|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:227 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-03-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 23/1364 WW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Intrekking en terugvordering WW-uitkering en ZW-uitkering en toeslagen. Afwijzing aanvraag WIA-uitkering. Geen vooringenomenheid van het Uwv bij het onderzoek naar gefingeerde dienstverbanden. Het Uwv heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat appellant niet als werknemer verzekerd was voor de WW en de ZW en geen recht had op een WIA-uitkering. Appellant heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd die het tegendeel aantonen. Geen dringende reden om van intrekking en terugvordering af te zien. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | uitkering | | | | Uitspraak | 23/1364 WW, 23/1365 ZW en 23/1366 WIA
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/1364 WW, 23/1365 ZW, 23/1366 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 maart 2023, 21/1191, 21/1192 en 21/1235 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering en ZW-uitkering van appellant met terugwerkende kracht heeft ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 10 december 2018 tot en met 30 september 2020, omdat hij niet als werknemer verzekerd was voor de WW en ZW. Daarnaast gaat het over de vraag of het Uwv de WIA-aanvraag van appellant terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend. Van vooringenomenheid van het Uwv bij het ingestelde fraudeonderzoek, is volgens de Raad geen sprake.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Kara, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 over het toetsingskader bij herzienings- en/of terugvorderingsbesluiten de Raad te informeren of de uitspraak volgens hen gevolgen heeft voor deze zaak. Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2024. Voor appellant is verschenen mr. Kara. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en appellant in de gelegenheid gesteld nadere stukken te overleggen. Daarnaast is aan het Uwv nadere informatie opgevraagd over het vervolg van de strafrechtelijke procedure tegen appellant.
Naar aanleiding van de door appellant overgelegde stukken heeft de Raad een nadere vraagstelling aan het Uwv gestuurd. Het Uwv heeft hierop gereageerd en in een gesloten enveloppe nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierbij verzocht tot geheimhouding van deze nadere stukken op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met een beslissing van 9 april 2025 heeft de Raad met toepassing van artikel 8:29 van de Awb beslist dat de gevraagde beperkte kennisname van de stukken niet gerechtvaardigd is. De Raad heeft bepaald dat de stukken worden teruggezonden en heeft het Uwv verzocht om de stukken zonder doorhalingen opnieuw in te zenden. Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 17 april 2025 de stukken alsnog overgelegd. Appellant heeft op deze stukken gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een (nadere) zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft op 7 december 2018 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij werkzaam is geweest in dienst van [werkgever B.V. 1] van 29 maart 2018 tot en met 7 december 2018. Bij besluit van 17 januari 2019 heeft het Uwv appellant met ingang van 10 december 2018 een WW-uitkering toegekend. Bij besluit van 10 april 2019 is aan appellant per 10 december 2018 een toeslag op de WW-uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend. Deze WW-uitkering en toeslag zijn geëindigd per 10 maart 2019 vanwege het bereiken van de maximale uitkeringsduur. Appellant heeft zich in de tussentijd op 1 februari 2019 ziekgemeld, waarna hij, in aansluiting op de WW-uitkering, met ingang van 11 maart 2019 in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 29 maart 2019 is aan appellant per 11 maart 2019 een toeslag op de ZW-uitkering op grond van de TW toegekend. Vervolgens heeft appellant op 17 oktober 2020 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.
1.2.
Naar aanleiding van een tweetal interne fraudemeldingen over werknemers van [werkgever B.V. 1], waarbij het Uwv heeft vastgesteld dat sprake was van een gefingeerd dienstverband, heeft het Uwv onderzoek verricht naar een mogelijk gefingeerd dienstverband van appellant bij [werkgever B.V. 1] Deze resultaten zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 27 augustus 2020. Het Uwv heeft onder meer Suwinet en de interne systemen geraadpleegd en bankafschriften van appellant en [werkgever B.V. 1] opgevraagd. Ook heeft het Uwv gegevens opgevraagd bij de Kamer van Koophandel en is er informatie ontvangen van de curator van [werkgever B.V. 1] en de Belastingdienst. Het Uwv heeft appellant op 20 augustus 2020 gehoord.
1.3.
