Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2025:13197 
 
Datum uitspraak:03-12-2025
Datum gepubliceerd:02-03-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:C/03/329922 / HA ZA 24-19 C/03/329922 / HA ZA 24-19
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Civiel recht. Bodemzaak. Eindvonnis. Zakelijke rechten. Eigendomsrecht.
Trefwoorden:bruikleen
erfenis
kredietovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/329922 / HA ZA 24-193



Vonnis van 3 december 2025



in de zaak van



[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.J. Verweij te Nijmegen,

tegen



[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.P.M. Kerckhoffs te Maastricht.





1De verdere procedure


1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 januari 2025,
- de akte houdende uitlating tevens wijziging van eis van [eiser] ,
- de akte houdende uitlating van [eiser] ,
- het proces-verbaal van enquête aan de zijde van [eiser] van 22 mei 2025,
- de e-mail van 7 juli 2025 van [gedaagde] , waarbij zij afziet van contra-enquête,
- de e-mail van 9 juli 2025 van [eiser] , waarbij hij de rechtbank verzoekt vonnis te wijzen,
- de rolbeschikking van 13 augustus 2025,
- de conclusie na enquête van [eiser] ,
- de conclusie na enquête van [gedaagde] .



1.2.
Daarna is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling


Eiswijziging



2.1.
De eiswijziging van [eiser] luidt aldus dat als meer subsidiaire vordering aan punt 1 van het petitum in de inleidende dagvaarding wordt toegevoegd dat hij op grond van artikel 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking) vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 158.722,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf elke afzonderlijke betaaldatum tot aan de dag der algehele voldoening.


Het tussenvonnis en de bewijslevering




2.2.
Bij tussenvonnis van 15 januari 2025 is [eiser] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij rechthebbende is van de sieraden.



2.3.

[eiser] heeft, in het kader van zijn bewijsopdracht, aanvullende producties ingediend en in enquête vier getuigen laten horen, waaronder zichzelf.



2.4.
Bij de waardering van de schriftelijke bewijsstukken en de getuigenverklaringen stelt de rechtbank het volgende voorop. Om te slagen in de bewijsopdracht hoeft [eiser] niet met absolute zekerheid feiten en omstandigheden te bewijzen, waaruit volgt dat hij rechthebbende is van de sieraden. Het gaat erom dat deze feiten en omstandigheden in voldoende mate aannemelijk zijn geworden op grond van de bewijsmiddelen die zijn aangedragen.


De schriftelijke bewijsstukken van [eiser]




2.5.
Voorafgaand aan het getuigenverhoor heeft [eiser] bij akte de volgende schriftelijke bewijsstukken ingediend:


(productie 29) correspondentie Visa aankoop goud,


(productie 30) WhatsAppcorrespondentie tussen familie,


(productie 31) WhatsAppcorrespondentie met [gedaagde] ,


(productie 32) een verklaring van de heer [getuige 1] , en


(productie 33) een verklaring van mevrouw [getuige 2] .




De getuigenverklaringen




2.6.
De rechtbank heeft op 22 mei 2025, in enquête, als getuigen achtereenvolgens gehoord: [eiser] zelf, [getuige 3] (zoon van [eiser] ), [getuige 4] (manager bij Schaap & Citroen te Maastricht) en [getuige 5] (medewerkster bij Schaap & Citroen te Maastricht).



2.7.
Artikel 164 lid 2 (oud) Rv bepaalt dat de verklaring van [eiser] , die als partijgetuige is gehoord, geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren omtrent door hem te bewijzen feiten, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.



2.8.
Bij conclusie na enquête heeft [gedaagde] opgemerkt dat de getuigenverklaring van de zoon van [eiser] niet bruikbaar is, omdat hij aanwezig was als toehoorder bij de mondelinge behandeling op 3 december 2024 en het daardoor niet vaststaat dat hij uit eigen wetenschap heeft verklaard. Dit verzoek wordt verworpen, nu de rechtbank van oordeel is dat het door [eiser] geleverde bewijs (ook) steun vindt in andere bewijsmiddelen dan de verklaring van de zoon van [eiser] , waaronder de getuigenverklaring van getuige [getuige 5] en de tot bewijslevering aangedragen schriftelijke stukken. Bovendien is de verklaring van de zoon van [eiser] in lijn is met hetgeen blijkt uit de Whatsappcorrespondentie in het procesdossier.



2.9.

