Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:2021 
 
Datum uitspraak:02-03-2026
Datum gepubliceerd:02-03-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:11979811 VZ VERZ 25-6974
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:De kantonrechter is voornemens om een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad over de vraag of een arbeidsongeschikte werknemer vakantiedagen opbouwt tegen loonwaarde tijdens een slapend dienstverband. Partijen mogen zich daarover uitlaten.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11979811 VZ VERZ 25-6974

datum uitspraak: 2 maart 2026


Beschikking van de kantonrechter


in de zaak van



[verzoekster]

woonplaats: Rotterdam,
verzoekster,
hierna: werkneemster,
gemachtigde: mr. Ph. Ekering,

tegen



[verweerder]
, die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: Rotterdam,
verweerder,
hierna: werkgever,
gemachtigde: mr. D. Uygul-van Dam.




1De samenvatting
Het gaat in deze zaak om de afwikkeling van het dienstverband van werkneemster. Ter discussie staat de duur van het dienstverband, de hoogte van de transitievergoeding en de vraag of werkneemster na twee jaar ziekte nog vakantiedagen heeft opgebouwd tijdens het slapende dienstverband. De kantonrechter is van plan om over dat laatste punt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen. Verder geeft de kantonrechter een bewijsopdracht over de lengte van het dienstverband.




2De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


het verzoekschrift van werkneemster, ontvangen op 21 november 2025, met bijlagen;


de brief van werkneemster van 2 februari 2026, met een bijlage;


de e-mail van werkgever van 13 februari 2026, met een bijlage.





2.2.
Op 16 februari 2026 is de zaak tijdens de mondelinge behandeling besproken. Werknemer, werkgever en hun advocaten waren aanwezig.





3Waar de zaak over gaat

3.1.
Werkneemster, geboren in 1960, is in dienst geweest bij werkgever. Over de lengte van het dienstverband zijn partijen het niet eens. Volgens werkneemster is zij in dienst vanaf 16 april 1976, volgens werkgever vanaf 30 maart 2006. Werkneemster is sinds 30 juli 2023 arbeidsongeschikt. De loondoorbetalingsverplichting van werkgever eindigde per 27 juli 2025, na 104 weken ziekte. Werkneemster heeft sinds die datum recht op een WIA-uitkering.



3.2.
Werkgever heeft in een brief van 21 augustus 2025 aan werkneemster geschreven, voor zover nu van belang:


“Op 27 juli 2025 bent u gedurende 2 jaar ziek geweest. Volgens de wet hebben wij na afloop van deze twee jaar de mogelijkheid om het dienstverband met u te beëindigen.


Wij hebben besloten om van deze mogelijkheid gebruik te maken en hebben bij het UWV uw ontslagvergunning aangevraagd, welke is goedgekeurd.


Wij hebben daarom het dienstverband met ingang van 27 juli 2025 beëindigd. U ontvangt van ons een eindafrekening en transitievergoeding.”




3.3.
Werkgever heeft een eindafrekening opgesteld en aan werkneemster een transitievergoeding betaald van € 13.866,89 bruto, en de openstaande vakantiedagen uitbetaald, die zijn opgebouwd tot 27 juli 2025.



3.4.
Werkneemster stelt dat werkgever bij de berekening van haar transitievergoeding ten onrechte is uitgegaan van een dienstverband vanaf 30 maart 2006. Zij stelt dat zij sinds 16 april 1976 onafgebroken in dienst is geweest bij werkgever dan wel een van zijn rechtsvoorgangers. Verder vindt werkneemster dat zij recht heeft op vakantiedagen, die zij heeft opgebouwd na het einde van haar twee jaar (104 weken) ziekte. Vanaf 27 juli 2025 was sprake van een slapend dienstverband: werkneemster had geen recht meer op loon nadat werkgever twee jaar lang het loon had doorbetaald en er was geen passend werk voor haar bij werkgever, vanwege haar arbeidsongeschiktheid.



