|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:1924 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 24/9678 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Weigering van verweerder om private schulden van eiseres over te nemen, omdat deze te laat zouden zijn ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Evenmin is er aanleiding om de beslissing op bezwaar te herzien. Het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9678
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Krimpen aan den IJssel, eiseres
(gemachtigde: mr. G.H. Amstelveen),
en
de minister van Financiën
(gemachtigde: mr. A. van der Spoel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van verweerder om private schulden van eiseres over te nemen, omdat deze te laat zouden zijn ingediend. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden komt de rechtbank tot het oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Evenmin is er aanleiding om de beslissing op bezwaar te herzien. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 10 juli 2024 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd de schulden van eiseres over te nemen.
2.1.
Met het besluit van 26 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingebracht.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en namens de gemachtigde van de minister, mr. S. Akkas.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 13 maart 2024 bij SBN een schuldenlijst ingediend, met het verzoek om haar private schulden aan Volkswagen Financial Service van € 12.531,06 en Rabo Direct Financiering van € 7.256,66 over te nemen. Met het primaire besluit heeft SBN de aanvraag afgewezen, omdat de bedragen zijn ingediend na de voor eiseres geldende wettelijke einddatum.
3.1.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Er is volgens de minister geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De door eiseres ingediende schulden heeft zij al eerder ingediend en zijn inhoudelijk door SBN al een keer beoordeeld en afgewezen met het besluit van 1 februari 2023. De door eiseres tegen dat besluit aangevoerde bezwaren zijn met de beslissing op bezwaar van 18 augustus 2023 ongegrond verklaard. De aanvraag van eiseres van 13 maart 2024 is volgens de minister een herhaalde aanvraag.
Standpunt eiseres
4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat pas op een later moment duidelijk is geworden dat door SBN een nieuw loket voor al betaalde schulden werd geopend. Evenmin was het duidelijk voor eiseres dat er termijnen golden voor het indienen van de schulden. Eiseres doet verder een beroep op de hardheidsclausule en stelt dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, omdat zij haar schulden heeft afbetaald met haar compensatiebedrag. Volgens eiseres moet de minister rekening houden met de bijzondere omstandigheden van haar geval. Verder doet eiseres een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder terecht de aanvraag van eiseres om haar schuld over te nemen heeft afgewezen, omdat deze te laat is ingediend. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
5.1.
Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht dient een aanvraag als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wht (inzake overneming of betaling van privaatrechtelijke geldschulden van een gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag) uiterlijk 1 januari 2024 te worden ingediend.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de aanvraag van 13 maart 2024 te laat heeft ingediend. Het beroep van eiseres dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, slaagt niet. Ten eerste geldt dat de termijnen voor het indienen van een aanvraag voor het overnemen van private schulden dwingend uit de wet volgen. Hiervan kan mogelijk door toepassing van de hardheidsclausule aan de hand van de maatstaven uit de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024 van worden afgeweken. Uit deze uitspraken volgt dat er bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de betrokken aanvrager betreffen. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiseres geen sprake van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De door eiseres ingediende schulden zijn reeds inhoudelijk door SBN beoordeeld naar aanleiding van een eerdere door eiseres ingediende aanvraag. Deze aanvraag is door SBN afgewezen met het besluit van 1 februari 2023. Met de beslissing op bezwaar van 18 augustus 2023 zijn de bezwaren tegen dit besluit ongegrond verklaard. Dat er later een speciaal loket is geopend voor de overname van al betaalde schulden, doet niet ter zake. Door SBN zijn de ingediende schulden naar dezelfde wettelijke maatstaf beoordeeld. Ook de stelling van eiseres dat het voor haar niet duidelijk was dat er wettelijke termijnen golden voor het indienen van de aanvraag, kan niet worden gevolgd. Eiseres heeft destijds immers een tijdige aanvraag gedaan en eiseres werd bij de eerste aanvraag al bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigde van eiseres had haar kunnen en moeten informeren over de wettelijke termijnen en de gevolgen daarvan.
5.3.
Pas ter zitting heeft eiseres, onder verwijzing naar het bezwaarschrift, het standpunt ingenomen dat de aanvraag moet worden beoordeeld als een herhaalde aanvraag dan wel als een verzoek om herziening van de beslissing op bezwaar van 18 augustus 2023 in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.4.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
5.5.
Voor zover eiseres heeft bedoeld een herhaalde aanvraag te doen, geldt eveneens dat deze aanvraag te laat is ingediend. Dit leidt daarom niet tot een ander oordeel.
5.6.
Verder heeft eiseres (pas) op de zitting zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift had moeten worden aangemerkt als een verzoek om herziening. De rechtbank is van oordeel dat uit het bezwaarschrift niet volgt dat eiseres heeft bedoeld een verzoek tot herziening van de beslissing op bezwaar van 18 augustus 2023 in te dienen. Verweerder heeft nota bene eiseres zelf gewezen op het feit dat al in een eerder procedure over de overname van deze schulden was beslist. Hieruit volgt dat eiseres de aanvraag als een volledig nieuwe aanvraag heeft gepresenteerd zonder enige verwijzing naar de reeds in rechte vaststaande beslissing op bezwaar van 18 augustus 2023.
5.7.
Verder overweegt de rechtbank dat een verzoek om herziening niet tot een andere uitkomst had geleid. Als een verzoek wordt gedaan om van een in rechte vaststaand besluit terug te komen (een herzieningsverzoek), heeft het bestuursorgaan twee opties om op dat verzoek te reageren: de vereenvoudigde afdoening op grond van artikel 4:6 van de Awb of een heroverweging in volle omvang. Beiden beoordelingen zouden niet tot een andere uitkomst leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zowel in bezwaar als in beroep geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. Evenmin heeft zij aangevoerd waarom de beslissing op bezwaar van 18 augustus 2023 evident onredelijk is. Eiseres heeft in beroep weliswaar bankafschriften overgelegd om aan te tonen dat zij door de afbetalingen van haar leningen in de financiële problemen kwam en iedere maand in het rood kwam te staan. De door eiseres overgelegde bankafschriften uit oktober en november 2020 kunnen niet als nieuw feit of omstandigheid worden aangemerkt. Deze afschriften dateren uit 2020 en zijn dus van voor het eerder genomen besluit. Eiseres had deze bewijsstukken in de eerdere procedure kunnen en moeten overleggen. Daarnaast blijkt uit de beslissing op bezwaar van 18 augustus 2023, de overige stukken en hetgeen op de zitting is besproken dat de vorderingen van eiseres niet opeisbaar waren voor 1 juni 2021, zodat ze daarmee ook niet voldoen aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht. Een eventuele inhoudelijke heroverweging van verweerder had daarom ook opnieuw tot een afwijzing geleid. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr.I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb)van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
Kamerstukken II 2021/2022, 36 151, nr. 3, blz. 44.
Zie de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 en de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:32.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5329, het CBb van 15 april 2025, ECLI:NL:CBB:2025:260, de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1814, en Centrale Raad van Beroep (CRvB) 18 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1476. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|