[eiser] heeft als partijgetuige onder meer verklaard:

“(…)
Ik wilde investeren. Ik wilde eigenlijk een woning kopen maar dat ging telkens niet door. Toen dacht ik aan mijn moeder die ook juwelen had. Ik dacht toen: ik ga investeren in sieraden. Die zou ik kunnen gebruiken om in te ruilen net als mijn moeder in de oorlog. Zij kon haar juwelen toen ruilen voor eten. Ik heb tegen iedereen gezegd dat het als erfenis voor mijn enige kleindochter zou zijn. De afspraken hierover heb ik met mevr. [gedaagde] gemaakt. De manager en verkoopster van Schaap & Citroen waren hierbij. Zij hebben toen nog geadviseerd dat we naar de notaris zouden moeten gaan. Ik heb notariskantoren aangeschreven. Ik wilde ook naar een bank om de juwelen in een kluis te doen. Ik weet niet meer met welke notarissen ik contact heb gehad. Ik heb contact gehad via e-mail en ik heb gebeld. De afspraken werden echter tegengehouden door mevr. [gedaagde] . Ze zei: “We hoeven toch niet naar een notaris, je gelooft mij toch wel?”. Ze wilde de juwelen ook niet in een kluis doen. Bij Schaap & Citroen vroeg de verkoopster op welke naam de juwelen moesten komen in verband met de reparaties van de juwelen. Op advies van de verkoopster heb ik de juwelen toen op haar naam gezet omdat zij ze ook droeg en beter kon beoordelen wanneer een reparatie nodig was. Ze wisten dat het een investering was en dat het later een erfenis zou zijn van mijn enige kleindochter.

Ik stond er versteld van toen de politie voor mijn deur stond toen ik de woning moest verlaten. Ik vroeg wat er aan de hand was maar mevr. [gedaagde] draaide zich met haar rug naar mij toe. Ik moest zo snel mogelijk mijn spullen pakken en het huis verlaten. Ik heb een paar kledingstukken kunnen meenemen. Ik heb wel gevraagd om mijn juwelen. Meteen. Toen ik thuis was kreeg ik een appje dat ik voor 2 januari mijn spullen uit het huis moest halen. Ik heb een hoop verhuisbedrijven benaderd die mij echter niet konden helpen. Uiteindelijk zijn al mijn spullen kwijtgeraakt door verwisseling van de verhuisbox.

U, rechter, vraagt waarom ik niet heb doorgezet om naar de notaris te gaan. Ik was smoorverliefd op mevr. [gedaagde] . Daarom heb ik het verhaal met de notaris niet doorgezet. Iedereen dacht dat ik oud met haar zou worden. Ik heb het niet geschonken aan mevr. [gedaagde] . We hadden een woordenwisseling waarin ik heb gezegd dat ik bijna alles wat ik had aan haar had gegeven. Ik wist dat ze een laag inkomen had.
(…)”



2.10.

[getuige 3] heeft, voor zover hier relevant, als getuige onder meer het volgende verklaard:

“(…)
Om zijn geld te investeren wilde mijn vader aanvankelijk een huis in het buitenland kopen. In het begin hadden ze bedacht om in het huis van mevr. [gedaagde] te wonen en dat mijn vader in het buitenland een huis zou kopen om daar te wonen als het weer hier slecht was. Op een gegeven moment heeft mijn vader mij en mijn zus laten weten dat hij voor veel geld sieraden had gekocht. Mijn zus en ik vonden dit niet slim. Ook mijn partner vond dit niet slim. Wij hebben vooraf niet gesproken over de aankoop. Hij heeft met mijn neef gesproken voor hij naar Dubai ging. Mijn neef had een tip en gaf in overweging dat hij daar sieraden moest kopen omdat ze daar goedkoper waren. Voordat ze op vakantie gingen hebben we gesproken over waar ze de juwelen zouden leggen. Ik heb toen voorgesteld dat hij ze bij mij in de kluis kon leggen. Dat vond ik om veiligheidsredenen. Ze waren ook zelf op zoek naar een kluis. De week nadat ze terugkwamen zijn ze bij me langsgekomen voor mijn verjaardag. Dat was begin oktober 2023. Toen is er gesproken over de gekochte juwelen. Mijn vader heeft toen gezegd dat de sieraden een erfenis zouden zijn voor mijn dochter [naam kleindochter] . Mijn vrouw [naam echtgenote] , een goede vriend genaamd [naam 1] en zijn vrouw [naam 2] waren er ook bij en hebben mijn vader dat horen zeggen. [gedaagde] was hier ook bij. Wat mij altijd opviel is dat mevr. [gedaagde] veel aan het bellen was. Toen, op die verjaardag was ze ook aan het bellen en ik hoorde toen dat haar zoon een ongeluk had gehad en dat ze het probeerde op te lossen. Ze had toen veel stress en toen merkte ik dat er ook wat stress in de relatie was. Ik heb gezegd dat de juwelen in de kluis bij ons moesten worden gelegd. Dan zouden de problemen die ik in hun relatie bespeurde ook puur over de relatie gaan. Ze gaf toen aan dat ze niks om de juwelen gaf en dat die wel zouden terugkomen. We stonden op die tweede verjaardag op een gegeven moment bij ons in de keuken en toen zei ze: “Sorry voor dit, het komt wel goed”. Ik zei toen nog: “Geef de juwelen mee dan blijft de discussie puur en gaat het alleen om de relatie”.