Het Uwv heeft vervolgens de WIA-aanvraag van appellant bij besluit van 23 oktober 2020 afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van 23 oktober 2020 heeft het Uwv de WWuitkering met de daaraan gekoppelde toeslag met ingang van 10 december 2018 ingetrokken, omdat aannemelijk is dat appellant niet in dienstbetrekking heeft gestaan tot [werkgever B.V. 1] en daardoor niet als werknemer verzekerd was voor de WW. Bij besluit van 28 oktober 2020 heeft het Uwv om dezelfde reden de ZW-uitkering met de daaraan gekoppelde toeslag met ingang van 11 maart 2019 ingetrokken. Bij besluiten van 30 oktober 2020 heeft het Uwv een bedrag van € 5.238,11 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering en een bedrag van € 30.096,70 aan onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van appellant teruggevorderd over de periode van 10 december 2018 tot en met 30 september 2020.
1.4.
Bij besluiten van 25 maart 2021 (bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de hiervoor genoemde besluiten ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het plausibel dat in het openbare faillissementsregister specifieke gegevens te vinden waren die aanleiding vormden voor onderzoek naar faillissementsfraude. Volgens de rechtbank staat daartegenover geen enkele concrete en objectieve aanwijzing van ongeoorloofde discriminatie bij het nemen van de beslissing om het faillissement van [werkgever B.V. 1] aan nader onderzoek te onderwerpen en aan te melden bij het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum ( RIEC ). Ook heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek van het Uwv naar mogelijke fraude door individuele werknemers van [werkgever B.V. 1] is ingegeven door vooringenomenheid, meer specifiek dat sprake is van etnische profilering. Volgens de rechtbank zijn de door appellant overgelegde stukken algemeen van aard en zien deze niet specifiek op de handelswijze van het Uwv bij faillissementsfraude en het daarbij gerezen vermoeden van gefingeerde dienstverbanden. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat door het Uwv genoemde algoritmes geen raakvlak hebben met het fraudeonderzoek naar gefingeerde dienstverbanden en kan ook om die reden niet gezegd worden dat sprake is van vooringenomenheid. Er was volgens de rechtbank voldoende grondslag om onderzoek te doen naar het bestaan van een gefingeerd dienstverband bij alle werknemers van [werkgever B.V. 1] met een uitkering van het Uwv.
2.2.
De rechtbank heeft verder overwogen dat geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het door het Uwv verrichte onderzoek om formele redenen onzorgvuldig of onvolledig is geweest.
2.3.
Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen appellant en [werkgever B.V. 1] geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het Uwv heeft volgens de rechtbank aannemelijk gemaakt dat appellant geen arbeid heeft verricht. De rechtbank heeft daarbij het volgende van belang geacht. Appellant heeft geen enkele inhoudelijke informatie kunnen geven over zijn werkzaamheden, zijn werkgever of de onderneming. Ook heeft appellant nagenoeg geen informatie gegeven over collega’s of locaties waar hij heeft gewerkt. Daarnaast heeft het Uwv bij de gebrekkige verklaringen van appellant vraagtekens kunnen plaatsen. Appellant heeft geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de feiten ten aanzien van zijn loonbetaling. Zo staat op de loonstroken van appellant vanaf september 2018 [werkgever B.V. 2] als werkgever genoemd en niet [werkgever B.V. 1] Ook blijkt uit de bankafschriften van [werkgever B.V. 1] van slechts twee betalingen van loon over de maanden april en mei 2018 aan appellant. Op de bankafschriften is geen andere salarisbetaling zichtbaar. De enkele stelling van appellant dat hij slechts erop heeft gelet of hij salaris ontving en niet heeft gecontroleerd van wie de betalingen afkomstig waren, kan volgens de rechtbank niet als toereikende weerlegging dienen. Appellant heeft de onjuistheid van de stelling van het Uwv, dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen hem en [werkgever B.V. 1] bestaat, niet met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk gemaakt.
2.4.
Omdat appellant niet verzekerd was voor de WW, had hij geen recht op WW-uitkering en toeslag. Per datum ziekmelding was appellant vanuit de WW niet verzekerd voor de ZW en had hij om die reden ook geen recht op ZW-uitkering en toeslag. Omdat er geen recht is op ZW-uitkering had appellant ook geen recht op WIA-uitkering. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het Uwv op goede gronden de WW- en ZW-uitkeringen met toeslag heeft ingetrokken en teruggevorderd en dat de WIA-uitkering terecht is geweigerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om vanwege dringende redenen geheel of gedeeltelijk af te zien van intrekking en terugvordering.
2.5.
