Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:3083 
 
Datum uitspraak:12-02-2026
Datum gepubliceerd:27-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 26/88
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing vovo. Geen spoedeisend belang. Op grond van de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat verzoekster zich in een financiële noodsituatie bevindt.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/88

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2026 in de zaak tussen



[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).




Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de beslissing op bezwaar van 1 augustus 2025 (bestreden besluit). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.



1.2
Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Dat betekent dat de beslissing dat verzoekster vanaf 2 april 2025 geen recht heeft op een Ziektwet-uitkering is gehandhaafd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.



1.4.
Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om het Uwv op te dragen een voorschot op de Ziektewet-uitkering en de Ziektewet-uitkering vanaf 2 april 2025 uit te keren.




Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

3. Verzoekster stelt dat het spoedeisend belang maximaal en evident is, omdat zij geen inkomen heeft met als gevolg volledige betalingsonmacht. Zij heeft ook geen toegang tot zorg, waardoor haar gezondheid achteruit gaat. Haar schulden lopen op en er dreigt huisuitzetting. Het feit dat ze geen bijstandsuitkering heeft aangevraagd mag volgens vaste rechtspraak geen beletsel vormen voor het aannemen van spoedeisend belang. Gelet op haar gezondheid is het doen van een bijstandsaanvraag bovendien onevenredig belastend. Daarnaast zou een bijstandsaanvraag de rechtspositie van verzoekster kunnen verslechteren, nu het blijk zou kunnen geven van een gebrek aan urgentie en de verantwoordelijkheid van het Uwv bagatelliseert. De bijstand is een tijdelijk en subsidiair vangnet en geen vervanging voor een verzekeringsrechtelijke uitkering waarop aanspraak bestaat.


3.1.
Verzoekster heeft stukken overgelegd betreffende haar financiële situatie. Uit e-mails van 11 december 2025 en 12 januari 2026 blijkt dat verzoekster in respectievelijk december en januari haar huur niet heeft betaald. Uit e-mails van 15 december 2025 en 19 januari 2026 blijkt dat verzoekster een bedrag van € 45,87 niet aan Univé heeft betaald. Uit de e-mail van 21 december 2025 blijkt dat verzoekster een of meerdere delen van haar betalingsregeling bij VGZ niet had betaald. Uit de tweede e-mail van 19 januari 2026 blijkt dat verzoekster klant is bij de Voedselbank Leiden vanwege haar financiële omstandigheden.

4. Het Uwv heeft geen verweer gevoerd betreffende het spoedeisend belang.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat verzoekster zich in een financiële noodsituatie bevindt. Niet gebleken is dat zij niet in aanmerking zou komen voor een bijstandsuitkering. De redenen die verzoekster in dat verband aanvoert slagen niet. Onduidelijk is hoe een bijstandsaanvraag nadelig zou kunnen zijn voor haar gezondheid. Het is verder niet navolgbaar dat de rechtbank bij de beoordeling van haar beroep mee zou kunnen wegen dat zij een aanvraag om een bijstandsuitkering heeft gedaan. Ook anderszins is een financiële noodsituatie dan wel een aanstaande huisuitzetting niet aannemelijk geworden.




Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak