Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:2666 
 
Datum uitspraak:13-01-2026
Datum gepubliceerd:25-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/694931 / FA RK 25-87 C/09/694931 / FA RK 25-87
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Voorlopige voorzieningen. Omgangsregeling bepaald tussen de minderjarige en de man. nog niet zeker of de man daadwerkelijk de vader is.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8782
Zaaknummer: C/09/694931
Datum beschikking: 13 januari 2026

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv



Beschikking op het op 20 november 2025 ingekomen verzoek van:




[de man] ,
de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.L. Lischer in Almere.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:




[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres.



Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.

Op 30 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.



Feiten


Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.


Tijdens de relatie van partijen is het volgende minderjarige kind geboren:


- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige] ).



[de minderjarige] is niet erkend door de man.


De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.


In de bodemprocedure, bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/694929 en FA RK 25-8780, verzoekt de man – onder andere – om vervangende toestemming erkenning van [de minderjarige] en gezamenlijk gezag.



[de minderjarige] verblijft bij de vrouw.





Verzoek en verweer
De man verzoekt, bij wijze van voorlopige voorziening:


te bepalen dat er een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld tussen de man en [de minderjarige] , waarbij [de minderjarige] iedere zaterdag, maandag en donderdag van 14.00 uur tot 16.00 uur bij de man is, alsmede een deel van de kerstdagen en oud en nieuw, althans een regeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen;


met compensatie van de kosten, zodanig dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.



De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling


Ontvankelijkheid voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Artikel 223 Rv ziet op de dagvaardingsprocedure, maar de Hoge Raad heeft op 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van dit artikel op verzoekschriftprocedures.

De man heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt – bij de rechtbank bekend met zaaknummer C/09/694929 en FA RK 25-8780 – waarin hij verzoekt om vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] , gezamenlijk gezag en het vaststellen van een omgangsregeling. Voorts heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat hij spoedeisend belang heeft bij zijn verzoeken, aangezien de man al enkele maanden geen contact meer heeft met [de minderjarige] . Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.


Voorlopige omgangsregeling


Ontvankelijkheid verzoek

Op grond van artikel 1:377a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van 1:377a tweede lid BW stelt de rechter op verzoek van iemand die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling tussen diegene en het kind vast.

De man stelt op zich op het standpunt dat hij de biologische vader is van [de minderjarige] en dat er tussen hen sprake is van ‘family life’. Ter onderbouwing hiervan voert hij aan dat hij [de minderjarige] de eerste drie maanden na zijn geboorte – toen partijen nog samen waren – drie keer per week zag en toen verscheidene zorgtaken op zich nam.

De vrouw heeft in deze procedure geen verweer gevoerd en heeft de door de man gestelde nauwe persoonlijke betrekking niet weersproken. Tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw in de bodemprocedure bij de bijzondere curator heeft aangegeven dat de man niet de (biologische) vader van [de minderjarige] is.

De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of de man, die in ieder geval niet de juridische ouder van [de minderjarige] is, in een nauwe persoonlijke betrekking tot [de minderjarige] staat.

In het geval de man de biologische vader zou zijn van [de minderjarige] , wordt voor de invulling van de nauwe persoonlijke betrekking aangesloten bij het in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bedoelde ‘family life’. Uit artikel 8 EVRM volgt dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn familie/gezinsleven en privéleven (family life and private life) en dat inmenging daarin van enig openbaar gezag slechts is toegestaan voor zover die inmenging bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Indien nog geen sprake kan zijn van een nauwe persoonlijke betrekking, maar de verwekker wel altijd contact heeft gewild met het kind en het niet aan hem te wijten is dat dit niet tot stand is gekomen, kan sprake zijn family life op grond van de intentie daartoe.

