|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:2366 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 24/5555 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Terugvordering Tozo-uitkering. Hoorplicht geschonden, gebrek passeren (artikel 6:22 Awb). Het college heeft aangegeven het standpunt van eiser pas te kunnen beoordelen wanneer eiser daarover facturen aanlevert. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Dat eiser de gevraagd stukken niet heeft overgelegd waardoor zijn standpunt niet te controleren is, komt voor zijn eigen rekening en risico. Het college mocht uitgaan van de stukken die eiser wel heeft overgelegd. | | Trefwoorden | : | aangifte inkomstenbelasting | | | inkomstenbelasting | | | omzetbelasting | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/5555
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen
mr. [eiser] , uit Purmerend, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend
(gemachtigden: mr. J.M. Dekker-Koenders, R.G. van der Eijk en N.D. Feenstra).
Procesverloop
1. Met het primaire besluit van 4 april 2024 heeft het college de Tozo-uitkering van eiser over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 ingetrokken en de te veel betaalde uitkering van in totaal € 3.156,96 van eiser teruggevorderd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij die intrekking en terugvordering gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.
1.4.
De behandeling van het beroep is ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen aanvullende bewijsstukken te overleggen. Dit heeft eiser op 9 oktober 2025 gedaan.
1.5.
Op 20 oktober 2025 heeft het college een aanvullende beslissing op bezwaar genomen. Het college concludeert dat eiser recht had op Tozo-uitkering over de maand april 2020. De Tozo-uitkering over de maanden maart en mei 2020 worden wel teruggevorderd. Het gaat daarbij om een totaalbedrag van € 2.104,64.
1.6.
Eiser heeft op 3 november 2025 gereageerd op het nieuwe besluit. Verweerder heeft op 6 november 2025 gereageerd op de reactie van eiser.
1.7.
Partijen hebben desgevraagd niet aangegeven behoefte te hebben aan een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald op heden.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Bij besluit van 22 mei 2020 is aan eiser over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 een Tozo-uitkering toegekend.
3. Bij brief van 6 februari 2024 is eiser geïnformeerd over de controle naar de rechtmatigheid van de verstrekking van de Tozo-uitkering. In dat kader wordt eiser gevraagd voor 20 februari 2024 een aantal gegevens op te sturen. Op 20 februari 2024 en 5 maart 2024 is aan eiser een hersteltermijn geboden omdat hij niet heeft gereageerd op het verzoek.
4. Bij besluit van 4 april 2024 is de Tozo-uitkering van eiser over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 ingetrokken. Daaraan legt het college ten grondslag dat eiser meermaals is verzocht om gegevens te verstrekken. Deze gegevens zijn voor het college nodig om te controleren of recht bestond op de Tozo-uitkering. Omdat deze gegevens niet zijn ontvangen kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld. De Tozo-uitkering wordt daarom ingetrokken en het bedrag van € 3.156,96 moet worden terugbetaald. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
5. In bezwaar voert eiser aan dat de besluitvorming is gebaseerd op regelgeving die pas na 31 mei 2020 tot stand is gekomen en met terugwerkende kracht is ingevoerd. Dit is volgens eiser kortgezegd in strijd met de rechtszekerheid, het vertrouwens- legaliteits- en zorgvuldigheidsbeginsel. De terugwerkende kracht heeft volgens eiser verstrekkende (financiële) gevolgen waarop hij niet heeft kunnen anticiperen. Daarnaast verzoekt eiser tot heroverweging van het besluit, waartoe hij alsnog een kostenoverzicht en winst- en verliesrekening over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 verstrekt.
6. In de bezwaarfase is eiser op 28 mei 2024 per mail gevraagd om aanvullende documenten te overleggen. Het gaat daarbij om:
Bewijsstuk betreffende de ondersteuning voor de Raad voor Rechtsbijstand
Bewijsstuk dat eiser deze ondersteuning heeft terugbetaald
Aangifte inkomstenbelasting 2020
Jaarcijfers 2020 (indien aanwezig)
Kwartaalaangifte omzetbelasting m.b.t. de periode waarin de Tozo is ontvangen
Op 4 juni 2024 heeft het college eiser per brief opnieuw gevraagd de bovengenoemde stukken te overleggen. Na het uitblijven van een reactie heeft het college eiser op 13 juni 2024 bij aangetekende brief een laatste keer om de stukken gevraagd. Bij bestreden besluit van 11 juli 2024 is het college bij de intrekking en terugvordering gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
Aanvullend besluit van 20 oktober 2025
7. Tijdens de zitting bij de rechtbank is afgesproken dat eiser alsnog de gevraagde stukken zou overleggen. Op 9 oktober 2025 heeft eiser een Fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting 2020 (van 29 april 2022) en een mail over de terugvordering van het voorschot van de Raad voor de Rechtsbijstand (van 28 januari 2021) overgelegd. Op grond van deze en de reeds bij het college in bezit zijnde stukken heeft het college geconcludeerd dat eiser in maart 2020 en mei 2020 voldoende winst heeft gemaakt. In april 2020 was er een verlies. De uitkering over maart 2020 en mei 2020 wordt daarom ingetrokken en teruggevorderd. Het gaat daarbij om een bedrag van € 2.104,64.
7.1.
Omdat het college op 20 oktober 2025 een aanvullende beslissing op bezwaar heeft genomen, dat een wijziging van het bestreden besluit inhoudt, zal de rechtbank dit besluit, gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de beoordeling betrekken.
