Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2025:9813 
 
Datum uitspraak:31-12-2025
Datum gepubliceerd:26-02-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:C/02/442113 / JE RKm 25-2 C/02/442113 / JE RKm 25-2
Rechtsgebied:Ondernemingsrecht
Indicatie:Verlenging ondertoezichtstelling met daarin opgenomen de doelen waaraan gewerkt moet worden.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/442113 / JE RK 25-2054
Datum uitspraak: 31 december 2025


Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling


in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT ,
locatie Tilburg ,
hierna te noemen de GI,

over



[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] (Afghanistan),
hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:



[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] .





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 14 november 2025, ontvangen op 20 november 2025.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 december 2025. Daarbij waren twee vertegenwoordigsters van de GI aanwezig. De moeder is correct opgeroepen maar niet verschenen.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.



1.4.
De kinderrechter heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De GI heeft toegezegd direct na de zitting [minderjarige] en de moeder van de mondelinge beslissing op de hoogte te brengen.







2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.3.
De vader van [minderjarige] is overleden.



2.4.
Bij beschikking van 6 januari 2025 is [minderjarige] (na een eerdere voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 6 januari 2025 tot 6 januari 2026. Daarnaast is bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 6 januari 2025 tot 6 januari 2026.



2.5.
Medio augustus 2025 is [minderjarige] bij haar moeder teruggeplaatst bij wie zij tot op de dag van vandaag woont.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot aan haar meerderjarigheid (te weten tot 18 april 2026) en verder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De vertegenwoordigsters van de GI hebben, onder verwijzing naar het verzoekschrift met bijlagen, ter zitting aangevoerd dat de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder aanvankelijk goed verliep. [minderjarige] en de moeder waren blij dat zij weer met elkaar herenigd waren en het ging goed tussen hen. [minderjarige] is gestart met een opleiding op [school] . De bedoeling was om een MST-traject in het gezin van de moeder in te zetten maar dit werd door de hulpverlening als te intensief en niet passend beoordeeld. Dit traject heeft daarom geen doorgang gevonden.

Eind oktober 2025 blijkt het in het gezin van de moeder niet meer zo goed te gaan. Niet zozeer tussen de moeder en [minderjarige] maar meer tussen het jongere broertje van [minderjarige] en de moeder. Vanuit de moeder en [minderjarige] bestaat het idee dat het jongere broertje, dat net als [minderjarige] bij de moeder woont, door de oudste broer van [minderjarige] wordt opgestookt om zich met [minderjarige] te bemoeien. Er heeft een incident plaatsgevonden, waarbij het jongere broertje spullen van de moeder kapot heeft gemaakt en hij de moeder heeft geslagen. Zowel [minderjarige] als het COA hebben melding gemaakt van dit incident.

Begin november 2025 is er regelmatig ruzie tussen de gezinsleden omdat [minderjarige] vindt dat het jongere broertje zich met haar bemoeit, dat deze wil weten waar en bij wie zij is en dat hij wil bepalen met wie zij omgaat. Volgens [minderjarige] spreekt de moeder het jongere broertje onvoldoende tegen waardoor hij door kan blijven gaan. Ook zou de moeder het niet eens zijn met welke vriendinnen [minderjarige] omgaat, waarbij de moeder [minderjarige] veelvuldig negeert en buiten sluit met het eten. [minderjarige] geeft aan het niet meer fijn te vinden bij haar moeder.

Op 11 november 2025 heeft er een forse ruzie tussen [minderjarige] en de moeder plaatsgevonden nadat [minderjarige] had aangegeven het uit te willen maken met haar vriendje uit Afghanistan. De moeder wil niet dat [minderjarige] haar relatie verbreekt uit angst wat andere mensen hiervan zullen gaan vinden. Er is contact tussen de moeder en het vriendje van [minderjarige] , en ook [minderjarige] wordt benaderd vanuit de familie van haar vriendje. [minderjarige] voelt zich hier niet veilig bij. Zowel [minderjarige] als de moeder doen belastende, kwetsende en zorgelijke uitspraken naar elkaar. Zij reageren beiden heel erg vanuit emotie en dreigen beiden met zelfmoord. Uiteindelijk is die zorg niet concreet, maar wel wordt steeds duidelijker dat [minderjarige] en de moeder er veel moeite mee hebben om hun emoties juist te uiten. Er worden veiligheidsafspraken met [minderjarige] gemaakt en afspraken doorgenomen waar [minderjarige] terecht kan als het haar te veel wordt.

De situatie tussen [minderjarige] en de moeder is op dit moment weer iets rustiger maar nog niet stabiel. Er zijn pieken en dalen. Op fijne momenten geeft [minderjarige] aan bij de moeder te willen blijven wonen, op minder fijne momenten wil zij dat niet meer en geeft zij aan graag zelfstandig te willen wonen. [minderjarige] krijgt op dit moment ondersteuning van een ervaringsdeskundige van de GI, bij wie zij haar verhaal kwijt kan. Zij hebben wekelijks contact met elkaar. Daarnaast helpt de ervaringsdeskundige [minderjarige] bij zaken die geregeld moeten worden richting haar achttiende jaar, zoals bijvoorbeeld een zorgverzekering. Ook bespreekt de ervaringsdeskundige met [minderjarige] wat zij graag zou willen na haar achttiende jaar. Indien [minderjarige] zelfstandig wil gaan wonen, moet daarvoor nog heel veel geregeld worden. Ook hierin kan de ervaringsdeskundige [minderjarige] ondersteuning bieden.
Een verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig om aan [minderjarige] en de moeder de benodigde ondersteuning te kunnen bieden richting de meerderjarigheid van [minderjarige] en alles wat daar bij komt kijken, gezien hun onbekendheid met het Nederlandse systeem. [minderjarige] en de moeder hebben de sturing van het gedwongen kader nodig om tot afspraken en uitvoering van de afspraken te kunnen komen. Daarnaast is het belangrijk dat de situatie goed wordt gemonitord, gezien de nog aanwezige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] en is nog nodig dat er regie kan worden gevoerd ter waarborging van de belangen van [minderjarige] .





