Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:1547 
 
Datum uitspraak:27-02-2026
Datum gepubliceerd:10-03-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB 25_1109
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:IB/PVV; navorderingstermijn; nieuw feit; vereiste aangifte; omkering en verzwaring van de bewijslast; beroep ongegrond.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
aanmerkelijk belang
belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
belastbaar inkomen uit werk en woning
inkomstenbelasting
koopovereenkomst
vennootschapsbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1109


uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 februari 2026

in de zaak tussen



[belanghebbende]
, uit [plaats 1], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),

en




de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.




Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 januari 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 188.950. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 9.832 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A], [persoon B], [persoon C], [persoon D], [persoon E] en [persoon F]. De zaak van belanghebbende is gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam bedrijf 1] (zaaknummers 24/6642 en 25/1096).




Feiten

1. Belanghebbende had in het belastingjaar 2018 een fiscaal partner. Belanghebbende is op 25 juni 2018 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (Brp) en ingeschreven in Ierland.

2. Belanghebbende was in het belastingjaar 2018 enig aandeelhouder van [naam bedrijf 2], die op haar beurt enig aandeelhouder was van [naam bedrijf 1] (de BV). De BV exploiteerde een discotheek in [plaats 2].

3. Belanghebbende had in 2018 een eigen woning in Nederland, gelegen aan [locatie] in [plaats 2], en stond in Nederland op dit adres in de Brp ingeschreven tot 25 juni 2018.

4. Met dagtekening 28 februari 2019 is aan belanghebbende een uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2018 uitgereikt waarin is aangegeven dat de aangifte IB/PVV 2018 moet worden ingediend voor 1 juli 2019.

5. Op 26 maart 2019 heeft de inspecteur een elektronisch verzoek om (becon)uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2018 van belanghebbende ontvangen. In verband met de blokkeringsregeling is er individueel uitstel verleend tot 1 november 2019. Het verzoek is ingediend onder beconnummer [nummer].

6. Het beconnummer [nummer] is van administratiekantoor ‘[naam administratiekantoor]’(het administratiekantoor). Het administratiekantoor heeft voor belanghebbende aangiften IB/PVV ingediend voor de jaren 2016 (op 30 januari 2018) en 2017 (op 14 november 2019).

7. Omdat er binnen de gestelde termijn(en) geen aangifte IB/PVV 2018 is ontvangen, is er een herinnering en aanmaning naar belanghebbende gestuurd op 29 november 2019 respectievelijk 28 januari 2020. De aangifte moest uiterlijk 18 februari 2020 binnen zijn.

8. Met dagtekening 21 juli 2021 heeft de inspecteur ambtshalve een aanslag IB/PVV 2018 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.000. Daarbij is € 3.758 belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 5.172 opgelegd. Het aanslagbiljet is verzonden naar het adres van belanghebbende in Ierland.

9. Op 5 januari 2022 heeft de inspecteur een bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2018 ontvangen.

10. Op 12 januari 2022 heeft de inspecteur een (papieren) aangifte IB/PVV 2018 van belanghebbende ontvangen.

11. Bij brief van 17 februari 2022 met als onderwerp ‘verzoek om informatie’ heeft de inspecteur nadere informatie opgevraagd bij belanghebbende. In de brief is verder het volgende vermeld:

“(…) Ontvankelijkheid
Het bezwaarschrift is niet ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van de aanslag. Omdat ik uw bezwaarschrift niet binnen de uiterste termijn heb ontvangen, zal ik het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren.

Het bezwaarschrift en de ingediende aangifte zal ik behandelen als een verzoek om ambtshalve vermindering.

Om dit verzoek te kunnen beoordelen, heb ik nadere informatie nodig. Ik verzoek u de volgende informatie te verstrekken.

Met dagtekening 7 juni 2022 heeft de inspecteur het verzoek ambtshalve vermindering afgewezen.

