Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:600 
 
Datum uitspraak:04-02-2026
Datum gepubliceerd:02-03-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:C/05/443021 / HA ZA 24-53 C/05/443021 / HA ZA 24-53
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2025:5064. Schadestaatprocedure. Beroepsfout hypotheekadviseur. Bestaan en omvang schade. Uitstel schadebegroting artikel 6:105 BW.
Trefwoorden:eigenwoningforfait
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/443021 / HA ZA 24-539 / 1906 / 1854


Vonnis in verzet van 4 februari 2026


in de zaak van




1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers,
gedaagden in verzet,
hierna samen te noemen: [gezamenlijke eisers] ,
advocaat: mr. H.J. Tulp,

tegen



[gedaagde]
, handelend onder de naam Hypotheek Visie Utrecht Overvecht,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
eiseres in verzet,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. L.V. van der Gun, die zich op 23 oktober 2025 heeft onttrokken.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2025,
- de akte nadere schadeberekening, tevens voorwaardelijke wijziging van eis van [gezamenlijke eisers] ,
- het bericht van mr. Van der Gun dat deze zich als advocaat van [gedaagde] aan de zaak onttrekt, waarna zich voor [gedaagde] – hoewel daartoe gelegenheid is gegeven – geen nieuwe advocaat heeft gesteld,
- de akte niet-dienen die aan [gedaagde] is verleend.



1.2.
Ten slotte is bepaald dat de rechtbank vandaag vonnis wijst.





2De verdere beoordeling


Het tussenvonnis van 2 juli 2025



2.1.
In het tussenvonnis van 2 juli 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat [gezamenlijke eisers] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout van [gedaagde] zijn hypotheken in februari 2022 zou hebben overgesloten naar ASR. De rechtbank heeft vastgesteld dat in die hypothetische situatie bij ASR voor de hypotheken een rente zou hebben gegolden van 1,65% voor één leningdeel en 1,50% voor drie leningdelen en een rentevaste periode van twintig jaar. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat in de feitelijke situatie met beroepsfout voor de hypotheken een rente geldt van 1,9%, 2,0%, 2,0% en 2,2% tot 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027. De schade van [gezamenlijke eisers] in de periode van februari 2022 tot 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027 moet worden vastgesteld door vergelijking van deze hypothetische en feitelijke situatie.



2.2.
De rechtbank heeft [gezamenlijke eisers] in de gelegenheid gesteld om op basis van deze uitgangspunten een aangepaste schadeberekening in de procedure te brengen. [gedaagde] mocht daarop bij antwoordakte reageren. Partijen dienden hierbij rekening te houden met (1) fiscale aspecten zoals de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait, (2) de boeterente die [gezamenlijke eisers] voor het oversluiten had moeten betalen, en (3) de (overige) kosten die [gezamenlijke eisers] had moeten betalen, zoals notariskosten, bemiddelingskosten en administratiekosten. Uit de schadeberekening diende duidelijk te blijken met welke posten rekening is gehouden, waarom en tot welk bedrag. Als bepaalde posten niet in de berekening waren betrokken, diende te worden uitgelegd waarom dat niet is gebeurd.


De beslissing in het kort




2.3.

[gezamenlijke eisers] heeft een nader schaderapport van [naam 1] in het geding gebracht. Ook heeft [gezamenlijke eisers] zijn eis (uiterst subsidiair) vermeerderd. [gezamenlijke eisers] vordert een bedrag van € 2.897,78 als vergoeding van de kosten van dit nadere schaderapport van [naam 1] , te vermeerderen met wettelijke rente.



2.4.
De rechtbank komt, op basis van het nadere schaderapport van [naam 1] , tot de conclusie dat [gezamenlijke eisers] op dit moment (nog) geen schade heeft geleden. Voor de toewijzing van schadevergoeding bestaat daarom op dit moment nog geen aanleiding.



2.5.
Zoals is overwogen in het tussenvonnis (onder 3.21), zal de rechtbank de beslissing over de schadebegroting vanaf 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027 uitstellen. Voor deze schadebegroting zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de parkeerrol.



2.6.
De rechtbank legt dit hierna uit.


De schadebegroting tot 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027



Het nadere schaderapport van [naam 1]




2.7.
De rechtbank stelt voorop dat het schaderapport van [naam 1] voldoende inzichtelijk en controleerbaar is om als uitgangspunt te dienen bij de schadebegroting voor de periode februari 2022 tot 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027. [naam 1] heeft de hiervoor onder 2.1 en 2.2 vermelde oordelen tot uitgangspunt genomen.



