|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:774 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | 25/2188 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over een boete op grond van de Participatiewet. Niet in geschil is dat betrokkene, terwijl hij bijstand had, heeft gegokt. Deze activiteiten zijn niet bij het college gemeld. De rechtbank heeft beoordeeld of het college een juiste schatting heeft gemaakt van de inkomsten die betrokkene met het gokken heeft behaald en of het college daarmee heeft bewezen dat betrokkene zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen, zodat een boete moet worden opgelegd. De rechtbank komt tot het oordeel dat betrokkene niet aan de inlichtingenplicht heeft voldaan, er terecht een boete is opgelegd en er geen dringende redenen zijn om van de boete af te zien. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2188
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen
[naam] uit [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen, het college
(gemachtigde: M.S. Smith).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een boete op grond van de Participatiewet (PW) die het college aan eiser heeft gegeven. Die is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
Zij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht een boete heeft opgelegd. Hij krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het boetebesluit is van 18 februari 2025. Met het besluit van 13 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 mei 2025.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser krijgt een bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Uit onderzoek is het college gebleken dat hij in de periode van december 2023 tot en met maart 2024 inkomsten heeft genoten uit gokactiviteiten. Hij heeft dit niet aan het college gemeld en heeft volgens het college daarmee zijn inlichtingenplicht geschonden. Met een besluit van 18 april 2024 heeft het college het recht op uitkering van eiser over de periode van 1 december 2023 tot en met 31 maart 2024 herzien en een bedrag van € 1.579,09 teveel betaalde uitkering van hem teruggevorderd. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 januari 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.
3.1
Bij brief van 19 april 2024 heeft het college eiser zijn voornemen gestuurd om hem een boete op te leggen van (maximaal) € 1.463,95. Bij deze brief heeft het college een vragenlijst meegestuurd. Eiser heeft deze vragenlijst ingevuld. Op 11 februari 2025 heeft hij met de gemeente gesproken over het voornemen. Bij het besluit van 18 februari 2025 heeft het college eiser een boete opgelegd van € 731,98 (50% van het benadelingsbedrag; normale verwijtbaarheid). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarna heeft het college het besluit van 13 mei 2025 genomen en is deze beroepsprocedure begonnen.
Standpunten van partijen
4. Het college vindt dat het eiser een boete moet opleggen, omdat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Dat heeft eiser niet opzettelijk gedaan, maar het is hem wel te verwijten dat hij zijn gokinkomsten niet heeft doorgegeven. Hij heeft namelijk bij de start van zijn uitkering informatie gekregen over zijn rechten en plichten. Ook krijgt hij regelmatig folders waarin staat welke verplichtingen hij heeft. Omdat er geen sprake is geweest van opzet is de boete met de helft verminderd. De boete wordt verrekend met het vakantiegeld, waardoor eiser zijn maandelijkse bijstandsuitkering blijft ontvangen. Hierdoor lopen eisers betalingsregelingen door. Het college heeft ten slotte rekening gehouden met de beslagvrije voet.
4.1
Eiser voert aan dat hij geen gokinkomsten heeft gehad. Het college heeft geen enkel concreet bewijs dat hij die wel heeft gehad; toch wordt van hem bijstand teruggevorderd en wordt hem een boete opgelegd. Dat is onzorgvuldig en onjuist. Zonder aantoonbare inkomsten was er voor het college geen grond voor herziening of terugvordering van de bijstand en ook niet voor het opleggen van een boete. Eiser had geen inkomsten en was daarom niet verplicht om het gokken te melden. Hij vraagt de rechtbank om bij haar beoordeling ook mee te wegen dat hij door de inhouding op zijn vakantiegeld in ernstige financiële problemen verkeert. Ten slotte vraagt hij de rechtbank om de oorspronkelijke terugvordering en boete ongedaan te maken en het college te veroordelen tot terugbetaling van reeds ingehouden bedragen.
Wat moet de rechtbank beoordelen?
5. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het college eiser terecht een boete heeft opgelegd en, zo ja, of de hoogte van de boete dan juist is. Daarbij is het volgende van belang.
5.1
Eiser is het ook niet eens met de herziening en de terugvordering. Zie de laatste zin van 4.2. Tegen het besluit van 28 januari 2025 waarin daarover werd beslist, is hij echter niet in beroep gegaan. Daarom staat in rechte vast dat eiser over de periode van 1 december 2023 tot en met 31 maart 2024 teveel bijstand heeft ontvangen omdat hij niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. Ook staat in rechte vast dat het college over die periode terecht een bedrag van € 1.579,09 van hem heeft teruggevorderd. De rechtbank zal daarom alleen het boetebesluit beoordelen.