12. De inspecteur heeft op 25 maart 2024 een bericht van de inspecteur vennootschapsbelasting van de BV ontvangen. Daarin is vermeld dat belanghebbende in 2018 betalingen heeft ontvangen van de BV en is een overzicht van de betalingen bijgevoegd. In de periode van 5 februari 2018 tot en met 19 juni 2018 gaat het om de volgende betalingen:

5 februari 2018 € 130.000
3 mei 2018 € 31.000
8 mei 2018 € 49.000
9 mei 2018 € 49.000
11 mei 2018 € 47.000
16 mei 2018 € 38.900
30 mei 2018 € 30.000
19 juni 2018 € 3.000
Totaal: € 377.900

13. Bij brief van 9 april 2024 heeft de inspecteur zijn voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag IB/PVV 2018 aan belanghebbende kenbaar gemaakt. In de brief is vermeld dat de inspecteur heeft vastgesteld dat tot en met 19 juni 2018 van de bankrekening van de BV een bedrag van € 377.900 aan belanghebbende is overgemaakt en dat hij deze betaling als winstuitdeling van de BV aan belanghebbende ziet. Omdat belanghebbende in 2018 is gehuwd, heeft de inspecteur de winstuitdeling voor de helft in aanmerking genomen.

14. Met dagtekening 15 april 2024 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 16 mei 2024.

15. In een e-mail van 14 september 2024 heeft het administratiekantoor aan de gemachtigde geschreven:

“(…) Wij hebben over het jaar 2018 niets ingediend, geen aangifte vennootschapsbelasting en geen aangifte inkomstenbelasting.


[naam bedrijf 2]/[naam bedrijf 1] waren in 2018 geen cliënt bij ons kantoor. Wij hebben later een reconstructie gemaakt over het jaar 2018 van [naam bedrijf 1] op verzoek van de dochter. (…)”




Beoordeling door de rechtbank

16. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de belastingrentebeschikking terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

17. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:



Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?


Is de navorderingsaanslag buiten de termijn opgelegd?


Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan?


Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?


Woont belanghebbende heel 2018 in Nederland?


Is het beroep tegen de bij de aanslag IB/PVV 2018 opgelegde verzuimboete ontvankelijk?


Is de belastingrente terecht en niet te hoog vastgesteld?



18. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

19. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur een digitaal dossier heeft overgelegd, maar dat het niet mogelijk is voor belanghebbende om dit dossier naar behoren in te zien.

20. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Belanghebbende heeft niet nader concreet gemaakt welke stukken niet zouden zijn overgelegd. De gemachtigde heeft vrijwillig ervoor gekozen om digitaal te procederen. Dit brengt met zich dat de op de zaak betrekking stukken via het digitale systeem beschikbaar komen van de gemachtigde. Het ligt vervolgens op de weg van de gemachtigde om ervoor zorg te dragen dat, indien gewenst, belanghebbende ook inzage krijgt in de op de zaak betrekking hebbende stukken.


Is de navorderingsaanslag buiten de termijn opgelegd?



Standpunten van partijen

21. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag buiten de termijn is opgelegd. Hij voert daarvoor aan dat niet op zijn verzoek uitstel is verleend voor het doen van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2018. Het administratiekantoor [naam administratiekantoor] (het administratiekantoor) geeft aan in 2018 niet voor belanghebbende te hebben gewerkt en in die hoedanigheid dus ook geen uitstel heeft kunnen aanvragen. Het administratiekantoor heeft in opdracht van de dochter van belanghebbende werkzaamheden verricht, maar dus ten onrechte. Belanghebbende heeft het administratiekantoor hier op aangesproken. De aanmaningen zijn ten onrechte naar het administratiekantoor gestuurd.

22. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag binnen de termijn is opgelegd, omdat op verzoek uitstel is verleend. Het administratiekantoor heeft voor de jaren 2016, 2017 en 2018 werkzaamheden verricht waaruit een volmacht blijkt. Anders is in ieder geval de schijn van vertegenwoordiging gewekt. Het uitstel is ook kenbaar verleend, zoals opgenomen in de herinneringsbrief.


