|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:1956 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 24/6485 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011 en het ontbreken van een beoordeling van de toeslagjaren 2015 en 2016. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag voor 2010 en 2011 terecht afgewezen. Ten aanzien van de toeslagjaren 2015 en 2016 is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, omdat niet kan worden vastgesteld of deze jaren terecht niet zijn beoordeeld. Het beroep is gegrond. | | Trefwoorden | : | forfaitair | | | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/6485
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Rotterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: mr. N. Hamdach en mr. M.S. Haziz).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor de toeslagjaren 2010 en 2011 en het ontbreken van een beoordeling van de toeslagjaren 2015 en 2016. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld of de Dienst Toeslagen de toeslagjaren 2015 en 2016 terecht niet heeft beoordeeld. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is daarom gegrond. Verder is de rechtbank van oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011 terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 18 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2012, 2013 en 2014 toegewezen.
2.1.
Met het besluit van 22 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2010 en 2011 afgewezen.
2.2.
Met het besluit van 29 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 18 mei 2021 gegrond verklaard en het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 januari 2024 ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiseres heeft op 30 juli 2024 en 13 november 2025 nadere gronden ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op 20 oktober 2006 en 26 maart 2012. Ze heeft op 6 februari 2021 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 18 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2012, 2013 en 2014 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres in aanmerking komt voor compensatie op grond van groepsgewijze vooringenomenheid en compensatie ter hoogte van € 71.750,- toegekend. In 2012 en 2013 is de kinderopvangtoeslag van eiseres op nihil gesteld naar aanleiding van een onderzoek van het Combiteam Aanpak Facilitators (CAF). Eiseres heeft destijds op verschillende manieren geprobeerd aan te tonen dat er in die periode weldegelijk kinderopvang heeft plaatsgevonden. Desondanks is haar kinderopvangtoeslag in 2012 en 2013 stopgezet en is haar kinderopvangtoeslag over 2014, als gevolg daarvan, niet gecontinueerd. Met het besluit van 22 januari 2024 is de aanvraag om compensatie voor de jaren 2010 en 2011 afgewezen.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het compensatiebedrag verhoogd tot een bedrag van € 80.082,-. In het besluit van 18 mei 2021 was ten onrechte geen compensatie voor juridische hulp in 2017 toegekend. Daardoor is de compensatie verhoogd met de juridische kosten, de daarmee samenhangende vergoedingen en de proceskostenvergoeding. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van compensatie voor de jaren 2010 en 2011 gebleven.
Heeft de Dienst Toeslagen terecht de jaren 2015 en 2016 niet beoordeeld?
5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte de jaren 2015 en 2016 niet heeft beoordeeld. In het verweerschrift staat dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd voor de periode 2010 tot en met 2016.
5.1.
Als uitgangspunt geldt dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven. De Dienst Toeslagen moet ten aanzien van die jaren onderzoeken of de aanvrager in aanmerking komt voor een herstelmaatregel, tenzij de aanvrager de aanvraag heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, hangt af van de omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld. Deze omstandigheden kunnen bijvoorbeeld blijken uit de notitie waarin de telefonische aanvraag is vastgelegd, de vastlegging van de gesprekken tussen de aanvrager en de persoonlijke zaaksbehandelaar en andere stukken.
5.2.
Op de zitting hebben de gemachtigden van de Dienst Toeslagen verklaard dat in het systeem staat dat er een aanvraag kinderopvangtoeslag is geweest in 2013 die daarna is stopgezet en dat in 2015 en 2016 nihil is beschikt. Op de vraag van de rechtbank waarop de passage in het verweerschrift is gebaseerd dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd tot en met 2016, heeft een van de gemachtigden van de Dienst Toeslagen geantwoord dat dat nader moet worden onderzocht.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de Dienst Toeslagen de jaren 2015 en 2016 terecht niet heeft beoordeeld. In zoverre slaagt de beroepsgrond en is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarin niet is beslist over de jaren 2015 en 2016. De Dienst Toeslagen moet onderzoeken of eiseres in 2015 en 2016 een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft ingediend en of in die jaren een beschikking is gegeven over de kinderopvangtoeslag. Als sprake is van een aanvraag of beschikking, dan moet de Dienst Toeslagen beoordelen of eiseres ten aanzien van die jaren in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht.
Heeft de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag om compensatie voor de jaren 2010 en 2011 afgewezen?
6. Eiseres betoogt dat er ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de jaren 2010 en 2011. Ten aanzien van 2010 voert eiseres aan dat zij schade heeft geleden omdat de kinderopvangtoeslag rechtstreeks aan de opvang is betaald, maar eiseres dit zelf moest terugbetalen. Ook was zij opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Ten aanzien van het jaar 2011 voert eiseres aan dat zij kinderopvangtoeslag moest terugbetalen, omdat de gastouder op hetzelfde adres als eiseres woonde. De Dienst Toeslagen had dit vooraf kunnen toetsen, zodat eiseres niet te maken had gekregen met terugvorderingen. Door dat niet te doen, heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld.
6.1.
De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijke systeem van de kinderopvangtoeslag.
6.2.
De rechtbank beoordeelt de betwiste toeslagjaren als volgt.
Toeslagjaar 2010
6.2.1.
