|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:2803 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/676824 / FA RK 24-87 C/09/676824 / FA RK 24-87 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Lotsverbondenheid bij partneralimentatie niet vervallen. Verdeling huwelijksgemeenschap. Belang verkopen woning weegt zwaarder dan belang om de woning voorlopig onverdeeld te laten. | | Trefwoorden | : | arbeidskorting | | | burgerlijk wetboek | | | echtscheiding | | | heffingskorting | | | huwelijkse voorwaarden | | | kinderopvangtoeslag | | | levensonderhoud | | | onderhoudsverplichtingen | | | uitkering | | | | Uitspraak | Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 24-8747 (scheiding) en FA RK 25-4185 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/676824 (scheiding) en C/09/686348 (verdeling)
Datum beschikking: 14 januari 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 5 december 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Hoste te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.G. Kempenaars te Almere.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 3 januari 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 25 maart 2025 van de advocaat van de man, met bijlage;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het e-mailbericht van 3 juni 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het F9-formulier van 7 december 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 12 december 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.
Op 17 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Op de zitting heeft de advocaat van de man een aanvullend verzoekschrift overgelegd.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-formulier van 30 december 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het F9-formulier van 30 december 2025 van de advocaat van de man, met bijlage.
Feiten
- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2008 te [land] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] , hierna: [de minderjarige 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] , hierna: [de minderjarige 2] .
- De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de man, de vrouw en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben.
Verzoek en verweer
De man heeft – na aanvulling – verzocht om de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn;
- bepaling dat de echtelijke woning aan de [adres 1] aan een derde wordt verkocht, waarbij de overwaarde tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld;
- bepaling dat de woning aan de [adres 2] aan een derde wordt verkocht, waarbij de overwaarde tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld;
- bepaling dat de vrouw de helft van de door haar genoten huurinkomsten met betrekking tot de woning aan de [adres 2] , vermeerderd met de helft van de door de man betaalde kosten, vanaf de peildatum tot aan het verkopen van de woning aan de man dient te voldoen;
- bepaling dat de rekeningen worden toebedeeld aan degene op wiens naam deze rekening staat onder de verplichting de helft van het saldo op de peildatum aan de ander te vergoeden, met uitzondering van de gemeenschappelijke rekening van partijen;
- bepaling dat de kinderen om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man zijn, alsmede de helft van de vakantie- en feestdagen, vanaf het moment dat hij eigen woonruimte in Nederland heeft gevonden;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- gelasten van een onderzoek door de Raad ten aanzien van de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is;
- veroordeling van de man tot het voldoen van een bijdrage aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen ad € 913,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, vanaf datum beschikking;
- veroordeling van de man tot het voldoen van een bijdrage aan de vrouw in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw ad € 17,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, vanaf datum beschikking;
- bepaling dat de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de Droogscheerderskade 51 te Den Haag heeft tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
- gelasten van partijen om de huwelijksgemeenschap te verdelen conform het gestelde in paragraaf 6.1 tot en met 6.7 van het verweerschrift;
- althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank rechtens juist acht.