Rechtskader

23. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. Het gaat om de duur van het verleende uitstel, niet om de duur van het uitstel dat de belastingplichtige daadwerkelijk heeft genoten. Dat de inspecteur uitstel heeft verleend en voor welke periode, moet voor de belastingplichtige duidelijk kenbaar zijn. Indien een belastingplichtige aan een belastingconsulent de opdracht verstrekt om een belastingaangifte te verzorgen, dan impliceert dat een volmacht om, zo de consulent dat dienstig oordeelt, uitstel voor de indiening van die aangifte te vragen.


Beoordeling

24. Het administratiekantoor heeft namens belanghebbende aangiften IB/PVV ingediend voor de jaren 2016 en 2017. De aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 is ingediend op 30 januari 2018, die voor het jaar 2017 is ingediend op 14 november 2019. Op grond hiervan acht de rechtbank aannemelijk dat het administratiekantoor ten tijde van het indienen van het uitstelverzoek op 26 maart 2019 een volmacht had voor het indienen van aangiften IB/PVV van belanghebbende, ook voor het jaar 2018, en dus impliciet ook voor het verzoeken om uitstel. Belanghebbende heeft niets concreet naar voren gebracht op grond waarvan anders moet worden geoordeeld; de loutere ontkenning dat een dergelijke volmacht is verleend, is daarvoor onvoldoende.


Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan?



Standpunten van partijen

25. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuw feit, omdat in 2017 al bekend was dat de onderneming was verkocht en een koopovereenkomst was gesloten.

26. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een nieuw feit, omdat hij na het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2018 de beschikking heeft gekregen over de informatie waaruit volgt dat de BV in 2018 betalingen heeft gedaan aan belanghebbende. Deze informatie was de inspecteur niet bekend en had ook niet redelijkerwijs bekend kunnen zijn. Ook is sprake van kwade trouw, omdat belanghebbende geen aangifte heeft ingediend, alhoewel hij daartoe wel was verplicht.


Rechtskader

27. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn (ambtelijk verzuim), kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.Het ligt in beginsel op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw.




Beoordeling

28. De inspecteur is in 2024 ervan op de hoogte gesteld door de inspecteur van de BV, dat contante betalingen hadden plaatsgevonden door de BV aan belanghebbende. Deze informatie was de inspecteur niet eerder bekend en is aan te merken als het nieuwe feit op grond waarvan de inspecteur bevoegd was na te vorderen. De inspecteur was ook niet verplicht om bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 het dossier van de BV te raadplegen. Niet gesteld of gebleken is dat de gegevens in het dossier van belanghebbende aanleiding gaven om het dossier van de BV te raadplegen.


De hoogte van de aanslag



Standpunten van partijen

29. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende, alhoewel daartoe uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, geen aangifte heeft ingediend. De inspecteur stelt zich verder op het standpunt dat belanghebbende tot emigratiedatum 26 juni 2018 in Nederland woonde en dus binnenlands belastingplichtig was. Mocht belanghebbende niet in Nederland woonachtig zijn, dan is Nederland op basis van artikel 10, tweede lid, van het verdrag tussen het koninkrijk der Nederland en Ierland toch bevoegd om 15% te heffen op de winstuitdeling.

30. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij heel 2018 in Ierland woonachtig was. Hij had in het eerste half jaar van 2018 nog geen eigen woning in Ierland en hij heeft toen deels bij zijn ex-partner gewoond. Belanghebbende wijst in dat verband op een jaaropgaaf uit 2018 en bankafschriften van een Ierse bankrekening.


Rechtskader

31. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan dient het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Van het niet doen van de vereiste aangifte is onder meer sprake indien de betrokkene is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de betrokkene de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken, en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.


