|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:1109 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 25/3816 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | 8:54, beroep niet-ontvankelijk wegens het niet overleggen van gronden en een juiste machtiging | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | inkomstenbelasting | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3816
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gesteld gemachtigde: [naam] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. De belastingdienst heeft op 10 juni 2025 een brief ontvangen. Deze brief is aangemerkt als reactie op de uitspraak op bezwaar over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.07.01. De inspecteur heeft de brief aangemerkt als beroepschrift en op 5 augustus 2025 doorgezonden naar de rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is het beroepschrift te behandelen.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Daarnaast dient iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Heeft belanghebbende de gronden en de machtiging tijdig ingediend?
4. Het doorgezonden beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. In de brief van 18 augustus 2025 – gericht aan gesteld gemachtigde en verzonden naar het adres van belanghebbende – heeft de rechtbank verzocht om een machtiging, waaruit blijkt dat gesteld gemachtigde bevoegd is om namens belanghebbende te procederen. Vervolgens heeft de rechtbank bij aangetekend verzonden brief – gericht aan gesteld gemachtigde en verzonden naar het adres van belanghebbende – nogmaals verzocht om dit verzuim binnen twee weken te herstellen. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen met de melding ‘niet afgehaald, retour afzender’. Uit de basisregistratie persoonsgegevens blijkt dat belanghebbende ingeschreven staat op dat adres. Daarnaast merkt de rechtbank op dat het griffierecht is betaald in de onderhavige zaak. De betaling van het griffierecht laat zien dat de rechtbank belanghebbende op dat adres wel heeft weten te bereiken. De rechtbank heeft bij brief van 28 oktober 2025 nogmaals naar dat adres, nu per gewone post en met een laatste termijn van twee weken, verzonden. Belanghebbende en gesteld gemachtigde hebben niet gereageerd op de brieven van de rechtbank.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
Dit staat in artikel 6:6 van de Awb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|