De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit erkend en heeft eveneens verzocht om de echtscheiding uit te spreken, zodat de verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Beide partijen hebben verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Juridisch kader
Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Standpunt man
De man heeft verzocht om vaststelling van een zorgregeling, waarbij de kinderen om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en de helft van de vakantie- en feestdagen bij hem verblijven. De man staat deze zorgregeling voor, zodra hij beschikt over woonruimte in Nederland. Daarbij heeft de man aangegeven dat hij in de toekomst minder in het buitenland werkzaam zal zijn en momenteel op zoek is naar woonruimte in de omgeving van Den Haag.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft zich niet verzet tegen vaststelling van de door de man verzochte zorgregeling in de toekomst. Volgens de vrouw kan deze zorgregeling echter op dit moment nog niet aan de orde zijn vanwege de beperkte contactmomenten tussen de man en de kinderen sinds de man in oktober 2023 de echtelijke woning heeft verlaten. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man en de kinderen hulpverlening nodig hebben om te komen tot een goede uitvoering van de zorgregeling. Verder heeft de vrouw aangegeven dat zij niet inziet hoe de man de door hem voorgestane zorgregeling zal uitvoeren, nu hij werkzaam is in het buitenland, weinig in Nederland verblijft en geen huisvesting heeft in Nederland.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank zal geen zorgregeling bepalen. De reden daarvoor is dat de woonsituatie van de man te onzeker is. Gebleken is dat de man momenteel veel in het buitenland werkt en hij de kinderen sporadisch ziet. De man heeft op de zitting aangegeven dat hij op zoek is naar een nieuwe baan in Nederland, waarbij hij niet meer hoeft te werken in het buitenland. Ook is de man nu op zoek naar een woning, bij voorkeur in de omgeving van [plaats] , waar hij de kinderen kan ontvangen. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij zich niet verzet tegen de door de man verzochte zorgregeling, mits hij in Nederland woont. De rechtbank overweegt dat partijen met elkaar afspraken moeten maken over het contact tussen de man en de kinderen, zodra de man beschikt over woonruimte in Nederland. In dit kader overweegt de rechtbank dat haar de door de man verzochte zorgregeling in beginsel passend lijkt. De rechtbank hoopt dat de man de komende periode contact kan blijven houden met de kinderen. Op de zitting heeft de man gesteld dat hij de kinderen tenminste een weekend om de twee maanden kan zien. De rechtbank merkt hierbij op dat de Raad op de zitting de suggestie heeft gedaan dat – naast de fysieke contactmomenten – videobelmomenten tussen de man en de kinderen ook een mogelijkheid is. De rechtbank moedigt partijen aan om samen toe te werken naar een vaste zorgregeling tussen de man en de kinderen, omdat dit in het belang van de kinderen is.
Raadsonderzoek
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot het gelasten van een raadsonderzoek naar de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank constateert dat de ouders bereid zijn om met elkaar te overleggen over de kinderen. Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank geen vaste zorgregeling bepalen en gaat de rechtbank ervan uit dat de ouders in onderling overleg tot een vaste zorgregeling zullen komen zodra de man in Nederland over woonruimte beschikt. De rechtbank acht zich daarom voldoende voorgelicht om een eindbeschikking te wijzen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
Kinderalimentatie
Op de zitting heeft de man ingestemd met het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en aldus bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 14 januari 2026, een bedrag van € 913,- per maand aan kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet voldoen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Ontbreken lotsverbondenheid
In het kader van de partneralimentatie heeft de man zich primair op het standpunt gesteld dat de vrouw zich op een zodanig grievende wijze jegens hem heeft gedragen, dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen. Het is daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat hij partneralimentatie betaalt. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer gesteld dat de vrouw hem voor het leven in het gezicht verminkt heeft door kokend water over hem heen te gieten. Met betrekking tot dit incident zal er op 20 januari 2026 een zitting plaatsvinden in een strafrechtelijke procedure.
