|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:1284 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 25/2411 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Participatiewet. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Baanbrekers terecht heeft geweigerd aan eiser een individuele inkomenstoeslag toe te kennen, omdat eisers inkomen te hoog is. | | Trefwoorden | : | aow | | | ioaz | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2411 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (Baanbrekers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om toekenning van een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van de Participatiewet. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep over de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Baanbrekers terecht heeft geweigerd aan eiser een individuele inkomenstoeslag toe te kennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 oktober 2024 een aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag ingediend. Met het besluit van 21 november 2024 heeft Baanbrekers eisers aanvraag afgewezen, omdat zijn inkomen te hoog is. Met de beslissing op bezwaar van 18 december 2024 heeft Baanbrekers het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Op 28 februari 2025 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend voor toekenning van een individuele inkomenstoeslag. Baanbrekers heeft deze aanvraag met het besluit van 18 maart 2025 wederom afgewezen, omdat zijn inkomen te hoog is. Met de beslissing op bezwaar van 12 mei 2025 (bestreden besluit) is Baanbrekers bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Baanbrekers heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiser heeft de rechtbank gevraagd om een schriftelijke behandeling van het beroep. De rechtbank is van oordeel dat het niet nodig is om in deze zaak een zitting te houden. Daarop is Baanbrekers gevraagd of een zitting achterwege kan worden gelaten. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, sluit de rechtbank met deze uitspraak het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of Baanbrekers terecht heeft geweigerd aan eiser een individuele inkomenstoeslag toe te kennen.
Feiten en omstandigheden
4. Eiser ontvangt sinds september 2009 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
4.1.
Op 28 februari 2025 heeft eiser een aanvraag om toekenning van een individuele inkomenstoeslag ingediend. Baanbrekers is een onderzoek gestart naar de vraag of eiser recht heeft op de individuele inkomenstoeslag. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 14 maart 2025. Deze rapportage heeft geleid tot het primaire besluit, dat met het bestreden besluit in stand is gelaten.
Het bestreden besluit
5. Baanbrekers heeft het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan alle voorwaarden om voor de individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Een van de voorwaarden is dat de aanvrager de afgelopen 60 maanden een inkomen heeft gehad dat gemiddeld per jaar lager is dan 105% van de op hem toepasselijke norm. Uit de rapportage blijkt dat eisers inkomen over 2024 meer bedroeg dan 105% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm voor een alleenstaande.
Standpunt eiser
6. Eiser voert in beroep aan dat hij recht heeft op de individuele inkomenstoeslag, omdat hij een Wajong-uitkering ontvangt met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Baanbrekers handelt uit eigen belang door het eigen beleid onjuist te interpreteren en heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen omdat zijn inkomen hoger is dan 105% van de bijstandsnorm. Daarnaast heeft Baanbrekers onvoldoende rekening gehouden met zijn bijzondere omstandigheden en heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden. Ook verzoekt eiser in het kader van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de beslissing op bezwaar van 18 december 2024.
Overwegingen rechtbank
7. Het college kan op een aanvraag van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet én geen uitzicht op inkomensverbetering heeft, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen. Daarbij geldt dat de persoon in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag geen individuele inkomenstoeslag mag hebben ontvangen. Elke gemeente moet een verordening vaststellen waarin in ieder geval is vastgelegd wat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag is en hoe invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen. In dit geval is dat de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ, BBZ 2023 (de Verordening).
De voor de uitspraak van toepassing zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
7.1.
Om in aanmerking te komen voor de individuele inkomenstoeslag moet dus aan een aantal voorwaarden worden voldaan. De persoon moet namelijk:
- tussen 21 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd zijn,
- langdurig een laag inkomen hebben,
- geen in aanmerking te nemen vermogen hebben als bedoeld in artikel 34 van de
Participatiewet,
- geen uitzicht op inkomensverbetering hebben, én
- in de periode van 12 maanden voor de aanvraag geen individuele inkomenstoeslag
hebben ontvangen.
Als aan alle voorwaarden is voldaan, dan heeft de persoon recht op de individuele inkomenstoeslag.
7.2.
Partijen zijn het erover eens dat eiser aan bijna alle voornoemde voorwaarden voldoet. Zij verschillen van mening over slechts één voorwaarde, namelijk over het langdurig een laag inkomen hebben. Eiser stelt dat hij hieraan voldoet omdat hij een Wajong-uitkering ontvangt. Baanbrekers stelt van niet en verwijst naar de Verordening.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat in de Verordening is bepaald wat onder een langdurig en laag inkomen wordt verstaan. Daar is sprake van als een persoon gedurende de referteperiode (60 maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum) aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 105% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Baanbrekers daarom terecht beoordeeld of eisers inkomen niet hoger was dan 105% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Baanbrekers heeft vastgesteld dat eisers inkomen in het jaar 2024 per maand € 1.350,- bedroeg en dat is meer dan 105% van de voor hem als alleenstaande geldende bijstandsnorm (€ 1.292,91). Eiser heeft dit niet betwist. Dit betekent dat eiser niet aan alle voorwaarden voldoet. Baanbrekers mocht daarom in beginsel eisers aanvraag om toekenning van een individuele inkomenstoeslag afwijzen.
Hardheidsclausule
7.4.
In de Verordening is een hardheidsclausule opgenomen. Daarin is bepaald dat het dagelijks bestuur in bijzondere gevallen kan afwijken van de bepalingen in de Verordening,
als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
7.5.