Op de verjaardag op 3 november is gesproken over het laten vastleggen bij de notaris. Mijn vader zei dat hij dat ging doen maar dat is niet meer gebeurd. Ik weet dat mijn vader contact heeft gezocht met een notaris en dat mevr. [gedaagde] niet mee wilde naar de notaris. Dat heb ik allemaal later in december gehoord van mijn vader dat zij het uiteindelijk niet wilde.
(…)”



2.11.

[getuige 4] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

“(…)
Ik weet niet meer exact welke datum het was. Ik denk dat dit ongeveer twee jaar geleden is. Toen waren ze samen in de winkel in Maastricht aan de Maastrichterbrugstraat. Ik ben verantwoordelijk voor de winkel. Ik zie een hoop mensen maar ik help niet direct iedereen. Ik heb ze wel gezien maar niet geholpen met de verkoop. Mijn collega [getuige 5] heeft ze geholpen. Ik heb ze samen zien zitten en ze hebben gesproken met [getuige 5] . Ik weet niet of ze meteen iets gekocht hebben. Er zijn wel aankopen geweest. Er zijn verschillende sieraden gekocht. Ik weet niet hoe vaak ze in de winkel zijn geweest. Ik denk dat ze zeker vijf keer in de winkel zijn geweest. Ik heb ze geen enkele keer zelf geholpen. Waar ik bij ben geweest heb ik gezien dat [getuige 5] ze heeft geholpen. Kortstondig hebben we gesproken met elkaar. Ik heb geen verkoopgesprekken met ze gevoerd.

Ik kan me van de keren dat [eiser] en [gedaagde] in de winkel waren wel een keer herinneren dat er een emotioneel verhaal is geweest vanuit dhr. [eiser] . Dit was een familieverhaal. Dit was naar mijn idee voor hem de reden om een dergelijke aankoop te doen. Ik dacht dat het ging om zijn moeder of grootmoeder die in een kamp zou hebben gezeten. Dit was een vreselijke ervaring en daar zijn veel eigendommen van de familie verloren gegaan, zo begreep ik. Daarover heeft hij verteld. Hij was daar heel emotioneel over.

Wij geven nooit advies over het op naam zetten van de sieraden. Althans ik doe dit niet. Ik ben niet bij de verkoopgesprekken geweest en ik weet niet of dit advies is gegeven.
(…)”



2.12.

[getuige 5] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

“(…)
Je voert een gesprek met de mensen en drinkt er wat bij. Zo gaat dat bij Schaap & Citroen. Dhr. [eiser] vertelde over waar hij vandaan komt en dat hij zijn huis in Curaçao had verkocht. Mevr. [gedaagde] heeft hem daarbij geholpen. Hij vertelde zijn levensgeschiedenis en toen kwamen ook zijn moeder en het jappenkamp ter sprake. Zijn moeder heeft altijd goud gekocht. Hij vond goud ook belangrijk. Met goud kun je altijd eten kopen. Dit heeft hij van zijn moeder geleerd. Daarom wilde hij ook goud kopen. Hij wilde dat het naar zijn kleindochter zou gaan. Ik heb hem wel aangeraden om vast te leggen bij de notaris dat dit voor zijn kleindochter is. Ik heb in het vak geleerd dat als dingen niet beschreven zijn, dat het niet goed gaat.