Appellant is ten slotte niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met de door [werkgever B.V. 1] afgedragen premies werknemersverzekeringen. Nog daargelaten of deze premies daadwerkelijk zijn afgedragen, komen deze premies niet ten goede aan appellant, maar aan [werkgever B.V. 1]
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij stelt zich op het standpunt dat het onderzoek blijk geeft van institutionele vooringenomenheid, zoals in de kinderopvangtoeslag-affaire ook het geval was. Bij de beoordeling of een melding nader wordt onderzocht hebben volgens appellant de niet-Nederlandse herkomst van de bestuurders en werknemers/uitzendkrachten van [werkgever B.V. 1] een rol gespeeld. Appellant heeft daarbij gewezen op de lijst van risicokenmerken en fraude-indicatoren in de door het Uwv overgelegde werkinstructies. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn recht op respect voor het privéleven, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft geschonden. Volgens appellant is sprake geweest van een dienstverband tussen hem en [werkgever B.V. 1] Ook heeft appellant aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van intrekking en terugvordering af te zien.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van vooringenomenheid bij het onderzoek naar appellant. Daarnaast meent het Uwv dat geen sprake is van schending van artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Volgens het Uwv is sprake geweest van een gefingeerd dienstverband tussen appellant en [werkgever B.V. 1]
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten met betrekking tot de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en ZW-uitkering en de afwijzing van de WIA-aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Bij besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellant en [werkgever B.V. 1] Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de WW, ZW en WIA heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
Vooringenomenheid onderzoek
4.3.1.
Het Uwv heeft op verzoek van de Raad de Werkinstructie Gefingeerde Dienstverbanden overgelegd. In deze werkinstructie wordt voor de themaonderzoeker en medewerker themaonderzoek (TO) binnen de afdeling Handhaving Themaonderzoek van het Uwv per processtap aangegeven hoe een onderzoek naar een vermoeden van een mogelijk gefingeerd dienstverband verloopt. Bij de processtap ‘intake en registratie’ is uiteengezet dat het kan gaan om een interne of externe melding. Interne meldingen zijn afkomstig van andere organisatieonderdelen binnen het UWV, maar kunnen ook ontstaan uit lopende gevallen. Signalen kunnen tevens voortkomen uit een query of bestandvergelijkingen, aangeleverd door Risicomanagement & Intelligence. In de processtap ‘beoordelen meldingen’ start het onderzoek welke melding in behandeling wordt genomen en welke niet. De medewerker neemt de melding door en beoordeelt of de melding in aanmerking komt voor onderzoek. Dit gebeurt door een korte check in alle beschikbare systemen en op basis van ervaring. Ook wordt naar andere werknemers gekeken binnen het te onderzoeken bedrijf. Afhankelijk van de melding wordt ook verder gekeken met betrekking tot adressen, bestuurders en eigenaren. Wanneer de medewerker vervolgens vaststelt dat sprake is van een vermoeden van een gefingeerd dienstverband, gaat de melding verder het proces in en worden de meldingen verdeeld over alle TO-kantoren. In de volgende processtap ‘uitvoeren werkopdracht’ start de themaonderzoeker een gedetailleerd onderzoek op. Voorafgaand aan dit gedetailleerde onderzoek wordt met behulp van een zogeheten QuickScan onderzocht of de aanvraag van de uitkering of de betaling van een lopende uitkering hangende het onderzoek geschorst moet worden. Voor deze QuickScan wordt in de werkinstructie verwezen naar (onder meer) de in de bijlage bij de werkinstructie genoemde risicokenmerken/fraude-indicatoren.
4.3.2.
Uit het voorgaande volgt dat bij de vraag welke melding in behandeling wordt genomen, de in de bijlage bij de werkinstructie genoemde risicokenmerken/fraude-indicatoren in het werkproces binnen de afdeling Handhaving Themaonderzoek van het Uwv niet worden gehanteerd. Dat dit in de melding, die heeft geleid tot het onderzoek naar appellant wél is gebeurd, is niet gebleken. Het Uwv heeft gemotiveerd toegelicht dat [werkgever B.V. 1] vanuit een casus van het RIEC naar voren is gekomen als een geval van mogelijke faillissementsfraude. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze melding een onderzoek ingesteld naar twee werknemers van [werkgever B.V. 1] Nadat vast was komen te staan dat bij deze personen sprake was van een gefingeerd dienstverband, heeft het Uwv onderzoek ingesteld naar de voor [werkgever B.V. 1] werkzame uitzendkrachten, waaronder appellant. Het betoog van appellant, dat het Uwv bij het in behandeling nemen van de melding van het RIEC gebruik heeft gemaakt van voormelde risicokenmerken en fraude-indicatoren en daarom sprake is van vooringenomenheid bij het onderzoek naar een mogelijk gefingeerd dienstverband van appellant bij [werkgever B.V. 1] volgt de Raad daarom niet.
Zorgvuldigheid onderzoek
4.4.
De stelling van appellant dat het Uwv met het opvragen van zijn bankafschriften, het recht op respect voor het privéleven, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, heeft geschonden, wordt niet gevolgd. Op 20 augustus 2020 is appellant gehoord. Tijdens dit gesprek is met appellant afgesproken dat hij voor 27 augustus 2020 de bankafschriften zou overleggen. Het Uwv is hierna overgegaan tot het opvragen van de bankafschriften bij de bank van appellant, waarna het Uwv op 21 augustus 2020 de bankafschriften heeft ontvangen. Nu appellant ook zelf op 26 augustus 2020 deze bankafschriften heeft overgelegd, heeft het Uwv deze gegevens ten grondslag mogen leggen aan het onderzoek en de besluitvorming.
Privaatrechtelijke dienstbetrekking
4.5.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn dienstbetrekking bij [werkgever B.V. 1] zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode van 29 maart 2018 tot en met 7 december 2018 niet voor [werkgever B.V. 1] heeft gewerkt en dat sprake is geweest van een zogeheten gefingeerde dienstbetrekking. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden geheel onderschreven. Ook in hoger beroep heeft appellant geen nadere objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor [werkgever B.V. 1] heeft gewerkt.
4.6.
Voor zover appellant met het overleggen van stukken van de strafrechtelijke procedure een beroep doet op de onschuldpresumptie wordt dit niet gevolgd. Volgens vaste rechtspraak kan de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich in een voorkomend geval uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit of samenhangen met de strafrechtelijke procedure, ook indien een strafrechtelijke procedure niet is voortgezet in verband met een sepot. Het Uwv heeft voldoende toegelicht dat in dit geval van belang is dat in de bestuursrechtelijke procedure minder strenge bewijsregels gelden dan in de strafrechtelijke procedure. Voor een besluit tot intrekking van de WW-uitkering en ZW-uitkering is slechts vereist dat aannemelijk is dat appellant niet werkzaam is geweest voor [werkgever B.V. 1], terwijl in de strafrechtelijke procedure wettig en overtuigend dient te worden bewezen dat appellant opzettelijk bij de aanvraag van de uitkeringen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Dit betekent in dit geval dat de vrijspraak van appellant in de strafrechtelijke procedure geen gevolgen heeft voor de bestuursrechtelijke procedure.
Dringende reden
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat het Uwv in beginsel verplicht was om de onverschuldigd betaalde WW-uitkering en ZW-uitkering in te trekken en terug te vorderen. Dat is slechts anders indien sprake is van een dringende reden om van intrekking en terugvordering af te zien.
4.8.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
4.9.
De Raad is van oordeel dat het Uwv in dit geval zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle feiten en omstandigheden die relevant zijn bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. De oorzaak van de intrekking en terugvordering valt volledig aan appellant te wijten en het Uwv heeft adequaat en voortvarend gehandeld. Appellant heeft zijn beroep op het bestaan van dringende redenen niet onderbouwd. Het Uwv heeft mede daarom geen aanleiding hoeven zien op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en ZW-uitkering met de daaraan gekoppelde toeslagen en de afwijzing van de WIA-aanvraag in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en D.S. de Vries en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke bepalingen
Artikel 3, eerste lid, van de ZW
1. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Artikel 30a van de ZW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt hij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 28, 31, 45 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
Artikel 33, eerste en zesde lid, van de ZW1. Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 3, eerste lid, van de WW
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Artikel 22a van de WW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 36, eerste en zesde lid, van de WW
1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het UWV teruggevorderd. Indien de uitkering, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de werkgever wordt teruggevorderd, kan deze het teruggevorderde bedrag niet verhalen op de werknemer.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 20, eerste lid, van de TW
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
Artikel 7, eerste lid van de WIA
1. Verplicht verzekerd is de werknemer.
Artikel 8, eerste lid, van de WIA
1. Werknemer is de werknemer in de zin van de Ziektewet met uitzondering van de werknemer:
a. die zijn werknemerschap ontleent aan artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van die wet, of
b. die de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Zie de uitspraak van de Raad van 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1384.
CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|