|
|
|
| ECLI:NL:GHDHA:2026:225 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-03-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | | Zaaknummers | : | BK-25/63 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Art. 30a Wet WOZ; geen bijzonder geval. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bpm | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-25/63
Uitspraak van 18 februari 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 31 december 2024, nummer SGR 24/3537.
Procesverloop
1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 496.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing eigenaren (de aanslagen).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslagen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 438.000;
vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 438.000;
vermindert de aanslag watersysteemheffing tot een berekend naar een waarde van € 438.000;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.126,26;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden;
draagt verweerder op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.”
1.4.
De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 13 november 2025, 9 december 2025 en 15 december 2025 nadere stukken ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaak zijn ter zitting tevens de zaken met nummer BK-25/64 en BK-25/65 behandeld. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij zijn nader stuk van 13 november 2025 een afbeelding van de website van zijn onderneming [naam] , een modelovereenkomst van opdracht en diverse overeenkomsten en facturen met en aan klanten van de onderneming overgelegd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“13. Tot slot heeft eiser verzocht om een vergoeding voor het door hem overgelegde deskundigenrapport. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, en artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat recht op vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Onder deze kosten zijn op grond van het bepaalde in artikel 7:15, vierde lid, en artikel 7:28, vijfde lid, van de Awb in samenhang met artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht tevens begrepen de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Eiser komt derhalve in aanmerking voor een vergoeding van € 106 (2 uur x € 53), vermeerderd met 21% btw, per ingediend deskundigenrapport.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt het gewicht in deze zaak vast op 1 (gemiddeld). De rechtbank stelt alsdan de te vergoeden kosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.126,26 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624 (tarief 2024)[3], 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 (tarief 2024) en een vergoeding van € 128,26 voor het deskundigenrapport).
(…)
[3] Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060”
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de Rechtbank de proceskosten voor de fase in beroep op een juist bedrag heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of daarbij ten onrechte artikel 30a Wet WOZ niet is toegepast. De Heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.
4.2.
De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de beslissing over de proceskostenvergoeding betreft en tot vaststelling van het bedrag aan vergoeding van proceskosten op € 437,50 voor de beroepsfase.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) is artikel 30a aan de Wet WOZ toegevoegd, waarin de hoogte van proceskostenvergoedingen voor procedures betreffende de WOZ is beperkt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (het arrest van 17 januari 2025), ten aanzien van de werkingssfeer van de WHpkv het volgende overwogen:
“3.5.1 Uit hetgeen hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.6 is overwogen, volgt dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak.
3.5.2
Gevallen die kennelijk niet de hiervoor in 3.5.1 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van artikel 19a, leden 1 en 2, van de Wet bpm en artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. Een dergelijke uitleg van het begrip bijzondere gevallen draagt bij aan de verwezenlijking van het in artikel 17, lid 1, van de Grondwet begrepen recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.”
5.2.
De Hoge Raad heeft ten aanzien van de stelplicht en de bewijslast die op belanghebbende rust in zijn arrest van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670 (het arrest van 25 april 2025), voor zover van belang, het volgende overwogen:
“3.4.2 In de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever met de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv)[2] beoogde een einde te maken aan de overcompensatie die in geval van onverkorte toepassing van het Besluit optreedt bij het toekennen van proceskostenvergoedingen in het kader van procedures op het gebied van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) en belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm).Onder verwijzing naar dit doel van de WHpkv heeft de Hoge Raad vervolgens in het arrest van 17 januari 2025 overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen (rechtsoverweging 3.5.1). Gevallen die kennelijk niet alle hiervoor bedoelde kenmerken hebben, moeten volgens het arrest van 17 januari 2025 in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van de leden 1 en 2 van artikel 19a van de Wet bpm en van de leden 1 en 2 vanartikel 30a van de Wet WOZ. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende (rechtsoverweging 3.5.2).
3.4.3
De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de hiervoor in 3.4.2 bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend.
3.4.4
Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.
3.4.5
Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor in 3.4.2 onder (ii) bedoeld, zal aldus beoordeeld moeten worden of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor in 3.4.2 onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft.
3.4.6
Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of het kantoor kennelijk niet alle hiervoor in 3.4.2 bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat diens bedrijfsmodel een of meer van deze kenmerken niet heeft.
(…)
[2] Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.”
5.3.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte artikel 30a Wet WOZ niet heeft toegepast op de proceskostenvergoeding die aan belanghebbende is toegekend voor de beroepsfase. Hiertoe voert hij aan dat het beroep van belanghebbende gericht is tegen de uitspraak op bezwaar van 16 februari 2024. Dit is een besluit dat is genomen na 1 januari 2024 en de gemachtigde van belanghebbende verleent zijn diensten op no cure no pay-basis en dat hij niet als bijzonder geval kan worden aangemerkt zoals bedoeld in het arrest van 17 januari 2025.
5.4.