Ik hoor u, rechter, zeggen dat ik onder ede sta. Maar ik blijf bij hetgeen ik net gezegd heb, te weten dat [eiser] zei dat de sieraden voor zijn kleindochter waren.
(…)
Mevr. [gedaagde] ging de sieraden dragen. Dat heb ik gezien. Ik kan me niet herinneren dat hier iets over gezegd is. Dat heb ik ook niet gevraagd. Ik heb expliciet gehoord dat de sieraden als erfenis voor de kleindochter waren.
(…)
U, rechter, vraagt mij of ik [eiser] vaker heb horen zeggen dat de sieraden voor zijn kleindochter waren. Nee, maar ik heb daarna wel nog één keer gevraagd of ze al bij de notaris waren geweest. Het antwoord was toen: “Nee nog niet”.
(…)
We hebben geen mobiel betaalapparaat. Alle keren heeft dhr. [eiser] betaald. Ik weet niet of hij iets speciaals heeft gezegd toen hij de betalingen verrichte.
(…)
Ik heb wel gevraagd op wiens naam de factuur moest worden gezet. Dhr. [eiser] zei dat ik het op mevr. [gedaagde] haar naam moest zetten. Ik heb het op [gedaagde] gezet met goedkeuring van dhr. [eiser] . Omdat dhr. [eiser] mijn contactpersoon was heb ik zowel haar als zijn telefoonnummer en mailadres in het systeem gezet. Als de factuur wordt uitgeprint dan staat daar alleen de naam en het adres op, dus geen mail of telefoonnummer. Ik heb afgerekend en dhr. [eiser] heeft betaald. Hij heeft trouwens altijd betaald. Dhr. [eiser] was contactpersoon omdat hij het woord voerde. Hij vroeg ook destijds naar dat Omega collier. Op wiens naam het staat heeft geen relatie met onderhoud. Ik vraag altijd op wiens naam de bon gezet moet worden. Dhr. [eiser] was ook degene die de sieraden kocht.
(…)
Ik weet niet of het een cadeau was voor mevr. [gedaagde] . Ik weet niet hoe ik dat moet zeggen. Er is gezegd geworden het is een cadeau, uiteindelijk zou het naar de kleindochter gaan.

Ik heb ook individueel gesproken met dhr. [eiser] . Mevr. [gedaagde] zei ook wat ze mooi vond. Maar als dhr. [eiser] het niet mooi vond werd het niet gekocht. Dat kan ik me nog goed herinneren. Als zij bijvoorbeeld een bepaalde ring mooi vond zei [eiser] dat hij een andere ring mooier vond voor hun tweeën. Dhr. [eiser] vond het ook belangrijk dat [gedaagde] het mooi vond. Dhr. [eiser] is degene die het kocht en het betaalde. Mevr. [gedaagde] paste het en het werd gekocht als het mooi was.
(…)”



2.13.

[gedaagde] heeft afgezien van de mogelijkheid getuigen te horen middels een contra-enquête.


De standpunten van partijen na de bewijslevering




2.14.

[eiser] stelt in zijn conclusie na enquête in het te leveren bewijs te zijn geslaagd. Hiertoe stelt hij als volgt. In enquête bevestigt [getuige 4] dat de reden voor de aankoop van de sieraden het kampverleden van de moeder van [eiser] was. Getuige [getuige 5] bevestigt dat [eiser] het initiatief tot koop toonde en deze betaalde en dat zij had begrepen dat de sieraden uiteindelijk naar de kleindochter van [eiser] zouden gaan. Uit de schriftelijke stukken blijkt dat de sieraden zijn betaald met de overwaarde van de woning van [eiser] (productie 29), dat in de WhatsAppgroep met de familie is gesproken over de aangekochte sieraden als investering (productie 30) en dat de zoon van [eiser] met [gedaagde] heeft geappt over het meegeven van de sieraden aan [eiser] (productie 31). Daarnaast hebben de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] een schriftelijke verklaring afgelegd.
Dit alles duidt erop dat [eiser] de sieraden heeft gekocht als investering en tevens met de bedoeling dat zijn kleindochter de sieraden uiteindelijk zou erven. Tussentijds mocht [gedaagde] de sieraden slechts dragen. [gedaagde] heeft de sieraden te kwader trouw in haar bezit, aldus nog steeds [eiser] .



2.15.

