Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:5132 
 
Datum uitspraak:10-03-2026
Datum gepubliceerd:12-03-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.42888
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Asiel Colombia; problemen met ex-man; vluchtelingschap; reëel risico op ernstige schade en mogelijkheid tot bescherming in Colombia; traumabeleid; ongegrond.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.42888

uitspraak van de enkelvoudige kamer 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
mede namens haar minderjarige kind


[naam kind],

(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),

en

de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. O. Sari).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de vrees van eiseres voor problemen met haar ex-man terecht onvoldoende zwaarwegend heeft geacht, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Colombia gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister kon eiseres bovendien ook een binnenlands vestigingsalternatief tegenwerpen. Verder komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfvergunning op grond van traumabeleid. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiseres heeft op 22 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


Achtergrond van deze zaak

3. Eiseres heeft de Colombiaanse nationaliteit, is geboren op [geboortedag] 1993 en woonde tot haar vertrek uit Colombia met haar ouders en haar zus in Yumbo. Zij is verpleegkundige en werkte in een kliniek in Cali. Eiseres was sinds 18 juni 2017 gehuwd en woonde met haar ex-man samen, maar zij zijn sinds oktober 2021 uit elkaar. Uit het huwelijk is een dochter geboren over wie zij het volledige gezag heeft. Op 2 november 2023 is eiseres vanwege problemen met haar ex-man Nederland ingereisd.


Het asielrelaas

4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij sinds april 2021 door haar ex-man langdurig is mishandeld en bedreigd. Volgens haar begonnen de psychische en fysieke mishandelingen met achtervolgingen, doodsbedreigingen en aanvallen zowel thuis als in het openbaar. Haar ex-man verscheen regelmatig bij haar werkplek en bij haar ouders, schreeuwde tegen haar op straat en bedreigde ook personen in haar omgeving. Op 19 oktober 2021 deed zij aangifte van mishandeling, waarna het openbaar ministerie het dossier overhandigde aan het Bureau Familiezaken. Haar ex-partner verscheen echter niet bij de behandeling van zijn zaak. Op 7 december 2021 werd zij opnieuw mishandeld tijdens een bezoek aan een vriendin. Hoewel de politie werd gebeld, kwam deze niet ter plaatse. Later werd een gebiedsverbod opgelegd, maar dit werd door haar ex-man niet nageleefd. Eiseres verklaart dat haar ex-man drugs gebruikt, waaronder cocaïne, marihuana en basuco (crack), en dat hij lid is van de supportersvereniging [naam vereniging], die volgens haar als criminele organisatie landelijk actief is. Zij vreest dat hij via deze groep invloed heeft en dat zij bij terugkeer in gevaar loopt voor haar ex-man.


Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:



identiteit, nationaliteit en herkomst;


problemen met ex-man.




5.1.
De minister heeft het asielmotief ‘identiteit, nationaliteit en herkomst’ geloofwaardig geacht. De minister heeft de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief ‘problemen met ex-man’ in het midden gelaten. Uit de verklaringen van eiseres blijkt niet dat eiseres in aanmerking komt voor vluchtelingschap of dat bij terugkeer naar Colombia sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De minister neemt een binnenlands vestigingsalternatief aan en eiseres komt ook niet aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van traumatabeleid. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen.


Heeft de minister de vrees voor problemen met de ex-man terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?



Vluchtelingschap

6. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de problemen met haar ex-man niet leiden tot gegronde vrees voor vervolging. Hiertoe voert zij aan dat de minister haar verklaringen als uitgangspunt dient te nemen, omdat hij de geloofwaardigheid van dit asielmotief in het midden heeft gelaten. Eiseres voert aan dat zij behoort tot een sociale groep vanwege huiselijk geweld, gendergerelateerd geweld en seksueel geweld en verwijst daartoe naar het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024 (ambtsbericht). Daaruit blijkt dat dit geweld wijdverbreid is. De minister heeft ten onrechte gesteld dat vrouwen in Colombia geen afwijkende groep vormen. De daadwerkelijke ernst van de mishandelingen, stalking en doodsbedreigingen door haar ex-man vormt een ernstige schending van fundamentele rechten. De ex-man handelt uit gendergerelateerde motieven, omdat de mishandeling is gericht op haar als vrouw en niet plaats zou vinden wanneer zij een man was.