2.8.
In de feitelijke situatie berekent [naam 1] de netto rentelasten in de periode van februari 2022 tot en met juni 2026 respectievelijk juni 2027 op € 78.454,00. Hierbij is onder meer rekening gehouden met een eigenwoningforfait van € 4.193,00 per jaar en een hypotheekrenteaftrek van 37,48%. In de feitelijke situatie waren er volgens [naam 1] geen boeterente, administratie-, bemiddelings- en notariskosten.



2.9.
In de hypothetische situatie zijn de totale rentelasten volgens [naam 1] € 77.833,00. De netto rentelasten, rekening houdend met het eigenwoningforfait en de hypotheekrenteaftrek, zijn € 62.582,00. Bij oversluiten in februari 2022 moest [gezamenlijke eisers] een boeterente voor het oversluiten (€ 36.831,00), bemiddelingskosten aan [gedaagde] (€ 2.995,00), taxatiekosten (€ 850,00) notariskosten (€ 1.000,00) betalen. De som van de rente, boeterente en overige kosten is € 119.509,00. Netto is dit € 87.588,00.



2.10.
In een eerste berekening is [naam 1] ervan uitgegaan dat [gezamenlijke eisers] de boeterente en overige kosten ineens en volledig bij het oversluiten had moeten betalen. In die berekening bedragen de netto boeterente en overige kosten een totaalbedrag van € 25.006,00. Een vergelijking van de feitelijke situatie met hypothetische situatie leidt in die berekening tot de conclusie dat [gezamenlijke eisers] in de hier relevante periode een voordeel heeft van € 9.134,00 (€ 78.454,00 minus € 62.582,00 en € 25.006,00) en dus nog geen schade lijdt.



2.11.
In een tweede berekening is [naam 1] ervan uitgegaan dat [gezamenlijke eisers] de boeterente niet volledig bij het oversluiten had betaald, maar evenredig had kunnen verdelen over de nieuwe renteperiode van twintig jaar. In deze berekening wordt slechts een deel van de boete toegerekend aan de periode tot 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027, namelijk een bedrag van € 9.975,00 van de totale boete van € 36.831,00. De rest van de boete (€ 26.856,00) dient volgens [gezamenlijke eisers] in de schadebegroting vanaf juni 2026 respectievelijk juni 2027 te worden meegenomen. In deze tweede berekening bedragen de netto boeterente en overige kosten € 9.120,00. Een vergelijking van de feitelijke situatie met hypothetische situatie leidt in deze berekening tot de conclusie dat [gezamenlijke eisers] in de voormelde periode een schade lijdt van € 6.752,00 (€ 78.454,00 minus € 62.582,00 en € 9.120,00).


De eerste berekening is de juiste




2.12.
Naar het oordeel van de rechtbank had [gezamenlijke eisers] bij het oversluiten van de hypotheken van Rabobank naar ASR de boeterente en kosten ineens en volledig dienen te betalen. [gezamenlijke eisers] heeft namelijk niet gesteld dat Rabobank ermee zou hebben ingestemd dat [gezamenlijke eisers] de boeterente verspreid in maandelijkse termijnen over twintig jaar had kunnen betalen. Dat ligt ook niet voor de hand, aangezien [gezamenlijke eisers] de bestaande financiering van Rabobank naar ASR, een andere hypotheekverstrekker, zou hebben overgesloten. In de regel dient dan met de vorige hypotheekverstrekker te worden afgerekend. Dat [gezamenlijke eisers] , zoals hij aanvoert, de beslissing om de hypotheken over te sluiten naar ASR heeft genomen op basis van de terugverdienverwachting over de gehele periode van twintig jaar, is niet relevant.



2.13.
De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [gezamenlijke eisers] dat de belangen van [gezamenlijke eisers] bij de tweede berekening van de schade zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] bij de eerste berekening van de schade. Als beginsel bij schadebegroting geldt dat de werkelijk geleden schade moet worden vergoed. Met andere factoren, zoals bijvoorbeeld de financiële draagkracht van partijen, waarop [gezamenlijke eisers] wijst, behoort bij de vaststelling van de schadevergoeding in beginsel geen rekening te worden gehouden.



2.14.
De conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank de totale kosten voor het oversluiten van de hypotheken in deze periode in de schadebegroting betrekt. Daarmee volgt de rechtbank de eerste berekening in het nadere schaderapport van [naam 1] . Uit die berekening blijkt dat [gezamenlijke eisers] nog geen schade heeft geleden in de periode februari 2022 tot en met 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027. [gezamenlijke eisers] zou in deze periode, anders gezegd, nog bezig zijn geweest met het terugverdienen van de kosten die hij had moeten maken om de hypotheken over te sluiten. De rechtbank begroot de schade in deze periode op nihil.