[gedaagde] acht [eiser] niet geslaagd in het te leveren bewijs. Zij blijft erbij dat zij op grond van artikel 3:109 jo. 3:119 BW wordt vermoed rechthebbende te zijn en dat [eiser] dit vermoeden onvoldoende heeft weerlegd. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] onvoldoende aangetoond dat de sieraden op grond van 3:84 BW aan hem zijn overgedragen en is hij dus nooit rechthebbende geweest.



Waardering van de bewijsmiddelen




2.16.
Op grond van de hiervoor genoemde getuigenverklaringen en de schriftelijke bewijsstukken acht de rechtbank [eiser] geslaagd in de bewijsopdracht. [eiser] heeft in overtuigende mate aannemelijk gemaakt dat hij rechthebbende is van de sieraden en daarmee heeft hij de bewijsvermoedens van 3:109 jo. 3:119 BW weerlegd. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.



2.17.

[eiser] heeft bij de juwelierswinkel Schaap & Citroen in Maastricht in totaal vijf aankopen gedaan. Bij iedere aankoop werd hij geholpen door medewerkster [getuige 5] . Zij verklaarde in enquête hierover het volgende:

“Dhr. [eiser] vertelde over waar hij vandaan komt en dat hij zijn huis in Curaçao had verkocht. Mevr. [gedaagde] heeft hem daarbij geholpen. Hij vertelde zijn levensgeschiedenis en toen kwamen ook zijn moeder en het jappenkamp ter sprake. Zijn moeder heeft altijd goud gekocht. Hij vond goud ook belangrijk. Met goud kun je altijd eten kopen. Dit heeft hij van zijn moeder geleerd. Daarom wilde hij ook goud kopen. Hij wilde dat het naar zijn kleindochter zou gaan. Ik heb hem wel aangeraden om vast te leggen bij de notaris dat dit voor zijn kleindochter is. Ik heb in het vak geleerd dat als dingen niet beschreven zijn, dat het niet goed gaat. (…) .Ik heb expliciet gehoord dat de sieraden als erfenis voor de kleindochter waren.(…) Alle keren heeft dhr. [eiser] betaald. Ik weet niet of hij iets speciaals heeft gezegd toen hij de betalingen verrichte. (…) Ik weet niet of het een cadeau was voor mevr. [gedaagde] . Ik weet niet hoe ik dat moet zeggen. Er is gezegd geworden het is een cadeau, uiteindelijk zou het naar de kleindochter gaan.”

De blote betwisting van [gedaagde] bij conclusie na enquête, inhoudende dat [eiser] nooit met haar heeft afgesproken dat de sieraden als erfenis naar zijn kleindochter zouden gaan, is in het licht van de voorgaande getuigenverklaring onvoldoende. Dat [eiser] uiteindelijk niets heeft laten vastleggen bij een notaris maakt dit niet anders.



2.18.
Weliswaar zijn geen getuigen gehoord van de juwelierswinkels in Dubai en/of Aken, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat de sieraden in Dubai en Aken onder dezelfde omstandigheden door [eiser] zijn aangekocht als de sieraden in Maastricht en dat ook het motief – de aankoop was een investering en [eiser] ’ enige kleindochter zou de sieraden uiteindelijk krijgen – niet anders was dan bij de aankoop van de sieraden in Maastricht. Voor een andere lezing zijn geen aanknopingspunten voorhanden. De rechtbank overweegt hiertoe dat de aankopen alle binnen een tijdsbestek van zes maanden hebben plaatsgevonden; de eerste aankoop op 10 mei 2023 en de laatste aankoop op 6 oktober 2023. Over deze aankopen heeft [eiser] in enquête verklaard:

“Ik wilde investeren. Ik wilde eigenlijk een woning kopen maar dat ging telkens niet door. Toen dacht ik aan mijn moeder die ook juwelen had. Ik dacht toen: ik ga investeren in sieraden. Die zou ik kunnen gebruiken om in te ruilen net als mijn moeder in de oorlog. Zij kon haar juwelen toen ruilen voor eten. Ik heb tegen iedereen gezegd dat het als erfenis voor mijn enige kleindochter zou zijn.”.