3.5.
Werkneemster verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. werkgever te veroordelen een aanvullende transitievergoeding te betalen van € 24.494,99 bruto, met wettelijke rente;

2. te bepalen dat werkneemster ook na het verstrijken van de 104-wekenperiode van arbeidsongeschiktheid vakantiedagen heeft opgebouwd, tot het einde van de arbeidsovereenkomst, en werkgever te veroordelen om deze vakantiedagen uit te betalen, met wettelijke rente;

3. werkgever te veroordelen om € 1.019,95 aan incassokosten te betalen en werkgever te veroordelen in de proceskosten.



3.6.
Werkgever voert gemotiveerd verweer.





4De beoordeling


Ontvankelijkheid verzoek transitievergoeding



4.1.
Werkgever voert aan dat werknemer niet-ontvankelijk is in haar verzoek om een transitievergoeding. Voor zover moet worden aangenomen dat er een opzegging heeft plaatsgevonden (primair stelt werkgever dat dit niet zo is, zie 4.3.), dan is de arbeidsovereenkomst volgens werkgever per 27 juli 2025 geëindigd, terwijl het verzoekschrift pas op 21 november 2025 bij de kantonrechter is ingediend.



4.2.
Dit verweer slaagt niet. De bevoegdheid om bij de kantonrechter een verzoekschrift in te dienen voor een transitievergoeding vervalt drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Deze vervaltermijn gaat pas lopen vanaf de datum waarop de opzegging werkneemster heeft bereikt. Het kan niet zo zijn dat een werkgever door een opzegging met terugwerkende kracht een werkneemster (een deel van) de vervaltermijn kan afnemen. Er is opgezegd bij brief van 21 augustus 2025. Het verzoekschrift om een transitievergoeding is ingediend op 21 november 2025 en dat is op tijd.


Is sprake van een opzegging?




4.3.
De stelling van werkgever dat geen sprake is van een opzegging, is niet houdbaar. Dit gelet op de inhoud van de brief van 21 augustus 2025 (zie 3.2.: “Wij hebben daarom het dienstverband met ingang van 27 juli 2025 beëindigd. U ontvangt van ons een eindafrekening en transitievergoeding”), in combinatie met het feit dat er een eindafrekening is opgemaakt en uitbetaald, waaronder een transitievergoeding. Werkneemster heeft de brief van 21 augustus 2025 als een opzegging begrepen en ook zo mogen begrijpen. Dat werkgever in de brief van 21 augustus 2025 schrijft dat het UWV toestemming heeft gegeven voor het ontslag, terwijl dat niet zo was, is in dit verband niet van belang.



4.4.
Met de brief van 21 augustus 2025 heeft werkgever geprobeerd de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht op te zeggen per 27 juli 2025. Dat is in strijd met het gesloten stelsel van het ontslagrecht en kan dus niet. De opzegging heeft pas effect vanaf de datum waarop de opzegbrief werkneemster heeft bereikt. Dat is op zijn vroegst op 21 augustus 2025 geweest. De vorige gemachtigde van werkneemster heeft wel bij werkgever geprotesteerd tegen dit ontslag, maar heeft de kantonrechter niet om vernietiging van de opzegging gevraagd. Juridisch gezien is dus sprake van een opzegging per 21 augustus 2025, zonder opzegtermijn en zonder toestemming van het UWV, waarin is berust door werkneemster.


Hoogte transitievergoeding; dienstjaren




4.5.
Partijen zijn het niet eens over de duur van het dienstverband. Werkneemster stelt dat zij sinds 16 april 1976 onafgebroken in dienst is geweest bij werkgever en zijn rechtsvoorgangers. Werkgever betwist dit gemotiveerd: dit klopt niet en blijkt evenmin uit de door werkneemster ingediende stukken. Op de loonstrook van periode 8/2025 staat dat werkneemster sinds 30 maart 2006 in dienst is. Werkgever, die sinds september 2021 franchisenemer is van de winkel waar werkneemster toen werkte, heeft de transitievergoeding berekend uitgaande van deze datum.