6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet dat, zelfs indien de problemen met de ex-partner geloofwaardig worden geacht, deze problemen niet te herleiden zijn tot één van de vervolgingsgronden, te weten ras, godsdienst, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de door eiseres gestelde problemen met haar ex-man zien op huiselijk geweld en niet op vervolging wegens een beschermde grond in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiseres heeft immers geen concrete feiten en of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat haar ex-man het geweld pleegde omdat zij vrouw is of omdat zij tot een als afwijkend beschouwde groep behoort. Haar verklaringen zien op problemen binnen de relatie met haar ex-man en op huiselijk geweld in het kader van die relatie. De aangifte die zij heeft gedaan ziet eveneens op huiselijk geweld en bevat geen aanwijzingen voor een gendergerelateerd vervolgingsmotief. Voor zover eiseres aanvoert dat zij als vrouw in Colombia tot een sociale groep behoort, heeft de minister terecht betrokken dat vrouwen niet zonder meer als sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt. Evenmin is uit het landenbeleid of uit het door eiseres aangehaalde ambtsbericht gebleken dat vrouwen in Colombia als zodanig als een afwijkende of vervolgde groep worden beschouwd. Dat huiselijk en seksueel geweld in Colombia voorkomt, maakt op zichzelf niet dat eiseres om die reden tot een sociale groep behoort of dat het geweld dat zij stelt te hebben ondergaan moet worden aangemerkt als vervolging wegens een beschermde grond. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Reëel risico op ernstige schade en mogelijkheid tot bescherming in Colombia

7. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat zij geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hiertoe voert zij aan dat zij eerder is blootgesteld aan mishandeling en stalking en dat dit een sterke aanwijzing is dat dit zich opnieuw zal voordoen. Eisers verwijst daarnaast naar pagina 86 van het ambtsbericht waarin wordt gesteld dat bescherming in Colombia in de praktijk niet functioneert. Er is sprake van zeer hoge straffeloosheid (96% onbestraft geweld tegen vrouwen)structurele problemen in rechtshandhaving en opvang, onvoldoende opvangcapaciteit, ontoegankelijkheid buiten grote steden en de onmacht van NGO’s om daadwerkelijke bescherming bieden. De minister handelt in strijd met zijn eigen beleid waarin staat dat vrouwen die aannemelijk maken dat zij vrezen voor gendergerelateerd/huiselijk geweld niet kunnen terugvallen op bescherming van de autoriteiten. Eiseres vreest te worden vermoord door haar ex-man en stelt dat dit volgt uit haar verklaringen. Het ontbreken van contact sinds haar verblijf in Nederland zegt niets, omdat haar ex-man niet weet dat zij in Nederland verblijft. Zodra zij terugkeert kan hij haar opnieuw opsporen.