Dit (alsook de verklaring van de zoon van [eiser] ) strookt met de voornoemde getuigenverklaring van [getuige 5] . Dat [eiser] in die periode sieraden kocht als investering vindt verder steun in de schriftelijke bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld de WhatsAppcorrespondentie die [eiser] in juli 2023 met zijn kinderen heeft gevoerd toen hij in Dubai was, waaruit blijkt dat:




[eiser] de sieraden als investering kocht, wat afgeleid wordt uit het bericht van [eiser] (14:27): “Ik ben een zoon van oma [eiser] en dit is iig een goede investering ipv kleding of iets dergelijks, toch?”, en uit het bericht van [eiser] (20:16 uur):“Ik denk aan mijn moeder, oma [eiser] . Deze had er baat bij in de 2e Wereldoorlog. Geld en alle bezit aan huizen was niets meer waard. Voor haar juwelen kreeg ze voor haar kinderen wel voedsel en kleding…….daarom doe ik dit nu.”;



[eiser] de sieraden voor zichzelf kocht met als doel dit later aan zijn kleinkinderen na te laten, hetgeen afgeleid wordt uit het bericht van [eiser] waarin hij schrijft (19:46 uur): “Lieverds, ik geef verstandig uit en alles wat ik uitgeef wordt later door jullie kinderen geërfd en niet door jullie!!!”





2.19.
Ook uit de schriftelijke bewijsstukken leidt de rechtbank af dat de sieraden niet in eigendom aan [gedaagde] toebehoren. Zie de WhatsAppcorrespondentie in december 2023 tussen [gedaagde] en de zoon van [eiser] waaruit blijkt dat [gedaagde] een aantal keren werd verzocht om de sieraden af te geven aan [eiser] . In berichten van de zoon van [eiser] schrijft deze:


(16:00 uur): “Geef m die sieraden dan mee, dan heeft hij ook rust in zn hoofd”, en


(16:05 uur): “Snap ik, daarom: geef t m mee dan is het voor hem ook makkelijker”, en


(14:32 uur): “Hi, volgens mij komt verhuizer dinsdag. Dus komt goed. Zorg je dat hij dan ook de sieraden mee krijgt? Is immer de erfenis van zijn kinderen.”


Het betoog van [gedaagde] dat [eiser] de sieraden aan haar cadeau gaf door de betaling te verzorgen strookt niet met de inhoud van de WhatsAppcorrespondentie.



2.20.

[eiser] heeft voorts nog betoogd dat hij een gedeelte van de overwaarde van zijn woning op zijn creditcard heeft gestort en daarmee vervolgens de sieraden heeft aangekocht. In het licht hiervan acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [eiser] een groot gedeelte van de overwaarde van zijn woning besteedt aan sieraden voor [gedaagde] . [gedaagde] zet hier weliswaar tegenover dat [eiser] smoorverliefd op haar was – zoals [eiser] ter zitting heeft verklaard en erkend – maar dat is naar het oordeel van de rchtbank onvoldoende redengevend.



2.21.
Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de sieraden heeft gekocht (als investering) en vervolgens in bruikleen heeft gegeven aan [gedaagde] . In dat licht is het begrijpelijk dat [gedaagde] de sieraden mocht dragen en bij zich mocht houden, maar dit betekent niet dat zij eigenaar is geworden door de overhandiging van de sieraden aan haar.



2.22.
Aangezien [eiser] het aan hem opgedragen bewijs heeft geleverd, zal zijn primaire vordering tot afgifte van de sieraden onder 1. worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn voor het nakomen van de uit te spreken veroordeling wordt verlengd naar twee weken na betekening van dit vonnis.



2.23.

[eiser] heeft onbetwist gevorderd dat de rechtbank een dwangsom verbindt aan de uit te spreken veroordeling, voor het geval [gedaagde] de sieraden niet zou overhandigen. Gelet op de aanhoudende weigering van [gedaagde] om de sieraden aan [eiser] af te geven, acht de rechtbank een dwangsom een gepaste prikkel tot nakoming van de hierna uit te spreken veroordeling. Indien [gedaagde] zich houdt aan de hierna uit te spreken veroordeling, hetgeen geen problemen zou moeten opleveren omdat zij heeft verklaard in het bezit te zijn van de sieraden, behoeft zij het verbeuren van dwangsommen niet te vrezen.


Persoonlijke eigendommen [eiser]




2.24.

[eiser] vordert naast het overhandigen van de sieraden eveneens dat [gedaagde] zijn overige persoonlijke eigendommen teruggeeft. Deze spullen heeft hij gespecificeerd in de bijlage bij de e-mail van 19 januari 2024 van zijn toenmalige raadsvrouw aan [gedaagde] . Volgens [eiser] handelt [gedaagde] onrechtmatig door zijn spullen niet aan hem af te geven.