5.2
Dit betekent echter niet dat bij die beoordeling de schending van de inlichtingen-plicht dan een vaststaand gegeven is. Daarover moet de rechtbank, evenals over de feiten, als die zoals in dit geval worden betwist, een zelfstandig oordeel geven. Verder is de bewijslast bij een bestraffende sanctie als deze zwaarder dan bij de herziening of intrekking. Bij een boeteoplegging moet het college namelijk aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 18a van de PW, waaronder de schending van de inlichtingenverplichting. Dit betekent dat de rechtbank niet alleen de mate van verwijtbaarheid moet beoordelen, maar dat zij alle voorwaarden voor boeteoplegging moet beoordelen. Dit alles is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
5.3
Niet in geschil is verder dat eiser, terwijl hij bijstand had, heeft gegokt. Door deze activiteiten niet te melden bij het college, heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden. Ook dat is vaste rechtspraak van de CRvB. Ook bij verzwegen gokactiviteiten in een gokinstelling is het echter mogelijk om het recht op bijstand vast te stellen. De betrokkene kan aan de hand van pinopnames in zo’n instelling de omvang van zijn gokactiviteiten en de daarmee verkregen bedragen aannemelijk maken. Daarbij mag als uitgangspunt worden genomen dat de betrokkene alle bedragen die hij contant in de gokinstelling heeft opgenomen en de bedragen die hij daar heeft besteed aan gokproducten, zoals fiches, heeft ingelegd om te gokken. Deze bedragen zijn zichtbaar op de bankafschriften van de betrokkene. In zekere mate zal onzeker blijven of de betrokkene al die bedragen geheel heeft ingelegd om te gokken. Maar deze onzekerheid blijft voor rekening en risico van de betrokkene, omdat hij zijn gokactiviteiten niet onmiddellijk bij het college heeft gemeld. Ook dit heeft de CRvB bepaald.
5.4
Dit alles betekent dat de rechtbank moet beoordelen of het college door de bedragen te nemen die eiser heeft gepind, een juiste schatting heeft gemaakt van de inkomsten die hij met het gokken heeft behaald en of het college daarmee heeft bewezen dat eiser zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen, zodat hem een boete moet worden opgelegd.
5.5
In het rapport van 19 april 2024 dat het college voor de berekening van de terugvordering heeft gemaakt, staat dat eiser een totaalbedrag van € 1.541,00 aan gokinkomsten heeft gehad over de periode december 2023 tot en met maart 2024. Dat heeft de bruto terugvordering opgeleverd van € 1.579,09. Op de zitting heeft het college stukken overgelegd die de basis zijn geweest voor het rapport van 19 april 2024. Dat zijn kopieën van bankafschriften van eiser en een totaaloverzicht van opgenomen bedragen. Door te kijken naar de kenmerken op de bankafschriften die duiden op gokactiviteiten (bijvoorbeeld “NSC” = “Nationale Stichting Casinospelen”) en naar kort op elkaar volgende pinopnames die kunnen worden gekoppeld aan casino’s, heeft het college de pinopnames die eiser heeft gebruikt voor het gokken bij elkaar opgeteld. Het gaat om bedragen die variëren van € 6,00 tot € 50,00 en die vaak op dezelfde dag zijn opgenomen of uitgegeven. Daarbij valt op dat het totaalbedrag op het totaaloverzicht uitkomt op een hoger bedrag, namelijk € 1.921,00, dan het totaalbedrag dat het college heeft aangemerkt als gokinkomsten. Dat kan zijn omdat niet alle opnames hebben meegeteld in de uiteindelijke optelling. Door uit te gaan van een bedrag van € 1.541,00 aan gokinkomsten heeft het college eiser al met al niet te kort gedaan. Het college heeft aan zijn bewijslast voldaan. Als nog enige twijfel over de hoogte van de inkomsten zou bestaan, komt dat voor eisers eigen rekening en risico. Hij heeft geen gegevens overgelegd op grond waarvan de rechtbank daarover anders kan denken. Door deze inkomsten uit gokken niet aan het college op te geven, heeft eiser niet aan zijn inlichtingenplicht voldaan.
5.6
Er zijn ten slotte ook geen dringende redenen om van de boete af te zien. Het college heeft op de zitting gezegd dat het geen rekening heeft gehouden met de volle periode dat eiser tijdens het hebben van bijstand heeft gegokt, maar alleen met de maanden december 2023 tot en met maart 2024. Ook is niet gebleken dat eiser door de boete in financiële problemen is gekomen; het college heeft de terugvordering en de boete met de bijstand inmiddels verrekend; op zitting heeft het college gezegd dat eiser nu zijn volledige bijstand weer krijgt, inclusief de vakantietoeslag. Eiser heeft geen gegevens overgelegd die een ander beeld schetsen. Dit alles betekent dat de boete terecht is en de hoogte daarvan juist is. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Eiser krijgt geen gelijk. Hij krijgt ook het griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de CRvB van 30 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:807.
Zie de uitspraak van de CRvB van 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:482.
Zie de uitspraak van de CRvB van 4 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2023:499. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|