Beoordeling

32. De inspecteur heeft diverse uitdraaien van de systemen van de Belastingdienst overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 te doen. Belanghebbende heeft ook niet betwist dat belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om de aangifte IB/PVV te doen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit het geval is.

33. Belanghebbende heeft echter geen aangifte IB/PVV 2018 ingediend en daarom heeft hij de vereiste aangifte niet gedaan. Daarom moet belanghebbende overtuigend bewijzen dat de aanslag te hoog is vastgesteld (omkering en verzwaring van de bewijslast). De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet om de navorderingsaanslagen in redelijkheid, en dus niet naar willekeur, vast te stellen.

34. Gelet op de vermeldingen in de Brp mocht de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat belanghebbende, tot aan de uitschrijving per 25 juni 2018, in Nederland woonachtig was. De inspecteur is voor de hoogte van de aanslag uitgegaan van betalingen die zijn vermeld op de bankafschriften van de BV. Hij mocht zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat hierbij sprake was van een onttrekking. De inspecteur heeft de aanslag daarom in redelijkheid vastgesteld.

35. Belanghebbende heeft gesteld dat hij heel 2018 buiten Nederland woonachtig was. Omdat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, moet belanghebbende overtuigend aantonen dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat zijn woonplaats niet in Nederland is gelegen. Belanghebbende is daar echter niet in geslaagd. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is daarvoor onvoldoende. Op grond hiervan is niet overtuigend aangetoond dat belanghebbende vóór 25 juni 2018 niet meer in Nederland woonde. Belanghebbende heeft verder niet betwist dat sprake is van een onttrekking en hij heeft ook de hoogte van de navorderingsaanslag niet betwist.

36. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat navorderingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld.


Verzuimboete

37. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen verzuimboete kon worden opgelegd.

38. De rechtbank stelt vast dat de verzuimboete is opgelegd bij de primitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 en geen onderdeel uitmaakt van de navorderingsaanslag IB/PVV 2018. Belanghebbende heeft ook tegen de aanslag IB/PVV 2018 een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft het bezwaarschrift (ook) als een verzoek om ambtshalve vermindering aangemerkt en het verzoek afgewezen. Dit neemt niet weg dat de inspecteur op het bezwaarschrift dient te beslissen. De inspecteur heeft echter nog niet beslist op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 en dus ook nog niet beslist op het bezwaar (ontvangen door de inspecteur op 5 januari 2022) tegen de verzuimboete. Het beroep van belanghebbende kan niet worden opgevat als een beroep tegen het niet of niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift voor zover het gericht was tegen de bij de primitieve aanslag IB/PVV 2018. Voor zover het beroep is gericht tegen de verzuimboete, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat nog geen uitspraak op bezwaar is gedaan.


Belastingrente

39. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet inzichtelijk is hoe de belastingrente is berekend. Belanghebbende heeft geen vertraging veroorzaakt.

40. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belastingrente juist is berekend conform de wettelijke bepalingen.

41. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de belastingrente heeft berekend conform de wettelijke bepalingen en ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden de belastingrente te verminderen.


Redelijke termijn

42. Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

43. De rechtbank wijst het verzoek af omdat de redelijke termijn van twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 op de datum van deze uitspraak nog niet is verstreken.



Conclusie en gevolgen

44. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Voor zover het beroep betrekking heeft op de verzuimboete bij de aanslag IB/PVV 2018 is het niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt ook het griffierecht niet terug.



Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


verklaart het beroep tegen de verzuimboete IB/PVV 2018 niet-ontvankelijk;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. J. Kluft, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 27 februari 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.












griffier


voorzitter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Artikel 16, derde lid, van de AWR.


Hoge Raad 19 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4490, BNB 1991/176.


Hoge Raad 21 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2092.


Artikel 16, derde lid, van de AWR.


Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).


Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:359.


Vgl. Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249.


Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675, r.o. 2.2 en Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500, r.o. 5.4.
Link naar deze uitspraak