4.6.
Uit de stellingen van werkneemster en de stukken die zij in het geding brengt volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet zonder meer dat zij sinds 16 april 1976 onafgebroken in dienst geweest is bij werkgever en zijn voorgangers. Op de loonstrook van periode 8/1995 staat dat werkneemster sinds 16 maart 1985 in dienst is bij [bedrijf] Dit zegt nog niets over de tijd vóór 1985 en zegt evenmin iets over de periode ná 1995. De als bijlage 15 in het geding gebrachte foto’s zijn volgens werkneemster uit 1979. De kantonrechter wil wel aannemen dat dit zo is, maar dat werkneemster op deze foto’s staat zegt op zichzelf niet zoveel over haar stelling dat zij sinds 1976 onafgebroken in dienst is geweest tot 2025. De verklaring van [naam] doet dit ook niet. [naam] verklaart dat zij vele jaren collega van werkneemster is geweest, maar dat werkneemster onafgebroken sinds 1976 voor Jamin heeft gewerkt blijkt niet uit haar verklaring. Op de zitting bleek dat het UWV wat het arbeidsverleden van werkneemster betreft niet beschikt over informatie die haar stelling over een ononderbroken dienstverband ondersteunt.



4.7.
Werkgever stelt zich op het standpunt dat de franchisenemer, die per 30 maart 2006 de winkel overnam, geen inzicht had in de vaardigheden en verantwoordelijkheden van werkneemster en daarom niet als rechtsopvolger/opvolgend werkgever moet worden beschouwd. Het is de vraag, ook als vast komt te staan dat werkneemster vanaf 16 april 1976 zonder onderbreking heeft gewerkt in verschillende Jamin-winkels, of sprake is geweest van opvolgend werkgeverschap/overgang van onderneming. Een overzicht van wanneer werkneemster precies in welke winkel heeft gewerkt ontbreekt en zij kon hierover ter zitting ook geen duidelijkheid geven. In dit verband is mede van belang dat de Jamin-winkels aanvankelijk deel uitmaakte van het Ahold-concern, maar op enig moment zijn dit winkels met zelfstandige franchisenemers geworden.



4.8.
Kortom, de stelling van werkneemster dat zij sinds 16 april 1976 onafgebroken in dienst is geweest volgt niet zonder meer uit haar stukken en werkgever betwist deze stelling ook gemotiveerd. Werkneemster wordt toegelaten te bewijzen dat zij sinds 16 april 1976 of sinds een latere datum onafgebroken in dienst is geweest bij werkgever dan wel een van zijn rechtsvoorgangers.


Hoogte transitievergoeding; rekening houden met opzegtermijn?




4.9.
Werkneemster stelt dat zij recht heeft op een transitievergoeding opgebouwd tot 21 augustus 2025. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat bij een onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst, het recht op en de hoogte van de transitievergoeding bepaald moeten worden aan de hand van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst geëindigd zou zijn als de werkgever deze regelmatig opgezegd zou hebben. De kantonrechter moet daarnaast zelf nagaan of de berekening van de transitievergoeding klopt en zo nodig een hogere transitievergoeding toewijzen dan is verzocht. Voorshands is de kantonrechter van oordeel dat dit dus betekent dat bij de berekening van de transitievergoeding rekening moet worden gehouden met de opzegtermijn die had moeten worden gehanteerd vanaf 21 augustus 2025 bij reguliere opzegging, ook als werkneemster daar niet om heeft gevraagd. De kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid een akte te nemen over de vraag wat dit betekent voor de hoogte van de transitievergoeding in deze zaak en daartoe een (aangepaste) berekening in het geding te brengen.


Prejudiciële vraag over vakantiedagenopbouw tijdens slapend dienstverband




4.10.
De opzegging van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht per 27 juli 2025 heeft geen effect, zoals is geoordeeld onder 4.4. Dit betekent dat tussen 27 juli 2025 – toen werkneemster twee jaar arbeidsongeschikt was – en 21 augustus 2025 sprake is geweest van een slapend dienstverband. Werkneemster vraagt om uitbetaling van vakantiedagen die zij tijdens dit slapende dienstverband opgebouwd heeft.



4.11.
De kantonrechter heeft het voornemen om aan de Hoge Raad deze prejudiciële vraag te stellen:


Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband?


Een slapend dienstverband is de periode waarin het dienstverband nog niet is geëindigd, maar de arbeidsongeschikte werknemer heeft geen recht op loon en geen re-integratieverplichtingen meer. In de regel is dit na twee jaar ziekte en na twee jaar loondoorbetaling en opbouw van vakantiedagen.