Uit het dossier blijkt dat op 4 juni 2010 een voorschot kinderopvangtoeslag is toegekend. Op 6 augustus 2010 is dit voorschot verhoogd tot € 10.700,-. Met het besluit van 3 februari 2015 is de toeslag definitief vastgesteld op € 9.506,-. Deze verlaging van het voorschot is het gevolg van gewijzigde opvanggegevens die eiseres op 12 september 2011 en 8 april 2014 heeft doorgegeven. Het bedrag van € 1.194,- is teruggevorderd door verrekening met de inkomensheffing over 2016. In deze gang van zaken ziet de rechtbank geen aanwijzing dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld jegens eiseres. Het enkele feit dat eiseres is opgenomen in de FSV betekent niet dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld, nu uit het dossier blijkt dat de wijzigingen van het recht op kinderopvangtoeslag het gevolg waren van door eiseres zelf doorgegeven wijzigingen van opvanggegevens. Voor compensatie wegens te harde toepassing van het wettelijke systeem is ook geen aanleiding. Daarvoor is vereist dat ten minste € 1.500,- aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of dat het recht op kinderopvangtoeslag met meer dan € 1.500,- is verlaagd. Aan die voorwaarde is hier niet voldaan. De Dienst Toeslagen heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht geen compensatie voor het jaar 2010 toegekend.
Toeslagjaar 2011
6.2.2.
Voor het toeslagjaar 2011 blijkt uit het dossier dat op 3 december 2010 een voorschot is vastgesteld op € 9.965,- en dat dit op 18 mei 2011 is verhoogd tot € 10.144,-. Op 20 oktober 2012 is het recht op kinderopvangtoeslag op € 0,- vastgesteld, omdat de gastouder – de zus van eiseres – en eiseres op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Dan bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag. Nadat de gastouder van dat adres was uitgeschreven, is met het besluit van 9 april 2014 alsnog kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011 toegekend tot een bedrag van € 9.047,-. Hiermee heeft de Dienst Toeslagen slechts uitvoering gegeven aan de destijds bestaande regelgeving. De Dienst Toeslagen was niet verplicht eiseres er vooraf op te wijzen dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag als de gastouder op haar eigen adres stond ingeschreven. Van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen was dus geen sprake. Van een te harde toepassing van het wettelijke systeem was evenmin sprake, omdat nog altijd geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag als de gastouder op hetzelfde adres staat ingeschreven als de ouder van het kind aan wie opvang wordt geboden. Ook voor 2011 heeft de Dienst Toeslagen daarom terecht geen compensatie toegekend.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiseres recht op compensatie omdat artikel 19 van de Awir zou zijn geschonden?
7. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door het recht op kinderopvangtoeslag te herzien buiten de in artikel 19 van de Awir gestelde termijn. De Dienst Toeslagen was niet bevoegd dat te doen, omdat de in artikel 19 van de Awir gestelde termijn een vervaltermijn is. Eiseres wijst daarbij op een conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus. Uit openbare documenten blijkt dat de Dienst Toeslagen destijds bewust in strijd heeft gehandeld met artikel 19 van de Awir.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen recht op compensatie in het geval artikel 19 van de Awir zou zijn geschonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft naar aanleiding van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus geoordeeld dat de in artikel 19 van de Awir gestelde termijn geen fatale termijn is, zodat de Dienst Toeslagen ook na het verstrijken van die termijn bevoegd blijft een voorschot op een toeslag te herzien of een toeslag definitief vast te stellen. De Afdeling heeft bovendien geoordeeld dat het enkele feit dat de in artikel 19 van de Awir gestelde termijn is geschonden, niet betekent dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Eiseres heeft onvoldoende duidelijk gemaakt uit welke openbare documenten zou blijken dat de Dienst Toeslagen destijds bewust in strijd heeft gehandeld met artikel 19 van de Awir. Op de zitting heeft eiseres in dat kader verwezen naar de rapporten van PricewaterhouseCoopers. In die rapporten heeft de rechtbank een dergelijke bewering niet aangetroffen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de immateriële schadevergoeding juist vastgesteld?
8. Eiseres stelt dat de immateriële schadevergoeding die de Dienst Toeslagen heeft toegekend te laag is. De daadwerkelijke immateriële schade is hoger. De Dienst Toeslagen had daarom moeten afwijken van het in de wet genoemde forfaitaire bedrag.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de immateriële schadevergoeding juist vastgesteld. Het betoog van eiseres strekt ertoe dat de rechtbank de hoogte van de toegekende immateriële schadevergoeding toetst aan het evenredigheidsbeginsel. In artikel 120 van de Grondwet is opgenomen dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. De Wht is een wet in formele zin. Artikel 2.3, vierde lid, waarin is opgenomen dat voor immateriële schade een bedrag van € 500,- per half jaar wordt toegekend, valt dus onder het toetsingsverbod. Er is ook geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor toepassing van de wettelijke bepaling in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. De wetgever heeft onderkend dat gedupeerden ook meer of andere immateriële schade kunnen hebben geleden en voor het verkrijgen van compensatie daarvoor is ook nadrukkelijk een weg opengesteld, namelijk via de Commissie Werkelijke Schade. Omdat de wetgever een gemotiveerde keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling forfaitair een het bedrag van € 500,- per half jaar toe te kennen, heeft de bestuursrechter geen ruimte om de hoogte van dit bedrag te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond, omdat in het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor onder 5.3 is overwogen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin niet is beslist over de jaren 2015 en 2016.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin niet is beslist over de jaren 2015 en 2016;
bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rb. Rotterdam 17 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13134.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 2.1, vierde lid, van de Wht.
Artikel 1.1, eerste lid, onderdeel 2, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, zoals geldend van 1 januari 2010 tot 1 januari 2012.
Artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang, zoals geldend vanaf 1 januari 2026.
ECLI:NL:RVS:2016:159.
ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484, r.o. 33.
ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, r.o. 5.8.
Zie Kamerstukken II 2021/22, 31066, nrs. 935 en 949.
ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2990, r.o. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|