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de vraag of de biologische vader recht heeft op contact met zijn kind een belangrijk deel kan betreffen van zijn identiteit en daarmee van zijn private life. Nauwe banden kunnen volgens het EHRM in gevallen waarin het bestaan van family life niet kan worden aangenomen wel binnen de reikwijdte van het private life van de vader vallen en aldus eveneens onder de bescherming van artikel 8 EVRM. De beslissing om een biologische vader op voorhand contact met zijn kind te weigeren door hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling, betekent een inmenging in zijn recht op ‘private life’. Ter beantwoording van de vraag of deze inmenging noodzakelijk is dient een inhoudelijke belangenafweging te worden gemaakt, waarin alle betrokken belangen, waaronder het belang van het kind als voornaamste, dienen te worden meegewogen. Aan de ontvankelijkheid dienen wel eisen gesteld te worden, nu het enkele feit dat een man de biologische vader is, niet voldoende is. Er dient sprake te zijn van bijkomende omstandigheden en feiten die maken dat het contact met en toegang tot het kind een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de biologische vader en daarmee van zijn privéleven.

Het ontbreken van een biologische verwantschap is geen beletsel om op basis van een nauwe persoonlijke betrekking recht op omgang te hebben. In het geval de man niet de biologische vader zou zijn, moet er aan de hand van bepaalde omstandigheden, zoals de opvoeding en de verzorging van het kind binnen het gezin, worden aangetoond dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen [de minderjarige] en de man.

De rechtbank meent dat van family life in dit geval sprake is. Uit de onweersproken stellingen van de man blijkt dat de man bij de zwangerschap betrokken is geweest. Uit de stukken die de man heeft overgelegd blijkt onder andere dat de man en de vrouw samen een geboortekaartje hebben ontworpen en dat de man mee is geweest naar controles rond de zwangerschap. Ook staat voor de rechtbank vast dat de man na de geboorte van [de minderjarige] een vaderrol voor hem heeft vervuld, nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij vanaf de geboorte van [de minderjarige] drie maanden lang wekelijks zorgtaken voor [de minderjarige] op zich heeft genomen. Dit wordt bevestigd door de foto’s die de man heeft overgelegd en waarop te zien is dat de man [de minderjarige] ’s luier verschoont, hem een flesje geeft en met hem wandelt. Weliswaar is drie maanden een korte periode, maar gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] doet dit niet af aan het bestaan van ‘family life’ tussen de man en [de minderjarige] .

Daarbij overweegt de rechtbank dat zelfs als geen sprake zou zijn van ‘family life’ er in ieder geval sprake is geweest van een intentie daartoe. Op de zitting heeft de man naar voren gebracht dat hij in Lelystad een gezinswoning heeft gekocht en daarin een kinderkamer gereed heeft gemaakt voor [de minderjarige] , omdat partijen de intentie hadden om daar samen met [de minderjarige] te gaan wonen. Dit blijkt ook uit de door de man overgelegde Whatsapp-berichten. Ook is er als gezegd in de eerste maanden na geboorte van [de minderjarige] met regelmaat contact geweest tussen de man en [de minderjarige] en heeft de man nadat het contact werd verbroken pogingen ondernomen dit te herstellen. Dat het daartoe niet is gekomen doet niet af aan de intentie tot family life. Uit de verzoeken van de man in de bodemprocedure tot erkenning, gezamenlijk gezag en het treffen van een omgangsregeling blijkt eveneens dat de man een serieuze rol als vader in het leven van [de minderjarige] wenst en altijd heeft nagestreefd. Omdat de vrouw alle contact vanaf september 2025 tussen de man en [de minderjarige] heeft afgehouden, kan aan de man niet worden verweten dat er sindsdien [de minderjarige] geen contact meer is geweest.



Gelet op het voorgaande is rechtbank van oordeel dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in artikel 1:377a BW. De rechtbank zal de man daarom ontvangen in zijn verzoek.


Inhoudelijke beoordeling

Het voorgaande betekent dat [de minderjarige] en de man in beginsel recht hebben op omgang met elkaar.

