|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:2000 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | FT RK 25/1598 | | Rechtsgebied | : | Insolventierecht | | Indicatie | : | Afwijzing gedwongen schuldregeling. Aanbod niet goed en controleerbaar gedocumenteerd. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | uitkering | | Wetreferenties | : | Faillissementswet 287a
| | | | Uitspraak | Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 23 januari 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1De procedure
Verzoeker heeft op 5 september 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een viertal schuldeisers, te weten:
[persoon A] , wier vordering in behandeling is bij LBIO;
[persoon B] , wiens vordering in behandeling is bij LBIO «afkorting»;
[persoon C] , wiens vordering in behandeling is bij LBIO;
[persoon D] , wier vordering in behandeling is bij LBIO
(hierna gezamenlijk: [persoon A] c.s.), die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 16 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw [persoon E] , werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen schuldhulpverlening);
mr. A. el Ouath, werkzaam bij Fyrm advocaten, namens [persoon A] c.s.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zes schuldeisers, waarvan één preferente en vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 60.023,17 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 11 april 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WW-uitkering. Ter zitting is door schuldhulpverlening toegelicht dat de aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat gedurende de schuldbemiddeling afloscapaciteit kan ontstaan en hiermee de uitkering aan de schuldeisers hoger zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Vijf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [persoon A] c.s. stemmen hier niet mee in. Volgens het verzoekschrift heeft [persoon A] een vordering van € 5.247,42 op verzoeker, heeft [persoon B] een vordering van € 4.638,74 op verzoeker, heeft [persoon C] een vordering van € 3.795,78 op verzoeker en heeft [persoon D] een vordering van € 254,26 op verzoeker.
3Het verweer
Mr. El Ouath heeft namens [persoon A] c.s. ter zitting het volgende aangevoerd. Het aangeboden buitengerechtelijk akkoord komt neer op een volledige kwijtschelding van de alimentatievorderingen van [persoon A] c.s., groot € 15.727,80 inclusief LBIO-kosten ad € 1.795,37, hetgeen zij terecht en gemotiveerd weigeren. De vorderingen van [persoon A] c.s. vertegenwoordigen circa 24% van de totale schuldenlast en vormen daarmee een substantieel deel daarvan. Reeds hierom kan niet snel worden aangenomen dat [persoon A] c.s. in redelijkheid niet tot weigering hebben kunnen komen. Daarnaast benadrukken [persoon A] c.s. dat het niet gaat om gewone handelsvorderingen, maar om achterstallige partner- en met name kinderalimentatie, die ziet op het levensonderhoud en de bestaanszekerheid van de kinderen. De onderhoudsplicht is van dwingendrechtelijke aard en kan niet worden omzeild door middel van een dwangakkoord. Dat kinderalimentatie inmiddels per 1 juli 2025 als preferente vordering geldt, onderstreept volgens [persoon A] c.s. het bijzondere karakter en het maatschappelijk belang van deze schuld. Verder stellen [persoon A] c.s. dat verzoeker wel degelijk over verdiencapaciteit beschikt. Verzoeker heeft een academische opleiding, relevante werkervaring en geen objectieve belemmeringen om inkomen te genereren. Het ontbreken van inkomen is volgens [persoon A] c.s. geen onmacht, maar het gevolg van bewuste keuzes van verzoeker, gericht op het ontlopen van zijn onderhoudsplicht. Toewijzing van het dwangakkoord zou volgens [persoon A] c.s. neerkomen op het belonen van verwijtbaar gedrag en het legitimeren van het ontduiken van wettelijke verplichtingen. [persoon A] c.s. blijven bij hun standpunt dat zij onder geen enkel beding kunnen instemmen met een dwangakkoord dat leidt tot (gedeeltelijke of volledige) kwijtschelding van alimentatievorderingen, omdat dit in strijd is met het karakter van de onderhoudsplicht en het belang van de kinderen.
4De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [persoon A] c.s. bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [persoon A] c.s. in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van [persoon A] c.s. een aanzienlijk aandeel vormen in de totale schuldenlast (te weten 23,7% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [persoon A] c.s. in redelijkheid niet konden weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Zo is onduidelijk gecommuniceerd naar de schuldeisers of het aanbod strekt tot een directe finale kwijting, dan wel tot een schuldbemiddelingstraject van achttien maanden gevolgd door finale kwijting, waarbij bovendien niet is uitgesloten dat gedurende die periode alsnog afloscapaciteit kan ontstaan.
Voorts moeten de vorderingen van het LBIO voor kinderalimentatie sinds 1 juli 2025 als preferent worden aangemerkt. In het aanbod zijn deze vorderingen echter als concurrent aangemerkt. Daarnaast volgt uit de aanvullende stukken en de verklaring ter zitting dat sprake is van een spaarsaldo van € 7.895,56. Daarvan betreft een bedrag van € 4.373,13 een spaarsaldo dat is opgebouwd voorafgaand aan het minnelijk traject. Dit bedrag is niet betrokken bij het aanbod als beschikbaar vermogen voor de schuldeisers, hetgeen afbreuk doet aan de controleerbaarheid en de volledigheid van het voorstel.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [persoon A] c.s. als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [persoon A] c.s. te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
5De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|