4.12.
Een antwoord op de prejudiciële vraag is nodig om op het verzoek van werkneemster in deze zaak te beslissen. Daarnaast is een antwoord op deze vraag rechtstreeks van belang voor een veelheid nog te verwachten zaken, die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en oorzaken. Er ontstaat namelijk in veel gevallen aan het einde van de periode van twee jaar ziekte een slapend dienstverband, omdat de werkgever toestemming voor ontslag moet vragen aan het UWV en deze procedure enige tijd duurt, waarna de werkgever ook nog een opzegtermijn in acht moet nemen. Deze problematiek speelt ook bij arbeidsrelaties waarin een slapend dienstverband langere tijd doorloopt omdat de werkgever niet tot beëindiging van het dienstverband overgaat (en de werknemer pas op een later moment een Xella-verzoek doet).



4.13.
Het is de kantonrechter bekend dat over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband inmiddels meerdere procedure zijn gevoerd. Een aantal van deze zaken is geëindigd in een schikking. In een zestal beschikkingen van kantonrechters is het tot (deels tegenstrijdige) uitspraken gekomen:

Kantonrechter Nijmegen 5 juni 2024:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:3780

Kantonrechter Arnhem 12 augustus 2025:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:7054

Kantonrechter Groningen 19 december 2025:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5517

Kantonrechter Dordrecht 5 februari 2026:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1215

Kantonrechter Utrecht 18 februari 2026:
zaaknummer 11950152 \ UR BRTX 36-336, nog niet gepubliceerd]

Kantonrechter Rotterdam 24 februari 2026
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1852



4.14.
Ook de literatuur is verdeeld. Naar verwachting zal over dit onderwerp nog veel vaker worden geprocedeerd, tot de Hoge Raad uitsluitsel geeft over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband. Navraag bij de hoven leert, dat over dit onderwerp op dit moment nog geen zaken aanhangig zijn.



4.15.
De kantonrechter stelt partijen, voordat zij de Hoge Raad de prejudiciële vraag stelt, in de gelegenheid zich uiterlijk op 16 maart 2026 bij akte uit te laten over het voornemen om de prejudiciële vraag te stellen en over de inhoud van de te stellen vraag (zie hiervoor 4.11).





5De beslissing
De kantonrechter:


5.1.
stelt partijen in de gelegenheid zich uiterlijk op 16 maart 2026 bij akte uit te laten over het voornemen onder 4.11 om aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen en over de inhoud van de te stellen vraag (per e-mail naar: kantonverzoek.rotterdam@rechtspraak.nl);



5.2.
stelt werkneemster in de gelegenheid om te bewijzen dat zij sinds 16 april 1976 of sinds een latere datum onafgebroken in dienst is geweest van werkgever dan wel van zijn rechtsvoorgangers;



5.3.
bepaalt dat werkneemster tot uiterlijk 15 april 2026 per e-mail op bovengenoemd adres kan laten weten of, en zo ja, hoe zij het bewijs wil leveren;
- en als zij dit bewijs schriftelijk wil leveren, zij op deze datum de bewijsstukken in het geding moet brengen;
- en als zij dit bewijs wil leveren door het horen van getuigen, zij op deze datum opgave moet doen van het aantal en de personalia van de door haar voor te brengen getuigen en van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de maanden mei tot en met september 2026 (van beide partijen en de getuigen), zodat een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald;
- bepaalt dat werkneemster te zijner tijd moet zorgdragen voor een oproeping van de te horen getuigen;
- bepaalt dat het eventuele getuigenverhoor zal worden gehouden in de rechtbank aan het Wilhelminaplein 100/125 in Rotterdam ten overstaan van kantonrechter mr. C.J. Frikkee;



5.4.
na de eventuele bewijslevering zullen partijen op een nader te bepalen datum in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de hoogte van de transitievergoeding en over wat is overwogen onder 4.9;



5.5.
houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
686



Artikel 7:686a lid 4 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW)


Zie Hoge Raad 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:747, r.o. 3.2.2.


Hoge Raad 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, r.o. 3.3.9


Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365, r.o. 3.2.2


Zie art. 7:672 lid 2 BW


Hoge Raad 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734
Link naar deze uitspraak