5De beoordeling


Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht



5.1.
De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] en de moeder de Afghaanse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter dient te beoordelen of zij internationaal bevoegd is om van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] kennis te nemen en om daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen.



5.2.
Op grond van artikel 7 van de Verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid valt onder meer (de verlenging van) de ondertoezichtstelling van minderjarigen.



5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek van de GI kennis te nemen en daarop te beslissen.



5.4.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek van de GI te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.


Wat zegt de wet?




5.5.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.


5.6.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.


Inhoudelijke beoordeling




5.7.
De kinderrechter is op basis van de overgelegde stukken en van datgene dat tijdens de zitting naar voren is gebracht, van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Hoewel de plaatsing van [minderjarige] bij de moeder aanvankelijk goed verliep, is hierin helaas een kentering opgetreden. De relatie tussen [minderjarige] en de moeder is niet stabiel maar wisselt. De verstandhouding tussen [minderjarige] en de moeder is, mede gezien hun voorgeschiedenis waarin zij beiden veel hebben meegemaakt, complex waarbij zij beiden moeite hebben om op een juiste wijze hun emoties (naar elkaar) te uiten. [minderjarige] doet suïcidale uitspraken, al dan niet vanuit wanhoop. Daarnaast heeft [minderjarige] op dit moment last van het gedrag van met name haar jongere broertje, die zich volgens haar te veel met haar leven bemoeit. Ook dit leidt tot conflicten en fricties binnen het gezin. Dit belast [minderjarige] erg en staat haar ontwikkeling in de weg.



5.8.
Het lukt de moeder niet zelfstandig om de zorgen met betrekking tot de ontwikkeling [minderjarige] te verminderen en/of weg te nemen. Dit maakt dat de kinderrechter het nodig acht dat de GI nog langer betrokken bij hen blijft. Belangrijk is dat de hulpverlening die [minderjarige] op dit moment krijgt van de ervaringsdeskundige van de GI door blijft lopen. [minderjarige] ervaart veel steun van de ervaringsdeskundige bij wie zij waar verhaal kwijt kan, en er dienen daarnaast nog verschillende zaken geregeld te worden vóór het achttiende jaar van [minderjarige] . Bovendien kan de ervaringsdeskundige [minderjarige] hulp bieden in haar afweging of zij al dan niet zelfstandig wil gaan wonen en zo ja, kan deze met haar op een rijtje zetten wat hierin haar mogelijkheden zijn en wat zij daarvoor nodig heeft. Ook acht de kinderrechter het van belang dat, mede gezien de zorgen over de veiligheid van [minderjarige] , het wonen van [minderjarige] bij de moeder en de ontwikkelingen in de komende periode door de GI goed gemonitord worden en dat, daar waar nodig, nadere hulpverlening voor [minderjarige] en/of in het gezin van de moeder wordt ingezet.

Eerder is beoordeeld dat de inzet van een MST-traject in het gezin van de moeder te intensief en niet passend was. Gezien de ontwikkelingen vanaf eind oktober 2025 zou een MST-traject op dit moment mogelijk wel aangewezen kunnen zijn. De vertegenwoordigsters van de GI hebben ter zitting aangegeven bereid te zijn de mogelijkheid van een MST-traject opnieuw te onderzoeken.



5.9.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is voldaan. Een ondertoezichtstelling is nog steeds nodig. De kinderrechter zal het verzoek van de GI dan ook toewijzen en beslissen dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd tot de meerderjarigheid van [minderjarige] , te weten 18 april 2026.



5.10.
In de komende periode dient er in ieder geval gewerkt te (blijven) worden aan de volgende doelen:



[minderjarige] werkt mee aan de hulpverlening;



[minderjarige] ontwikkelt zich positief en leeftijdsadequaat;



[minderjarige] groeit op in een veilige opvoedomgeving.





5.11.
Tot slot overweegt de kinderechter dat haar is gebleken dat [minderjarige] veel voor de moeder zorgt en regelt. Zij wordt al langere tijd belast met een aantal zaken die zij, gezien haar leeftijd, normaliter niet zou moeten oppakken binnen het gezin. De moeder zou [minderjarige] hierin kunnen ontlasten, door onder andere de Nederlandse taal (meer) te gaan beheersen waardoor zij zich beter in de Nederlandse maatschappij kan redden en zij minder afhankelijk is van [minderjarige] . De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de GI hierover het gesprek met de moeder aan kan gaan en dat deze haar hierin kan stimuleren. Het is aan de moeder om zich hiervoor open te stellen in het belang van [minderjarige] .



5.12.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing

De kinderrechter:


6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 6 januari 2025 tot18 april 2026;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 8 januari 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:


degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Link naar deze uitspraak