2018 (productie 7 bij akte na tussenvonnis zijdens Korpodeko) is uitvoering gegeven aan de vaststellingsovereenkomst.
3.2.17
Bij whatsapp-bericht van 12 juli 2022 heeft [bestuurder] contact gezocht met de directeur van Korpodeko (productie 11 bij antwoordakte na tussenvonnis van [bestuurder]).
3.2.18 [
[bestuurder] heeft als productie 6 bij antwoordakte na tussenvonnis ongedateerde inventarislijsten overgelegd.
3.3
Uit het chronologisch overzicht blijkt dat CMH jarenlang te kampen heeft gehad met schulden aan diverse partijen: naast Korpodeko en de Belastingdienst was dat in elk geval OWDC. De zorgplicht van Korpodeko jegens [bestuurder] gaat niet zo ver dat Korpodeko moet meewerken aan iedere mogelijke oplossing die [bestuurder] meende te zien voor de schuldenproblematiek van CMH. [bestuurder] heeft onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat Korpedeko haar zorgplicht jegens [bestuurder] heeft geschonden door geen gevolg te geven aan hetgeen [bestuurder] voor ogen stond in zijn
e-mails van 2016: overdracht van de inventaris aan Riba tegen overname van de schuld aan Korpodeko. [bestuurder] heeft in zijn gedingstukken ook onvoldoende toegelicht hoe de oplossing die hij nastreefde er precies zou uitzien en waarom die oplossing ook voor Korpodeko het beste zou zijn.
3.4
Zoals het Hof onder 3.14 van het tussenvonnis heeft overwogen, kan de zorgplicht van Korpodeko jegens [bestuurder] meebrengen dat zij voldoende inspanningen verricht om de bedongen zekerheden uit te winnen alvorens [bestuurder] persoonlijk aan te spreken. In dit geval moet aangenomen worden dat Korpodeko voldoende inspanningen heeft verricht, gelet op het volgende.
3.5
Uit het chronologisch overzicht blijkt dat Korpodeko in 2018 aanvankelijk verzet heeft aangetekend tegen dwanginvordering, maar dat zij dit heeft ingetrokken, nadat zij een vaststellingsovereenkomst had gesloten die haar recht gaf op één derde deel van de verkoopopbrengst. Aan te nemen valt dat Korpodeko meende met die handelwijze haar belangen zo goed mogelijk te behartigen en de aan de verzetprocedure inherente kosten en risico’s af te kopen. Daarbij was voor Korpodeko van belang dat de Ontvanger en de SVB zich beriepen op het bodemrecht en de daaruit voortvloeiende rechten en bevoegdheden. Dat is een verdedigbaar standpunt. In elk geval was Korpodeko niet uit hoofde van een zorgplicht jegens [bestuurder] gehouden om de verzetprocedure tegen de dwanginvordering door te zetten. Een verder onderzoek naar de juistheid van het standpunt van Korpodeko is niet nodig. [bestuurder] heeft hierover ook niet voldoende duidelijk uitgewerkte standpunten ingenomen.
3.6
Het verweer van [bestuurder] dat Korpodeko haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden, wordt op grond van het voorgaande verworpen.
3.7
Bij antwoordakte na tussenvonnis heeft [bestuurder] aangeboden te bewijzen, verkort weergegeven:
- de administratie van CMH was steeds deugdelijk;
- alle zekerheidsstellingen zijn bij Korpodeko gerapporteerd;
- Korpodeko wist dat Emmazicht het hotelpand aan Riba verhuurde met een inventaris die CHM in fiduciaire eigendom aan Korpodeko had afgestaan;
- Riba en Korpodeko waren in overleg over de mogelijkheid dat Riba de schuld van CMH aan Korpodeko zou overnemen.
3.8
Voornoemde stellingen kunnen (indien juist) niet tot een ander oordeel leiden. Zij doen niet af aan het oordeel dat Korpodeko gerechtigd is [bestuurder] als hoofdelijk verbonden schuldenaar aan te spreken op het uitstaande saldo van CHM. Het bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake doende gepasseerd.
3.9
Onder 3.18 van het tussenvonnis heeft het Hof overwogen dat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten niet zal worden toegewezen, omdat Korpodeko niet heeft gereageerd op de betwisting dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Het zou in strijd met de eisen van een goede procesorde zijn als het Hof daarvan zou terugkomen. Dat doet het Hof daarom niet. Overigens dienen de opnieuw overgelegde aanmaningsbrieven (zie rov. 3.1.9 van het tussenvonnis) slechts ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, zodat daarvoor gaan afzonderlijke vergoeding kan worden toegekend (zie art. 63a Rv).
3.10
Het hoger beroep slaagt grotendeels. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De gevorderde hoofdsom zal alsnog worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. [bestuurder] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [bestuurder] (hoofdelijk naast CHM) tot betaling van Cg 404.342,38, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 6% per jaar vanaf 13 juli 2018 tot aan de dag van de betaling;
veroordeelt [bestuurder] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Korpodeko gevallen en begroot op Cg 4.024,50 aan verschotten en Cg 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;
veroordeelt [bestuurder] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Korpodeko gevallen en tot op heden begroot op Cg 8,514,50aan verschotten en Cg 16.500,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|