Heeft het college de hoorplicht geschonden?
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet is uitgenodigd voor een hoorzitting in bezwaar. Het college stelt ten onrechte dat hij niet telefonisch bereikbaar zou zijn geweest voor het maken van een afspraak en eiser heeft geen voicemail of schrijven van het college ontvangen waarin hij wordt uitgenodigd voor het maken van een afspraak of werd opgeroepen voor een hoorzitting. Het niet houden van een hoorzitting is in strijd met het recht op hoor en wederhoor. Bovendien is eiser door deze onzorgvuldige handelswijze de gelegenheid ontnomen om alsnog aanvullende stukken in het geding te brengen.
8.1.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb dient het college eiser, voordat het op het bezwaar beslist, in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kan het college van het horen afzien indien eiser niet binnen een door het college gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
8.2.
Het college heeft eiser meermaals geprobeerd te bellen en eiser ook per e-mail en brief gevraagd of hij eerst documenten wil opsturen of dat hij eerst een hoorzitting wenst. Uit deze contact(poging)en blijkt echter niet dat aan eiser een redelijke termijn is gegeven om te laten weten of hij gebruik wil maken van een hoorzitting. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van een situatie als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb geen sprake is. Eiser is dus ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord waarmee de hoorplicht is geschonden.
8.3.
Aangezien eiser op de zitting alsnog in de gelegenheid is geweest zijn standpunten toe te lichten passeert de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het is niet aannemelijk dat eiser door de schending van de hoorplicht is benadeeld. Het standpunt van eiser dat hij door het ontbreken van de hoorzitting geen aanvullende stukken kon indienen, volgt de rechtbank niet. Het stond eiser gedurende de hele procedure vrij om nog stukken te overleggen. Uiteindelijk heeft eiser dit na de zitting bij de rechtbank ook gedaan en dit heeft het college aanleiding gegeven een aanvullend besluit te nemen.
Is de intreding van de regeling met terugwerkende kracht in strijd met algemene rechtsbeginselen?
9. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de besluitvorming is gebaseerd op regelgeving die pas na de toekenning en ingangsdatum van de uitkering tot stand is gekomen. Dit is dus met terugwerkende kracht. Het besluit Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers is op 21 april 2020 gepubliceerd. Het toekenningsbesluit dateert van 22 mei 2020. Eiser heeft derhalve niet kunnen anticiperen op de verstrekkende (financiële) gevolgen van de terugwerkende kracht van de regelgeving. Bovendien was volgens eiser de verwachting gewekt dat een inkomenstoets achterwege zou blijven in de eerste Tozo-periode. Dit is in strijd met het rechtszekerheids-, vertrouwens,- legaliteits- en zorgvuldigheidsbeginsel.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat de besluitvorming inderdaad gebaseerd is op een regeling die met terugwerkende kracht is ingegaan. Het besluit Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers is echter op 21 april 2020 gepubliceerd. Dit is dus vóór het toekenningsbesluit van de Tozo-uitkering aan eiser van 22 mei 2020. Eiser had vanaf dat moment dus bekend kunnen raken met de inhoud en de gevolgen van de regeling. In de Nota van Toelichting bij de Regeling is uiteen gezet waarom er een afwijkende inwerkingtreding is opgenomen en waarom de regering dit gerechtvaardigd acht gelet op de aard van de Regeling (noodregelgeving). Voorts zijn in de Nota van Toelichting de verplichtingen van een aanvrager terug te lezen. De rechtbank is van oordeel dat eiser hieruit had kunnen opmaken dat er een mogelijkheid bestond tot terugvordering van de Tozo-uitkering, indien er geen recht bestond, in lijn met de bepalingen daarover in de Participatiewet.
9.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de Tozo-regeling met terugwerkende kracht is ingetreden niet in strijd is met de algemene rechtsbeginselen.
Heeft het college de Tozo over maart en mei 2020 terecht teruggevorderd?
10. Eiser betwist dat de winst die werd geboekt in de periode maart en mei 2020 is voortgekomen uit werkzaamheden die werden verricht in die maanden. Gelet op het feit dat aan het einde van een zaak in toevoegingszaken kan worden gedeclareerd heeft de winst in die in een maand geadministreerd wordt, betrekking op werkzaamheden verricht in de periode daarvoor. Het gaat dus om beloning van werkzaamheden die voor de vaststelling van de aanspraak op een uitkering niet relevant zijn. Eiser stelt dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of de winsten die zij uit de overlegde stukken haalden wel betrekking hadden op werkzaamheden verricht in de maanden maart 2020 en mei 2020. De besluitvorming is daarom volgens eiser onzorgvuldig en lijdt aan een motiveringsgebrek.
10.1.
Het college heeft aangegeven het standpunt van eiser pas te kunnen beoordelen wanneer eiser daarover facturen aanlevert. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Dat eiser de gevraagd stukken niet heeft overgelegd waardoor zijn standpunt niet te controleren is, komt voor zijn eigen rekening en risico. Het college mocht uitgaan van de stukken die eiser wel heeft overgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep van eiser slaagt niet. Het beroep tegen het bestreden besluit van 11 juli 2024, zoals gewijzigd bij het besluit van 20 oktober 2025 is dus ongegrond. Dat betekent dat het college de Tozo-uitkering over de maanden maart en mei 2020 mocht terugvorderen.
11.1.
Aangezien de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb bepaalt de rechtbank dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding. Er is geen sprake van ‘door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’ als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu eiser namens zichzelf procedeert.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|