2.25.

[gedaagde] betwist dat zij de overige persoonlijke eigendommen van [eiser] onder zich heeft. Bij de verhuizing op 2 januari 2024 heeft [eiser] alle eigendommen die zich in de woning bevonden (waaronder ook de urn) meegenomen uit de woning. Enkel de reservesleutel van de auto heeft hij niet meegenomen omdat deze kwijt was en nog steeds is, aldus nog steeds [gedaagde] .



2.26.

[gedaagde] zal niet worden veroordeeld tot afgifte van de overige persoonlijke eigendommen van [eiser] . Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat zij alle spullen van [eiser] heeft klaargezet voor de verhuizing en dat deze zijn meegenomen door de door [eiser] ingeschakelde verhuizers. Daarnaast heeft [eiser] tijdens het getuigenverhoor in enquête over de verhuizing verklaard:


“Toen ik thuis was kreeg ik een appje dat ik voor 2 januari mijn spullen uit het huis moest halen. Ik heb een hoop verhuisbedrijven benaderd die mij echter niet konden helpen. Uiteindelijk zijn al mijn spullen kwijtgeraakt door verwisseling van de verhuisbox.”


Op dit punt bestaan naar oordeel van de rechtbank te veel onduidelijkheden. Het staat daardoor niet vast dat [gedaagde] over de spullen beschikt. Wat [gedaagde] niet heeft kan zij niet afgeven. De verklaring van de verhuizer waar [eiser] ter zitting naar heeft verwezen maakt dit niet anders, nu die verklaring specifiek betrekking heeft op de sieraden. Bij deze stand van zaken heeft [gedaagde] voldoende gemotiveerd betwist dat zij de spullen van [eiser] nog in haar bezit zou hebben. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.



2.27.
Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat de subsidiaire schadevergoedingsvordering onder 1. enkel betrekking heeft op de sieraden en niet op de overige persoonlijke eigendommen. De subsidiaire vordering behoeft in het kader van de overige spullen om die reden geen nadere bespreking.


Kosten van de gebitsreparatie




2.28.

[eiser] vordert een bedrag van € 18.728,47 inzake kosten die hij heeft betaald voor een gebitsreparatie van [gedaagde] . Primair stelt [eiser] zich op het standpunt dat hij dit bedrag heeft geleend aan [gedaagde] en subsidiair stelt hij dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt door deze betaling.



2.29.

[gedaagde] betwist dat sprake zou zijn geweest van een geldleningsovereenkomst. Ze voert aan dat [eiser] heeft aangeboden deze kosten voor haar te voldoen. Van ongerechtvaardigde verrijking is volgens [gedaagde] evenmin sprake omdat er een rechtsgrondslag was, bestaande uit de dringende morele verplichting om een partner financieel bij te staan. [gedaagde] vindt het tevens niet redelijk dat [eiser] het bedrag geheel terugvordert, terwijl hij gratis bij haar heeft ingewoond.



2.30.
Op grond van artikel 7:129 lid 1 BW is een overeenkomst van geldlening een kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Op grond van artikel 150 Rv rust op [eiser] de stelplicht en bewijslast dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] twee bankoverschrijvingen in het geding gebracht. Uit de bankoverschrijving van 21 maart 2023 volgt dat [eiser] bedrag van € 6.000,- aan [gedaagde] heeft overgeboekt met de omschrijving “tandarts geleend van [naam 3] ”. De bankoverschrijving van 25 mei 2023 is een rechtstreekse betaling van [eiser] aan de tandarts van [gedaagde] . Nog afgezien van het feit dat uit de bankoverschrijving van 21 maart 2023 niet blijkt waarvoor dit bedrag is overgeboekt, blijkt nergens uit dat sprake is van een lening van [eiser] aan [gedaagde] . Uit de laatstgenoemde bankomschrijving valt – wellicht – enkel op te maken dat het bedrag is geleend van een derde. Gelet daarop is de rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake zou zijn van een geldlening.



