|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:1318 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/443301 / JE RK 25-22 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling. Er is geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar, geen regievoering en geen zicht op de minderjarige. Bovendien wordt de hulp toegelaten. Verlenging is daarom niet nodig en heeft geen meerwaarde. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443301 / JE RK 25-2278
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] (Irak),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer uit Tilburg.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
de in deze zaak gegeven nadere beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
het op 28 januari 2026 ontvangen bericht van de GI.
1.2.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
mr. Boelhouwer, namens de moeder;
een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
De moeder is niet in persoon bij de zitting aanwezig geweest.
1.4.
[minderjarige] heeft, met het oog op haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Zij is daarom per brief uitgenodigd om haar mening te geven tijdens een gesprek met de kinderrechter op 26 januari 2026. [minderjarige] is niet verschenen.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 december 2024 is die maatregel verlengd tot 6 januari 2026.
2.4.
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 2 januari 2026 van de kinderrechter van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (ambtshalve) verlengd tot 20 januari 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting op 13 januari 2026.
2.5.
Tijdens de zitting op 13 januari 2026 is echter niemand verschenen. Gelet op de aflooptermijn van de maatregel en om de moeder als belanghebbende in deze zaak in de gelegenheid te stellen om (via de advocaat) haar mening over het verzoek te geven, is bij de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 13 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (ambtshalve) verlengd tot 5 februari 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting op 30 januari 2026.
3Het resterende deel van het verzoek van de GI en de onderbouwing daarvan
3.1.
Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 februari 2026 tot 6 januari 2027, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De GI stelt dat de moeder en [minderjarige] in de kerstvakantie naar Iran zijn gegaan voor vakantie, maar dat zij vanwege de huidige onrust in dat land niet naar Nederland kunnen terugkeren. De GI stelt dat er in het afgelopen jaar en tot op heden geen vaste jeugdbeschermer betrokken is die de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitvoert en dat hier ook geen zicht op is. In de afgelopen periode is er vanuit de GI dan ook geen regie gevoerd. De GI heeft ook geen direct contact met [minderjarige] (gehad) en er is geen actueel plan van aanpak opgesteld. De GI heeft dan ook geen goed zicht op hoe het momenteel met [minderjarige] gaat. De GI heeft wel vanuit school en de betrokken hulpverlening ( [persoon] vanuit [hulpverlening] ) vernomen dat de zorgen over de (opvoed)situatie van [minderjarige] bij de moeder met betrekking tot het regelen van praktische zaken en de schoolgang van [minderjarige] , die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , nog steeds aanwezig zijn. De GI weet niet in hoeverre de hulpverlening vanuit [persoon] daadwerkelijk door de moeder wordt geaccepteerd. Vanuit de veronderstelling dat de zorgen die hebben geleid tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn en het vermoeden dat de moeder in het vrijwillig kader de noodzakelijk geachte hulp zal weigeren, heeft de GI een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend. Maar nu er tot op heden geen vaste jeugdbeschermer betrokken is die de maatregel uitvoert en hier ook geen zicht op is, deelt de GI het standpunt van de advocaat dat te betwijfelen valt wat de meerwaarde van een verlenging van de maatregel zal zijn.
4Het standpunt van de moeder
4.1.
De advocaat heeft namens de moeder, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De advocaat stelt dat de moeder en [minderjarige] de intentie hebben om terug te keren naar Nederland, maar dat hen dit vanwege de huidige gespannen situatie in Iran tot nu toe niet is gelukt. De advocaat is al langer bij de moeder en [minderjarige] betrokken en zij ziet dat de zorgen over de (opvoed)situatie van [minderjarige] in het afgelopen jaar onveranderd zijn. De moeder heeft hulp nodig om de zorgen die er zijn, weg te nemen. Maar deze hulp vanuit [persoon] wordt door de moeder geaccepteerd. De advocaat stelt dat zij telefonisch contact heeft gehad met de betrokken hulpverlener vanuit [persoon] en dat deze heeft bevestigd dat de moeder de hulpverlening binnenlaat en dat zij de geboden hulp toelaat. De advocaat heeft niet de indruk dat de moeder dit doet omdat er sprake is van een ondertoezichtstelling. Hoewel de moeder de stempel die zij voor haar gevoel heeft gekregen vanwege de ondertoezichtstelling vervelend vindt, merkt zij er feitelijk weinig van. De advocaat vraagt zich dan ook af wat de meerwaarde is (geweest) van de ondertoezichtstelling. Volgens de advocaat reageerde de betrokken hulpverlener vanuit [persoon] zelfs verbaasd toen deze vernam dat de GI een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling heeft ingediend. De advocaat pleit daarom, namens de moeder, tot afwijzing van het verzoek.
5De nadere beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. De GI heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen, omdat de GI ervan uitgaat dat de zorgen die hebben geleid tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. Deze zorgen richten zich met name op het regelen van praktische zaken door de moeder en op het stimuleren door de moeder van [minderjarige] bij onder andere haar schoolgang. Doordat de GI geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar heeft om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uit te voeren, heeft de GI echter geen actueel zicht op deze zorgen en op hoe het met [minderjarige] gaat. Daarnaast verblijven de moeder en [minderjarige] momenteel in Iran. Vanwege de huidige (politieke) spanningen en onrust in dat land, is het onduidelijk wanneer zij naar Nederland kunnen en zullen terugkeren. Hoewel door de advocaat niet wordt betwist dat er nog steeds zorgen zijn over (de opvoedsituatie van) [minderjarige] , kan de kinderrechter deze zorgen op basis van de haar beschikbare informatie in deze zaak niet concreet vaststellen. De kinderrechter is het bovendien eens met de GI en de advocaat dat te betwijfelen valt wat de meerwaarde zal zijn van een verlenging van die maatregel. In het afgelopen jaar is immers geen uitvoering gegeven aan de maatregel, is er vanuit de GI geen regie gevoerd en kan de GI niet aangeven op welke termijn zij wel een vaste jeugdbeschermer beschikbaar zal hebben om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uit te voeren. Daarbij komt dat de moeder de betrokkenheid en de hulp vanuit [persoon] (via [hulpverlening] ) kennelijk wel toelaat en dat de moeder dit niet lijkt te doen omdat er sprake is van een gedwongen kader. De hulpverlening vanuit [persoon] is zelfs verbaasd dat de GI heeft ingezet op een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel, voor zover er nog steeds zorgen zijn waardoor [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, hetgeen de kinderrechter dus niet concreet kan vaststellen, dat de hulp die nodig is om die zorgen weg te nemen door de moeder wordt geaccepteerd en dat het gedwongen kader nu en in de nabije toekomst geen meerwaarde heeft. De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] afwijzen.
5.5.
Nu er nog wel steeds zorgen worden gezien over (de opvoedsituatie van) [minderjarige] , benadrukt de kinderrechter dat het belangrijk is dat de moeder de hulpverlening vanuit [persoon] op vrijwillige basis blijft accepteren. Als de zorgen over (de opvoedsituatie van) [minderjarige] onverhoopt zullen toenemen, gaat de kinderrechter ervan uit dat de betrokken hulpverlening aan de bel zal trekken en dat zij, in het belang van [minderjarige] , daarnaar zal handelen.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Wallerbos als griffier, en schriftelijk vastgesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|