De vrouw heeft betwist dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen. De vrouw heeft betreurd dat het incident heeft plaatsgevonden. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een noodweersituatie en er geen sprake is van structureel grievend gedrag van de vrouw. Nu er nog geen beslissing is genomen in de strafrechtelijke procedure, is het volgens de vrouw te voorbarig om in onderhavige procedure te oordelen dat de lotsverbondenheid tussen partijen verbroken is.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend, en zo ja: tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hierbij worden ook niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot, meegewogen. Daarbij geldt als criterium dat er sprake moet zijn van feiten en omstandigheden van zodanige aard dat van een gewezen echtgenoot in redelijkheid niet kan worden verwacht aan het levensonderhoud van de ander bij te dragen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de lotsverbondenheid die is ontstaan door het huwelijk en daarna nog doorwerkt, één van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat de lotsverbondenheid tussen ex-echtgenoten is komen te vervallen.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat zich begin oktober 2023 eenmalig een betreurenswaardig incident tussen partijen heeft voorgedaan. Ten aanzien van het incident heeft de vrouw gesteld dat zij zich bedreigd voelde vanwege de agressieve houding van de man en omdat hij [de minderjarige 2] had geslagen. Daarbij was de man die dag onder invloed, aldus de vrouw. De rechtbank kan in deze procedure niet vaststellen wat precies tussen partijen is voorgevallen. Daarbij overweegt de rechtbank dat partijen lang met elkaar zijn gehuwd. Bedacht moet worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van zodanig grievend gedrag van de vrouw, dat de conclusie is gerechtvaardigd dat daardoor de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw is komen te vervallen. De rechtbank zal daarom voorbijgaan aan het primaire verweer van de man en overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot partneralimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen. Voor de eerder verzochte ingangsdatum bestaat geen rechtsgrond. Dit deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de Hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2023-II, nu partijen in 2023 uit elkaar zijn gegaan.
De rechtbank houdt aan de zijde van de man rekening met een bruto-inkomen van € 72.618,- per jaar in 2023, zoals blijkt uit de jaaropgave van 2023. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 4.050,- per maand in 2023. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De rechtbank houdt aan de zijde van de vrouw rekening met een bruto-inkomen van € 32.153,- per jaar in 2023, zoals blijkt uit de IB-aangifte van 2023. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.529,- per maand in 2023. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De rechtbank berekent het NBGI op € 6.579,- per maand. Op basis van dit inkomen hadden partijen geen recht op kindgebonden budget.
Voor de bepaling van de behoefte van de vrouw moeten op het NBGI de kosten van de kinderen in mindering worden gebracht. Uit de behoeftetabel van het Rapport Alimentatienormen 2023 volgt bij het NBGI van partijen een eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen van € 1.460,-. Het NBGI bedraagt, met aftrek van de kosten van de kinderen, € 5.119,- per maand (€ 6.579,- minus € 1.460,-). De behoefte van de vrouw bedraagt dan afgerond € 3.071,- netto per maand in 2023 (60% van € 5.119,-). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 3.633,-.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto-behoefte van de vrouw van € 3.633,- per maand moet haar huidige NBI in mindering worden gebracht. De rechtbank gaat daarbij uit van een inkomen van € 1.649,- bruto per maand en een vakantietoeslag van 8%, zoals blijkt uit de door de vrouw na de zitting overgelegde brief van Stichting Jeugd Tandzorg West van 23 december 2025. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.730,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Conform het rapport moet daarvan bij de berekening van partneralimentatie het kindgebonden budget worden afgetrokken. Op dit moment heeft de vrouw recht op een kindgebonden budget van € 430,- per maand, waardoor een NBI van € 1.300,- resteert. Dit NBI komt in mindering op de behoefte van de vrouw, zodat haar aanvullende behoefte € 2.333,- netto per maand bedraagt (€ 3.633,- minus € 1.300,-).
Draagkracht man
De rechtbank houdt aan de zijde van de man rekening met een bruto-inkomen van € 90.686,- per jaar in 2025, zoals blijkt uit de door de man na de zitting overgelegde salarisspecificatie van december 2025. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met 8% vakantiegeld, een jaarlijkse winstdeling van € 4.165,-, de ingehouden pensioenpremies van € 3.545,- per jaar, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.173,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen uit het rapport alimentatienormen de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.354,- per maand, te weten
60% x [€ 5.173,- -/- (0,3 x € 5.173,- + € 1.365,-)].
Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 913,- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 441,- per maand (€ 1.354,- minus € 913,-). Gebruteerd komt dit neer op € 706,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 2.058,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte als de vrouw overhoudt. Aangezien dit bedrag hoger ligt dan de draagkracht van de man, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Conclusie
Gelet op het voorgaande en de door en tot het verzoek van de vrouw begrensde rechtsstrijd, zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 17,- bruto per maand zal betalen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlandse recht, nu de echtgenoten kennelijk hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in Nederland en zich geen van de in artikel 4, tweede lid, van dat verdrag genoemde uitzonderingen voordoet.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn op 8 augustus 2008 met elkaar gehuwd. Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 5 december 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 5 december 2024.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen ter beoordeling aangedragen:
de echtelijke woning aan de [adres 1] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
het huis aan de [adres 2] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
de bankrekeningen;
e inboedel;
de schulden.
Ad a. de echtelijke woning aan de [adres 1]
De vrouw heeft aangegeven dat zij de woning voor de duur van vijf jaar onverdeeld wil laten. Daarbij heeft de vrouw aangevoerd dat zij graag met de kinderen in de echtelijke woning wil blijven wonen tot de kinderen meerderjarig zijn of in ieder geval totdat beide kinderen naar de middelbare school gaan.
De man heeft gesteld dat de woning moet worden verkocht aan een derde.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:178 BW volgt dat deelgenoten in beginsel niet in onverdeeldheid hoeven te blijven, maar vrij zijn om verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. Op dit uitgangspunt zijn een aantal uitzonderingen mogelijk gemaakt. Zo bepaalt artikel 3:178 lid 3 BW dat indien de door onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend de rechter op verlangen van een deelgenoot een of meerdere malen, telkens voor ten hoogste drie jaar, een vordering tot verdeling kan uitsluiten.
De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of het belang van de vrouw bij het onverdeeld laten van de woning aanmerkelijk groter is dan het belang van de man bij verdeling van de woning. De rechtbank acht het in dit geval niet redelijk om de vordering tot verdeling van de echtelijke woning voor de door de vrouw gewenste periode uit te sluiten. Gebleken is dat de man de echtelijke woning niet toegedeeld wil krijgen. De vrouw wil met de kinderen in de echtelijke woning blijven wonen, maar zij is financieel niet in staat om de echtelijke woning over te nemen. De rechtbank constateert dan ook dat beide partijen op zoek zullen moeten gaan naar andere woonruimte. De rechtbank zal partijen in deze procedure de duidelijkheid bieden die zij daarvoor nodig hebben. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang om de woning nu te verkopen zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de woning voorlopig onverdeeld te laten.
De rechtbank zal de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw het initiatief zal nemen bij het in gang zetten van het verkoopproces en de man hierover zal informeren. De rechtbank merkt nog op dat het partijen vrijstaat om in onderling overleg van het spoorboekje af te wijken.
Ad b. het huis aan de [adres 2]
Gebleken is dat geen van partijen deze woning toegedeeld wil krijgen. Deze woning zal daarom moeten worden verkocht. De rechtbank zal de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw het initiatief zal nemen bij het in gang zetten van het verkoopproces en de man hierover zal informeren. De rechtbank merkt nog op dat het partijen vrijstaat om in onderling overleg van het spoorboekje af te wijken.
Vordering man vanwege door de vrouw ontvangen huurinkomsten
De man heeft aangegeven dat hij de eigenaarslasten van deze woning voldoet en de vrouw de huurinkomsten ontvangt. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van de huurinkomsten, vermeerderd met de helft van de door de man betaalde kosten, vanaf de peildatum tot de datum van de verkoop van de woning aan de man dient te vergoeden.
De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek. Zij heeft aangegeven dat zij de huurinkomsten nodig heeft om te voorzien in de kosten van de kinderen en haar eigen levensonderhoud.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de woning aan de [adres 2] momenteel wordt verhuurd en de vrouw de volledige huurinkomsten ontvangt. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij maandelijks € 772,- aan huurinkomsten ontvangt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de huurinkomsten zijn aangewend voor de kosten van de huishouding. Daarbij overweegt de rechtbank dat er geen kinder- en partneralimentatie bij voorlopige voorzieningen is vastgesteld. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Ad c. de bankrekeningen
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de saldi van de bankrekeningen op de peildatum bij helfte tussen partijen moeten worden gedeeld.
