|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:1483 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 24/5171 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Terugbetaling inburgeringslening. De rechtbank is van oordeel dat het onderscheid dat wordt gemaakt door de staatssecretaris ten behoeve van kwijtschelding gerechtvaardigd is en dat niet is gebleken dat de terugbetaling onevenredig is. Het beroep is ongegrond. Omdat de hoorplicht is geschonden ziet de rechtbank wel aanleiding om te bepalen dat de staatssecretaris het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 24/5171
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),
en
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigde: mr. H. Bouhuys).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugbetalen van een geldlening die eiser heeft afgesloten om in te burgeren. Eiser is het niet eens met het besluit dat hij de lening moet terugbetalen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris terecht heeft besloten dat eiser de lening moet terugbetalen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft voor het inburgeren hij bij Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) een geldbedrag geleend. De staatssecretaris heeft met het besluit van 19 april 2024 (hierna: het terugbetalingsbesluit) de hoogte van de lening vastgesteld op € 9.477,59 en bepaald dat hij dit bedrag vanaf 1 oktober 2024 dient terug te betalen.
3. Eiser heeft tegen het terugbetalingsbesluit bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 13 november 2024 heeft de staatssecretaris dat bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
4. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
4.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigden van partijen hebben via beeldverbinding aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Hoorplicht
5. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord over het bezwaar. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is geen sprake. Het is niet op voorhand zeker dat zijn bezwaarschrift niet tot een andere beslissing zou kunnen leiden. Deze beroepsgrond slaagt.
6. Als hoofdregel geldt dat een bestuursorgaan in de bezwaarprocedure een belanghebbende moet horen. Als op voorhand geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet leiden tot een ander besluit, dan kan van het horen worden afgezien. De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich in deze zaak echter niet voordoet. Hoewel de staatssecretaris in dit geval een belangenafweging heeft gemaakt, lag het op weg van de staatssecretaris om eiser te horen zodat hij zijn belangen (nader) kenbaar had kunnen maken en had kunnen uitleggen.
6.1.
Het voorgaande betekent dat de beslissing op bezwaar in strijd met de hoorplicht is genomen. Eiser heeft echter in beroep de gelegenheid gehad om zijn standpunt alsnog naar voren te brengen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek in de besluitvorming te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet verder is benadeeld.
Ongerechtvaardigd onderscheid in soorten inburgeraars
7. Eiser voert aan dat de staatssecretaris een ongerechtvaardigd onderscheid maakt doordat eiser wel, maar andere inburgeraars niet, de lening terug hoeven te betalen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank stelt vast dat er op grond van artikel 16 van de Wet inburgering (hierna: de Wi) een lening kan worden verstrekt aan een inburgeringsplichtige voor het inburgeren. Die lening moet, gelet op het vierde lid, met rente worden terugbetaald. Er geldt een uitzondering voor asielstatushouders: voorheen werd hun lening kwijtgescholden indien zij tijdig waren ingeburgerd, tegenwoordig hoeven zij hun lening onvoorwaardelijk niet meer terug te betalen.
8.1.
Vooropgesteld moet worden dat tussen partijen niet ter discussie staat dat eiser geen asielstatushouder is en dat door hem ook niet is aangevoerd dat hij in zoverre in een vergelijkbare positie verkeert als een asielgerechtigde. Uit vaste rechtspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken blijkt dat het onderscheid dat wordt gemaakt een legitiem doel nastreeft en evenredig is ten opzichte van het beoogde doel. Daarbij is overwogen dat de wetgever bij het nemen van maatregelen op sociaal-economisch terrein (zoals het verstrekken van een inburgeringslening) beschikt over een aanzienlijke beslissingsruimte. Daarbij heeft de staatssecretaris onderscheid kunnen maken omdat asielgerechtigden een bijzondere en kwetsbare positie hebben ten opzichte van andere personen die op vrijwillige basis of door het eigen handelen, of het handelen van een naaste, zijn land van herkomst heeft verlaten en uiteindelijk in aanmerking is gekomen voor een reguliere verblijfsvergunning. In navolging hiervan is de rechtbank van oordeel dat het onderscheid dat wordt gemaakt ten behoeve van de kwijtschelding van inburgeringsleningen niet ongerechtvaardigd is.
Evenredigheid
9. Eiser voert aan dat de staatssecretaris eraan voorbij gaat dat hij moet nagaan of de omstandigheden van het geval leiden tot een onevenredig besluit en aldus moeten leiden tot een geheel of gedeeltelijke kwijtschelding van de lening. Hij gaat daarbij niet in op de aangevoerde gezinssituatie van eiser en het effect op hun inkomen vanwege het louter hebben van een bijstandsuitkering. Ook gaat de staatssecretaris onvoldoende in op de bezwaargrond over de hoogte van de rente, die gedeeltelijk het gevolg is van de corona-pandemie. De staatssecretaris heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het terugbetalingsbesluit evenredig is, aldus eiser. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
10. De bestuursrechter kan tot het oordeel komen dat een bestuursorgaan verplicht is om een algemeen verbindend voorschrift buiten toepassing te laten, omdat toepassing in een bijzonder geval zo nadelige gevolgen heeft dat die onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
10.1.
De bijzondere omstandigheden die eiser aanhaalt zien in essentie uiteindelijk op zijn beperkte financiële situatie. De staatssecretaris heeft daarover (kenbaar en) terecht aangegeven dat bij de terugbetaling van de lening al rekening wordt gehouden met de draagkracht van eiser. In dit geval heeft dat ook tot gevolg gehad dat het bedrag dat eiser per maand moet terugbetalen is vastgesteld op € 0,-. Zolang eiser over onvoldoende draagkracht beschikt, hoeft hij dan ook niet (een deel van) deze lening terug te betalen. Daar komt ook bij dat de restschuld automatisch wordt kwijtgescholden na tien jaar. Dat eiser in de toekomst mogelijk wel draagkracht heeft en hij dan wel de lening zou moeten terugbetalen (voor zover zijn draagkracht dat dan toestaat), betekent niet zonder meer dat de terugbetaling onevenredig is. Ook de andere omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, dat hij een gezin heeft met drie kinderen en dat de rente is opgelopen, betekenen niet zonder meer dat de terugbetaling hiervan onevenredig is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris terecht en kenbaar heeft vastgesteld dat het terugbetalingsbesluit evenredig is.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugbetalingsbesluit in stand blijft.
11.1.
De rechtbank ziet, gelet op het passeren van het gebrek in de besluitvorming op het bezwaar (de schending van de hoorplicht), wel aanleiding om te bepalen dat de staatssecretaris het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan hem moet vergoeden. Ook ziet de rechtbank aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 februari 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de artikelen 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie over de verplichting tot het maken van een evenredigheidsbeoordeling wat is overwogen onder 4.1 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2598.
De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet inburgering 2021 blijft de (oude) Wet inburgering van toepassing op de personen op wie deze wet van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet (1 januari 2022).
Zie in dit kader artikel 4.1a en 4.13 van het Besluit inburgering en de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3087.
Zie wat is overwogen onder 3.1-3.2 in de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2880. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|