De schadebegroting vanaf 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027



De parkeerrol




2.15.
Zoals de rechtbank onder 3.21 van het tussenvonnis heeft overwogen, kan de schade in de periode vanaf 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027 nog niet nauwkeurig worden vastgesteld. Dit omdat de rente die [gezamenlijke eisers] in de feitelijke situatie na 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027 gaat betalen nog niet bekend is. De rechtbank heeft aangekondigd de schadebegroting op grond van artikel 6:105 BW tot dat moment uit te stellen. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de mogelijkheid om deze schade te begroten, verwijzen naar de parkeerrol van 1 oktober 2026.


De akten na hervatting




2.16.
Na hervatting van de zaak op de rol krijgt [gezamenlijke eisers] de gelegenheid om bij akte een berekening van de schade in de periode vanaf 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027 in het geding te brengen. [gedaagde] mag bij antwoordakte reageren. Daarbij geldt het volgende.



2.17.
De uitgangspunten uit (overweging 3.19 en 3.20 van) het vorige tussenvonnis gelden ook voor de berekening van de schade in de voormelde periode. Daarnaast dient [gezamenlijke eisers] toe te lichten welke nieuwe rentetarieven en welke nieuwe rentevastperiode is overeengekomen. Indien het nieuwe rentetarief en de rentevastperiode ten aanzien van het vierde leningdeel (waarvoor een rente van 1,90% geldt tot 30 juni 2027) dan ook al bekend is, dient [gezamenlijke eisers] de rechtbank daarover te informeren. Indien dit nog niet bekend is, geeft de rechtbank hem in overweging om – met het oog op de voortgang van de procedure – zoveel mogelijk handvatten te verschaffen aan de hand waarvan de rechtbank het rentetarief en de rentevastperiode vanaf 30 juni 2027 eventueel schattenderwijs kan vaststellen.



2.18.
De schadebegroting vanaf 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027 betreft, naar op dit moment moet worden aangenomen, de vergoeding van toekomstige schade door een som ineens. Daarom dient deze te worden gekapitaliseerd, waarbij rekening dient te worden gehouden met zowel rente als inflatie (en eventueel fiscale componenten). In de akte van [gezamenlijke eisers] dient te worden toegelicht hoe de schade is gekapitaliseerd, welke rekenrente (apart) voor rente en voor inflatie is toegepast en waar deze rekenrente op is gebaseerd.


De deskundigenkosten nadere schaderapport




2.19.

[gezamenlijke eisers] vordert vergoeding van de kosten van nadere schaderapport van [naam 1] van € 2.897,78. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW. Naar het oordeel van de rechtbank was het inschakelen van een deskundige voor dit nadere rapport redelijk en is de hoogte van de kosten ook redelijk. Dat het rapport tot de conclusie leidt dat [gezamenlijke eisers] over de periode februari 2022 tot en met 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027 nog geen schade heeft geleden (zie hiervoor onder 2.14) maakt dat niet anders. De vordering is dan ook toewijsbaar. Ook de door [gezamenlijke eisers] gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 21 augustus 2025.


De wettelijke rente over eerste schaderapport




2.20.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis (onder 3.23) geoordeeld dat de wettelijke rente over de kosten die [gezamenlijke eisers] heeft gemaakt voor het eerste deskundigenrapport van [naam 1] zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Dit omdat [gezamenlijke eisers] niet heeft gesteld wanneer hij de deskundigenkosten daadwerkelijk heeft gemaakt. In zijn akte heeft [gezamenlijke eisers] aangevoerd dat de factuur van de deskundige is voldaan op 8 juli 2024 en stelt hij dat de wettelijke rente vanaf die datum dient te worden toegewezen. De rechtbank zal niet terugkomen van haar bindende eindbeslissing in het tussenvonnis, omdat het verzoek van [gezamenlijke eisers] om op die beslissing terug te komen, is gebaseerd op feiten en stellingen die [gezamenlijke eisers] al eerder in de procedure ter kennis van de rechtbank en de wederpartij had dienen te brengen.

De slotsom




2.21.
In afwachting van de schadebegroting over de periode vanaf 30 juni 2026 respectievelijk 30 juni 2027 zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.





3De beslissing

De rechtbank


3.1.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van woensdag 7 oktober 2026,



3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
















































Rechtbank Gelderland 2 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5064.
Link naar deze uitspraak