2.31.
Het subsidiaire beroep op ongerechtvaardigde verrijking slaagt ook niet. Voor zover aangenomen zou worden dat (1) [gedaagde] is verrijkt, (2) [eiser] is verarmd en (3) er verband tussen deze verrijking en verarming bestaat in de zin van artikel 6:212 lid 1 BW, dan nog is niet gesteld of gebleken waarom de verrijking ongerechtvaardigd zou zijn. [eiser] heeft immers onvoldoende voor het voetlicht gebracht dat voor de gestelde verrijking geen redelijke grond bestond. De rechtbank houdt het er in het licht van alle stellingen en getuigenverklaringen eerder voor dat [eiser] uit affiniteit voor [gedaagde] de gebitsreparatie voor zijn rekening heeft genomen. Maar wat hiervan ook zij – of de aanname van de rechtbank juist is of niet kan in het midden worden gelaten – als enerzijds gesteld en anderzijds gemotiveerd betwist is onvoldoende komen vast te staan dat de gestelde verrijking van [gedaagde] ongerechtvaardigd was.

Voor zover [eiser] ter zitting een beroep op onverschuldigde betaling heeft willen doen, zal dit beroep worden verworpen nu hij daartoe onvoldoende heeft gesteld.



2.32.
Het voorgaande betekent dat de vordering onder 2. zal worden afgewezen.


Buitengerechtelijke kosten




2.33.

[eiser] vordert buitengerechtelijke kosten ad € 3.040,40 op basis van de waarde van de sieraden en de kosten van de gebitsreparatie. [gedaagde] betwist deze vordering met het argument dat niet blijkt dat [eiser] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.



2.34.
Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is naar het oordeel van de rechtbank voldaan wat betreft de werkzaamheden die zijn verricht om de sieraden terug te krijgen. Die werkzaamheden blijken genoegzaam uit bij de dagvaarding overgelegde stukken. Wat betreft de kosten van de gebitsreparatie is dat echter niet gebleken en zijn de buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar. Conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) zal een bedrag van
€ 2.858,90 worden toegewezen op basis van de waarde van de sieraden.


2.35.
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.


Beslagkosten




2.36.

[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden tot op heden vastgesteld op € 1.103,64 voor kosten deurwaardersexploten, € 320,00 voor griffierecht en € 614,00 voor salaris advocaat (1 rekesten x € 614,00), totaal € 2.037,64.
Voor zover bekend bij de rechtbank heeft [eiser] de bij dagvaarding gevorderde pro memorie post aan beslagkosten niet nader ingevuld, zodat deze niet voor toewijzing in aanmerking komen.



2.37.
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten is niet betwist en zal worden toegewezen zoals hierna is bepaald.


Proceskosten




2.38.
In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad alsook dat zij over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.


Uitvoerbaarheid bij voorraad




2.39.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Ze voert aan dat de tenuitvoerlegging van het vonnis kan leiden tot een onomkeerbare situatie indien [eiser] de sieraden te gelde maakt voordat een hoger beroep zal zijn afgerond.



2.40.
Bij de beoordeling van een vordering tot verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij de belangenafweging moet de kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing blijven. Gesteld noch gebleken is dat de belangen van [gedaagde] in dit verband zwaarder wegen dan de belangen van [eiser] . Mogelijke ingrijpende gevolgen van een executie, die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De rechtbank overweegt voorts dat [eiser] ter zitting heeft betwist dat een onomkeerbare situatie dreigt. De vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal dan ook worden toegewezen.





3De beslissing

De rechtbank


3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser] van de sieraden zoals deze zijn omschreven onder randnummer 28 in het lichaam van de dagvaarding (zie “bijlage: lijst sieraden” van productie 11 van [eiser] ), binnen twee weken na betekening van dit vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag, daaronder een dagdeel begrepen, dat aan dit vonnis geen gevolg wordt gegeven, met een maximum van
€ 240.000,-,



3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke kosten van € 2.858,90 te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,



3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.037,64, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:199 BW vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,



3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



3.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

DS



Productie 7, 25, 30 en 31 van [eiser] . De rechtbank merkt op dat de Whatsappcorrespondentie tussen [gedaagde] en de zoon van [eiser] drie keer is ingebracht als productie 7, 25 en 31, terwijl de inhoud hetzelfde is.


Productie 1 van [eiser] .


Productie 7, 25 of 31 van [eiser] .


Onder verwijzing naar zijn productie 29.


Productie 11 van [eiser] .


Productie 9 van [eiser] .


Productie 12 en 13 van [eiser] .


Productie 12 van [eiser]


Productie 13 van [eiser]


Zie pagina 3 van de spreekaantekeningen van [eiser] .
Link naar deze uitspraak