De gemachtigde van belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij sinds 1 januari 2024 niet meer op basis van no cure no pay optreedt. Door het vervallen van dit verdienmodel en om de kwaliteit van de dienstverlening te garanderen zijn volgens de gemachtigde van de 25 werkzame personen binnen de onderneming nog slechts 4 personen werkzaam. De gemachtigde vraagt sindsdien van klanten een vergoeding van € 80 voor een controle van de WOZ-waarde van een woning en een vergoeding van € 350 voor het indienen van een bezwaarschrift. Daartoe heeft de gemachtigde diverse overeenkomsten met klanten en facturen aan klanten overgelegd. Tevens heeft de gemachtigde een afbeelding van de website overgelegd waarop staat vermeld dat de gemachtigde zijn diensten niet meer op basis van no cure no pay verleent. De gemachtigde heeft in dit verband aangevoerd dat hij op deze wijze sinds begin 2025 naar buiten toe treedt, maar dat sinds begin 2024 de dienstverlening op basis no cure no pay reeds van de website was verwijderd.
5.5.
Het Hof stelt voorop dat de uitspraak van de Rechtbank geen blijk geeft van een beoordeling of artikel 30a Wet WOZ al dan niet tot een lagere proceskostenvergoeding voor de beroepsfase leidt. Gelet op de omstandigheid dat de uitspraak op bewaar van 17 februari 2024, waartegen beroep is ingesteld, een besluit is dat is genomen na 1 januari 2024, is artikel 30a Wet WOZ van toepassing op de toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase, tenzij belanghebbende kan worden aangemerkt als een bijzonder geval zoals bedoeld in het arrest van 17 januari 2025.
5.6.
Uit het arrest van 25 april 2025 volgt dat buiten redelijke twijfel moet komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet aan een van de drie in het arrest van 17 januari 2025 genoemde kenmerken voldoet om als bijzonder geval te kunnen worden aangemerkt Het Hof stelt op basis van de ingebrachte stukken vast dat de overeenkomsten inhoudelijk van elkaar afwijken. Zo verschillen de bedragen van de vergoedingen die volgens de overeenkomsten aan klanten in rekening worden gebracht. Verder is met een aantal klanten overeengekomen dat bij een gegrond rechtsmiddel 75% van het bedrag van de proceskostenvergoeding aan de gemachtigde toekomt en met de andere klanten is overeengekomen dat het gehele bedrag daarvan aan de gemachtigde toekomt. Voorts zijn met betrekking tot een aantal klanten wel de overeenkomsten, maar geen bijbehorende facturen overgelegd. Daar komt bij dat de bedragen van de overeengekomen vergoedingen in de overeenkomsten soms afwijken van de uiteindelijke factuurbedragen. Bovendien heeft een deel van de facturen een datum die ver na de datum van de overeenkomsten is gelegen. De gemachtigde heeft ter zitting onvoldoende toelichting gegeven over deze inconsistente werkwijze. Nog daargelaten dat niet kan worden vastgesteld dat de overgelegde facturen daadwerkelijk aan klanten zijn uitgereikt en door hen zijn betaald, kan evenmin zonder meer worden uitgesloten dat facturen eerst na afloop van de procedure worden opgemaakt en uitgereikt, afhankelijk van het resultaat van de procedure. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat op diverse facturen de door de gemeente toegekende kostenvergoeding reeds als verrekeningspost is opgenomen en dat de factuur dus is opgemaakt nadat het resultaat van de procedure al vaststond.
5.7.
Gelet op voormelde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, biedt de werkwijze van de gemachtigde onvoldoende aanknopingspunten voor een eenduidig beeld van het bedrijfsmodel. Een deugdelijke orderadministratie of jaarstukken ontbreken. Naar het oordeel van het Hof is daarom niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de gemachtigde zijn diensten niet op basis van no cure no pay verleent. Hiermee is niet voldaan aan de criteria uit het arrest van 17 januari 2025 om als bijzonder geval te kunnen worden aangemerkt. Dit brengt mee dat artikel 30a Wet WOZ van toepassing is op de in beroep toegekende proceskostenvergoeding. De uitspraak van de Rechtbank kan in zoverre niet in stand blijven.
5.8.
Aangezien de Rechtbank de uitspraak op bezwaar heeft vernietigd, moet het bedrag dat strekt tot de vergoeding van de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van artikel 30a, lid 2, letter a, Wet WOZ, worden vermenigvuldigd met 0,25. De Rechtbank heeft in totaal een bedrag van € 1.650 aan proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toegekend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 (tarief 2024)). Dit brengt mee dat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase op een bedrag van € 437,50 moet worden vastgesteld (€ 875 vermenigvuldigd met 0,25 vermeerderd met € 875 vermenigvuldigd met 0,25). De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en bezwaarfase tezamen moet derhalve op € 1.813,76 worden vastgesteld (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624 (tarief 2024 en een vergoeding van € 128,26 voor het deskundigenrapport, vermeerderd met € 437,50 voor de fase in beroep). Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
Slotsom
5.9.
Het hoger beroep is gegrond
Proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze de beslissing ten aanzien van de vaststelling van de proceskostenvergoeding betreft;
draagt de Heffingsambtenaar op de proceskostenvergoeding, vastgesteld op € 1.813,76, aan belanghebbende te vergoeden; en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.
Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.
De griffier, De voorzitter,
J. Azmi Shenouda H.A.J. Kroon
De beslissing is op 18 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|