De man heeft aangevoerd dat hij de kosten van beide woningen van partijen voldoet en bijdraagt aan de kosten van de kinderen door maandelijks een bedrag over te maken naar de gezamenlijke bankrekening van partijen. De man heeft gesteld dat het daarom niet redelijk is dat het saldo van de gezamenlijke bankrekening op de peildatum bij helfte wordt gedeeld, mede omdat van de gezamenlijke rekening door partijen nog gebruik gemaakt zal worden totdat de echtelijke woning is verkocht. Ten aanzien van de overige bankrekeningen heeft de man verzocht te bepalen dat de saldi op de bankrekeningen op de peildatum bij helfte worden gedeeld en de rekeningen worden toebedeeld aan degene op wiens naam de rekening staat.
Partijen zijn het eens – behalve ten aanzien van de gezamenlijke bankrekening – dat de saldi op de bankrekeningen op de peildatum tussen partijen bij helfte worden gedeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de gemeenschap bij helfte moet worden gedeeld. De rechtbank zal daarom bepalen dat ieder van partijen de helft van de saldi van de bankrekeningen krijgt toegedeeld. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de afschrijvingen van de gezamenlijke rekening naar een andere bankrekening zullen overzetten, waarna de gezamenlijke rekening na verrekening zal worden opgeheven. De rechtbank verwacht dat partijen hier beiden hun medewerking aan zullen verlenen.
Ad d. de inboedel
Nu ten aanzien van de inboedel geen concreet verzoek aan de rechtbank voorligt, zal de rechtbank een beslissing achterwege laten.
Ad e. de schulden
De vrouw heeft gesteld dat zij een aanslag heeft gekregen voor te veel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2023. Ook heeft de vrouw aangevoerd dat zij voor de jaren 2020 tot en met 2022 geen recht had op toeslagen omdat de man een te hoog inkomen had. De vrouw heeft hiervoor een betalingsregeling getroffen. Verder heeft de vrouw gesteld dat zij aflost op vorderingen ten aanzien van de WOZ, afvalstoffenheffing en waterschapsbelasting. De vrouw heeft aangegeven dat de schulden door partijen gezamenlijk moeten worden gedragen.
De man heeft aangevoerd dat de vrouw geen bewijsstukken heeft overgelegd en hij daarom niet goed in staat is om inhoudelijk te reageren.
De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide partijen tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
De rechtbank is van oordeel dat de situatie van de schulden onduidelijk is. De rechtbank zal daarom niet anders bepalen dan de hoofdregel, te weten dat voor zover de schulden op grond van artikel 1:94 BW in de gemeenschap van goederen vallen, partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor deze schulden en dat ieder voor de helft daarvan draagplichtig is, op grond van artikel 1:100 BW.
Voortgezet gebruik
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en wordt dit volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft verzocht om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning tot zes maanden na inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw verblijft momenteel met de kinderen in de echtelijke woning. Zoals hiervoor is overwogen, zal de echtelijke woning aan een derde moeten worden verkocht. De rechtbank acht het daarom redelijk dat de vrouw voor zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de woning kan blijven en vanuit daar op zoek kan gaan naar een nieuwe woning voor haarzelf en de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.
Beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 8 augustus 2008 te Curaçao;
bepaalt dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 913,- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 17,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen dienen vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 2]
en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen dienen vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
aan de man worden toegedeeld:
- de helft van de saldi van de bankrekeningen;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de helft van de saldi van de bankrekeningen;
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de gemeenschapsschulden voor zijn/haar rekening dient te nemen;
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres 1] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 januari 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|