Momenteel staat niet vast of de man daadwerkelijk de biologische vader van [de minderjarige] is. Mocht (uit DNA-onderzoek) blijken dat dit niet het geval is, dan ziet de man, zo heeft hij zelf aangegeven, vermoedelijk alsnog af van omgang met [de minderjarige] . Desondanks wil de man de omgang met [de minderjarige] nu zo snel mogelijk hervatten, omdat hij een sterke band voelt met [de minderjarige] , hij deze band verder wil versterken en [de minderjarige] zich juist in deze periode van zijn leven aan de man kan hechten. De negatieve gevolgen van het ontbreken van contact tussen [de minderjarige] en de man zulllen voor [de minderjarige] groter zijn dan wanneer het contact, nadat het is hersteld, toch weer stopt als blijkt dat de man niet de biologische vader is, aldus de man.

De Raad heeft dit laatste ter zitting onderschreven. [de minderjarige] is nog maar een paar maanden oud en dat betekent dat hij een en ander niet bewust meekrijgt. Ook heeft de Raad geadviseerd om op korte termijn de omgang tussen [de minderjarige] en de man weer te hervatten.

Op grond van het derde lid van artikel 1:377a BW kan de rechter het recht op omgang slechts ontzeggen, indien: a) omgang ernstig nadeel op zou leveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b) de ouder of degene die in een nauwe en persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang heeft doen blijken, of d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat het in het algemeen in het belang van een kind is dat hij contact heeft met beide ouders of met degene met wie er een nauwe en persoonlijke band bestaat. Dit is onder andere van belang voor de identiteitsontwikkeling en het opbouwen van een veilige hechtingsrelatie. De rechtbank is niet gebleken dat er sprake is van contra-indicaties voor herstel van de omgang zoals hiervoor genoemd. Nu de Raad heeft aangegeven dat het geen kwaad kan voor [de minderjarige] – gezien zijn leeftijd – als de omgang na hervatting toch weer zou stoppen als de man niet de biologische vader blijkt te zijn, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is om een omgangsregeling met de man vast te stellen. De voorgestelde omgangsregeling van de man, waarbij iedere week drie korte omgangsmomenten tussen de man en [de minderjarige] zijn, acht de rechtbank, gelet op de leeftijd van [de minderjarige] , redelijk en in het belang van [de minderjarige] . Wel zijn er enkele praktische hobbels bij omgang tussen [de minderjarige] en zijn vader. Partijen wonen ver van elkaar vandaan, waardoor de man tijdens de omgangsmomenten niet met [de minderjarige] naar zijn eigen woning kan. De man kan ook niet in de woning van de vrouw terecht, waardoor hij tijdens de omgangsmomenten vooral aangewezen is op openbare ruimtes en, als dat mogelijk is, bij bekenden tijd kan doorbrengen. Dit is met een kind van enkele maanden oud een weinig ideale situatie. De rechtbank zal daarom de duur van de contactmomenten enigszins beperken omdat de rechtbank dat het meest in het belang van [de minderjarige] acht. Dat betekent dat [de minderjarige] voorlopig iedere zaterdag, maandag en donderdag van 14.30 uur tot 16.00 uur bij de man is, waarbij de man [de minderjarige] bij de vrouw thuis ophaalt en weer terugbrengt. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw het belang van [de minderjarige] vooropstelt en haar medewerking verleent aan de omgang.

De man verzoekt ook om te bepalen dat [de minderjarige] een deel van de kerstdagen en met oud en nieuw bij hem zal zijn. Naar de rechtbank begrijpt, betreft dit enkel de kerstdagen en oud en nieuw in het jaar 2025. Nu deze feestdagen inmiddels voorbij zijn, heeft de man geen belang meer bij dit (gedeelte van het) verzoek. De rechtbank zal het verzoek in zoverre afwijzen.


Proceskosten

Nu het een familierechtelijke kwestie betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.



Beslissing
De rechtbank:

bepaalt dat er een voorlopige omgangsregeling zal gelden tussen de man en de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , in die zin dat [de minderjarige] voorlopig wekelijks op zaterdag, maandag en donderdag van 14.30 uur tot 16.00 uur omgang heeft met de man, waarbij de man [de minderjarige] ophaalt bij de vrouw en daar ook weer terugbrengt;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.









Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 januari 2026.
Link naar deze uitspraak