Voor zover eiser heeft bedoeld een beroep te doen op de hardheidsclausule, kan dit hem niet baten. Volgens eiser bestaan zijn bijzondere omstandigheden namelijk uit het volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, een Wajong-uitkering ontvangen en geen perspectief hebben op inkomensverbetering. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser genoemde omstandigheden onderdeel uitmaken van de beoordeling of eiser voldoet aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op een individuele inkomenstoeslag. Deze omstandigheden gelden ook voor andere mensen die een uitkering ontvangen. In deze zaak is niet gebleken van een bijzonder (individueel) geval, dat leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 38 van de Verordening, zodat er voor Baanbrekers geen aanleiding hoefde zijn om af te wijken.
Evenredigheidsbeginsel
7.6.
Eiser stelt vervolgens dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden, omdat Baanbrekers in strijd met hun eigen kernwaarden geen mensgerichte aanpak heeft gehanteerd en/of maatwerk heeft geboden.
7.7.
De rechtbank merkt dit standpunt van eiser aan als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het is aan Baanbrekers om de betrokken belangen af te wegen bij het besluit om eiser geen individuele inkomenstoeslag toe te kennen. De rechtbank toetst of (de uitkomst van) de belangenafweging die ten grondslag ligt aan dat besluit onevenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb).
In het verlengde van de tegen het besluit aangevoerde beroepsgronden zal worden beoordeeld of en zo ja op welke wijze de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het besluit bij de toetsing moeten worden betrokken. De intensiteit van die beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dat laatste geval heeft de rechter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Wat betreft de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.
Geschikt en noodzakelijk
7.8.
Uit de toelichting in hoofdstuk 5 van de Verordening, waarin de inkomensgrens is opgenomen, blijkt dat er bij de totstandkoming van de Verordening voor is gekozen om de 'werkende armen' tot de doelgroep van de individuele inkomenstoeslag te blijven rekenen, overeenkomstig de gehanteerde uitgangspunten voor de langdurigheidstoeslag. Op deze manier blijft de individuele inkomenstoeslag onderdeel van het integrale gemeentelijk beleid op het gebied van armoedebestrijding. Een belangrijke focusgroep binnen de armoedebestrijding is namelijk de groep van werkenden met een laag inkomen. Daarom is ervoor gekozen om de inkomensgrens die onder de langdurigheidstoeslag lag, namelijk 105% van de toepasselijke bijstandsnorm, te handhaven in de Verordening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Baanbrekers zich terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van een inkomensgrens een geschikt en noodzakelijk middel is om vast te stellen of een persoon onder de groep van ‘werkenden’ met een laag inkomen valt, waarvoor de individuele inkomenstoeslag bedoeld is.
Evenwichtig
7.9.
De rechtbank is van oordeel dat Baanbrekers de persoonlijke omstandigheden en de belangen van eiser in voldoende mate heeft betrokken bij de beoordeling. Baanbrekers is namelijk ingegaan op de Wajong-uitkering van eiser en dat niet onaannemelijk is dat hij daarmee langere tijd een lager inkomen heeft ontvangen. Zijn inkomen was echter hoger dan de in de voorwaarden genoemde inkomensgrens en dit betreft een omstandigheid die niet alleen voor eiser geldt, maar voor elke uitkeringsgerechtigde met een Wajong-uitkering. Van een onevenwichtige belangenafweging in het geval van eiser is dan geen sprake.
7.10.
Het voorgaande betekent dat Baanbrekers de individuele inkomenstoeslag terecht op grond van de Verordening heeft geweigerd, omdat eiser een te hoog inkomen had.
7.10.1.
Dat geldt zowel voor de aanvraag van 6 oktober 2024 en de bijbehorende beslissing op bezwaar van 18 december 2024 als de aanvraag van 28 februari 2025 en de bijbehorende beslissing op bezwaar van 12 mei 2025. De rechtbank zal daarom niet beoordelen of de beslissing op bezwaar van 18 december 2024 juridisch gezien betrokken kan worden in de beroepsprocedure tegen de beslissing op bezwaar van 12 mei 2025.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 27 februari 2026 en openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Participatiewet
Artikel 8
1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid en de periode van de verlaging van de bijstand, bedoeld in artikel 18, vijfde en zesde lid;
b. het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36;
c. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel b, in ieder geval betrekking op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.
Artikel 16, eerste lid
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 36
1. Op aanvraag van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, kan het college, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
2. Tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:
a. de krachten en bekwaamheden van de persoon; en
b. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.
3. Indien aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag, een individuele inkomenstoeslag is verleend, wordt de aanvraag afgewezen.
4. De artikelen 43, 49 en 52 zijn niet van toepassing.
Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ, BBZ 2023 (de Verordening)
Artikel 35: aanvullende begripsbepalingen (voor zover van belang)
a. Peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;
b. Referteperiode: periode van vijf jaar (60 maanden) voorafgaand aan de peildatum;
c. Individuele inkomenstoeslag: toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de PW;
d. Vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de PW.
Artikel 36, eerste lid: voorwaarden
Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de PW komt in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag de belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan de AOW- gerechtigde leeftijd, die gedurende de referteperiode aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 105% van de voor hem geldende norm, zoals opgenomen in artikel 1 van deze verordening, gemiddeld per jaar en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de PW.
Artikel 38: hardheidsclausule
Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 8:57 van de Awb maakt dat mogelijk.
Dit staat in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet.
Artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet.
Zie artikel 8 van de Participatiewet.
Zie artikel 35, onder a en b, en artikel 36, eerste lid, van de Verordening.
Zie artikel 38 van de Verordening.
Zie onder andere de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1558. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|