|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:3091 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL25.26190 en NL25.26191 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Aanvraag verblijfsdocument EU/EER, beroep ongegrond. Arrest K.A., familie- of gezinsleven artikel 8 EVRM, privéleven artikel 8 EVRM, terugkeerbesluit en SIS-signalering, hoorplicht. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.26190 en NL25.26191
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres]
, V-nummer: [v-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.F. van der Gouw).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] de Surinaamse nationaliteit. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar jongere zus, [referente] (referente). Referente heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres wil bij referente verblijven, omdat zij stelt een bijzonder hechte band met haar te hebben. Hun moeder is kort na de geboorte van referente overleden en eiseres heeft haar grootgebracht.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat het arrest Chavez-Vilchez niet meer op referente van toepassing is, nu zij meerderjarig is. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen haar en referente dat maakt dat referente op geen enkele manier van eiseres gescheiden kan worden. Daarnaast is het bestreden besluit niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Tot slot heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – vier gronden aan. Ten eerste heeft eiseres een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU omdat referente zodanig afhankelijk is van eiseres dat zij op geen enkele manier van eiseres gescheiden kan worden. Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen. Er is – in tegenstelling tot wat verweerder stelt – wel sprake van familie- of gezinsleven. Ook moet de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het voordeel van eiseres uitvallen. Ten derde heeft verweerder eiseres ten onrechte niet gehoord. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit uitgevaardigd tegen eiseres en haar gesignaleerd in het SIS.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder geeft de rechtbank aan hoe tot dit oordeel is gekomen.
Afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU
5. Uit het arrest K.A. volgt dat een derdelander niet uitsluitend een verblijfsaanspraak aan artikel 20 van het VWEU kan ontlenen, indien hij verblijf beoogt bij zijn minderjarig kind dat Unieburger is, maar dat ook een afgeleid verblijfsrecht kan ontstaan op grond van artikel 20 van het VWEU als een derdelander verblijf beoogt bij een meerderjarig familielid dat burger van de Unie is. In het arrest is uitgelegd dat daarvoor vereist is dat een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen twee volwassen familieleden, dat de meerderjarige derdelander en de meerderjarige Unieburger op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden en dat een verblijfsweigering ertoe zal leiden dat de Unieburger verplicht is om het grondgebied van de Unie te verlaten. De beantwoording van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat deze situatie zich voordoet, vergt een individuele beoordeling door verweerder van de aangevoerde feiten en omstandigheden. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft gesteld dat niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het arrest K.A. waarbij sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiseres en referente op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiseres dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat referente al meerderjarig was toen zij op 3 juli 2021 zonder eiseres vanuit Suriname naar Nederland vertrok en in de gelegenheid was om hiertoe als jongvolwassene zelfstandig te beslissen. Dat dit in overleg met eiseres is gebeurd doet hieraan niet af. Verweerder heeft ook relevant mogen achten dat referente al een aantal jaar zelfstandig en zonder eiseres woont waarbij zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. De rechtbank begrijpt dat eiseres en referente een bijzondere band hebben, omdat hun moeder kort na referentes geboorte is overleden en eiseres haar rol heeft overgenomen, maar acht dit onvoldoende om de hoge lat uit het arrest K.A. te halen.
Familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM
6. Verweerder neemt familie- of gezinsleven aan tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) als er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Elementen zoals samenwoning, de financiële en materiële (praktische) afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de mate van emotionele afhankelijkheid en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook op goede gronden heeft geconcludeerd dat er tussen eiseres en referente geen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft hiertoe mogen betrekken dat eiseres sinds haar aankomst in Nederland niet op hetzelfde adres woont als referente. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat referente er zelf voor heeft gekozen om in Nederland te gaan wonen, dat zij hier al een aantal jaar zelfstandig woonde toen eiseres naar Nederland kwam en dat zij kennelijk in haar eigen onderhoud voorziet. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiseres niet heeft aangetoond dat eiseres en referente financieel en/of praktisch afhankelijk zijn van elkaar en zonder elkaars hulp niet zelfstandig kunnen functioneren. Verweerder heeft mogen betrekken dat het gebruikelijk is in een relatie tussen ouders/voogden en meerderjarige kinderen dat zij aan elkaar gehecht zijn, maar dat niet is gebleken dat eiseres en referente meer dan gebruikelijk afhankelijk van elkaar zijn. De rechtbank ziet dat eiseres en referente een hechte band hebben vanwege de zorg en emotionele steun die eiseres aan referente heeft geboden sinds het overlijden van hun moeder. Dit is evenwel onvoldoende om te spreken van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
Privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM
7. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de Afdeling volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante omstandigheden en belangen van eiseres in het kader van artikel 8 van het EVRM kenbaar afgewogen tegen het economisch belang van de Nederlandse staat en voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat het een eerste toelating betreft. Verweerder heeft ook in het nadeel van eiseres mogen meewegen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij sterke banden heeft met Nederland, nu zij hier pas voor een kortere periode verblijft, ook al werkt en studeert zij hier. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiseres sterkere banden heeft met Suriname, omdat eiseres veruit het grootste gedeelte van haar leven daar heeft doorgebracht en zij bekend is met de taal, cultuur en gewoontes aldaar en zij daar familie en vrienden heeft op wie zij een beroep zou kunnen doen bij haar terugkeer naar Suriname. Ook heeft verweerder mogen meewegen dat de banden die eiseres heeft met overige familieleden en eventuele vrienden in Nederland bij terugkeer naar Suriname ook van daaruit kunnen worden onderhouden.
Terugkeerbesluit en SIS-signalering
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit heeft mogen opleggen. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in het geval van eiseres verplicht was om eiseres te signaleren in het SIS omdat tegen haar een terugkeerbesluit was uitgevaardigd.
Hoorplicht
9. De rechtbank is van oordeel dat van schending van de hoorplicht in bezwaar geen sprake is. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Verweerder heeft zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een dergelijke twijfel geen sprake was. Eiseres heeft, zoals de rechtbank al heeft overwogen, de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen haar en referente niet aannemelijk gemaakt. De bezwaargronden bevatten enkel een herhaling van wat eiseres bij de aanvraag heeft aangevoerd. Er zijn geen verdere onderbouwende stukken aangeleverd. Verweerder kon op voorhand concluderen dat na bezwaar geen andere conclusie genomen zou worden dan in het primaire besluit al was gedaan. Een hoorzitting had deze conclusie niet anders gemaakt. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Er is namelijk sprake van een vergelijkbare situatie als in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308 (Arrest K.A.).
In de zin van artikel 8 van het EVRM.
In de zin van artikel 8 van het EVRM.
In strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Schengen Informatie Systeem.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308.
Op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Zie de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 4 tot en met 5.4.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 3, eerste lid van de Verordening 2018/1860.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|