7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen reëel risico op ernstige schade aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat, ook indien wordt uitgegaan van de door eiseres gestelde problemen met haar ex-man, niet is gebleken dat zij bij terugkeer opnieuw aan een zodanig risico wordt blootgesteld. De minister heeft in dit verband terecht overwogen dat eiseres haar stelling dat de supportersvereniging [naam vereniging] haar landelijk zou kunnen opsporen of bedreigen, niet met concrete feiten of objectieve bronnen heeft onderbouwd. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat deze groepering een gewelddadige of landelijk opererende organisatie is die in staat of bereid is haar te achtervolgen. Dat haar ex-man lid is van deze supportersvereniging, betekent zonder nadere onderbouwing niet dat hij over een landelijk netwerk of zodanige invloed beschikt dat eiseres zich nergens in Colombia aan hem zou kunnen onttrekken. Voorts heeft de minister terecht betrokken dat eiseres in het verleden aangifte heeft kunnen doen en dat beschermingsmaatregelen zijn opgelegd. Dat deze maatregelen volgens eiseres niet effectief zijn gebleken, is onvoldoende om te concluderen dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen geen bescherming kunnen of willen bieden. Uit de door eiseres aangehaalde algemene informatie over straffeloosheid en structurele problemen volgt niet zonder meer dat in haar individuele geval bescherming bij voorbaat zinloos is. De minister heeft daarnaast terecht gewezen op de aanwezigheid van NGO’s die ondersteuning bieden aan slachtoffers van huiselijk geweld. Eiseres heeft niet concreet onderbouwd dat deze vormen van bescherming voor haar persoonlijk ontoegankelijk of bij voorbaat ineffectief zouden zijn. Dat huiselijk geweld in Colombia voorkomt en dat vrouwen kwetsbaar kunnen zijn, betekent op zichzelf nog niet dat iedere vrouw bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Evenmin is gebleken dat eiseres in het verleden slachtoffer is geweest van vervolging of ernstige schade in de zin van de Kwalificatierichtlijn. Dat de minister de geloofwaardigheid van haar relaas in het midden heeft gelaten, maakt niet dat daarmee reeds is vastgesteld dat sprake was van vervolging of ernstige schade. Daarmee is slechts uitgegaan van huiselijk geweld als feitelijke gebeurtenis. Ten aanzien van artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn overweegt de rechtbank dat deze bepaling inhoudt dat eerdere vervolging of ernstige schade een ernstige aanwijzing vormt voor een toekomstig risico, tenzij goede redenen bestaan om aan te nemen dat die vervolging of schade zich niet opnieuw zal voordoen. Nu in dit geval niet is komen vast te staan dat eiseres eerder is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade in de zin van de richtlijn, heeft de minister deze bepaling niet onjuist toegepast. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Heeft de minister een binnenlands beschermingsalternatief mogen tegenwerpen?

8. Eiseres betoogt dat de minister het beschermingsalternatief ten onrechte heeft toegepast. Volgens haar kan haar ex-man haar overal in Colombia opsporen, al dan niet met behulp van zijn supportersvereniging. Door de wijdverbreide corruptie kan hij haar verblijfsplaats achterhalen. Eiseres voert, verwijzend naar het ambtsbericht, aan dat opvangvoorzieningen voor vrouwen beperkt, tijdelijk en slecht toegankelijk zijn en dat NGO’s geen daadwerkelijke bescherming bieden. Daarnaast voert eiseres aan dat niet van haar kan worden verwacht dat zij zich elders vestigt, omdat zij psychische klachten heeft als gevolg van het geweld, alleenstaande moeder is, geen sociaal netwerk buiten haar familie heeft en financieel afhankelijk is. Zonder netwerk zou zij volgens haar geen bestaan kunnen opbouwen.



8.1.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2024 volgt dat de minister een binnenlands beschermingsalternatief, in de zin van een vlucht- of vestigingsalternatief, mag tegenwerpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet de minister redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt.



8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er voor eiseres in Colombia een binnenlands vestigingsalternatief aanwezig is. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat haar ex-partner haar landelijk kan opsporen of bedreigen. De stelling dat hij daarbij gebruik zou maken van de supportersvereniging is niet met concrete feiten of objectieve bronnen onderbouwd. Evenmin is aannemelijk geworden dat deze groepering een gewapende of landelijk opererende organisatie is met opsporingscapaciteit. De verwijzing naar algemene corruptie in Colombia is onvoldoende om te concluderen dat haar ex-partner daadwerkelijk over de middelen of invloed beschikt om haar in het hele land te achterhalen. De minister heeft daarom mogen uitgaan van de mogelijkheid dat eiseres zich in andere delen van Colombia aan hem kan onttrekken. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat opvangvoorzieningen en NGO’s ontoereikend zijn, heeft de minister mogen overwegen dat, voor zover de overheid al onvoldoende bescherming zou bieden, uit uit de algemene landeninformatie volgt dat er geleund kan worden op NGO’s en dat zij zich, bij tekort aan bescherming van de overheid, zou kunnen vestigen in een gebied waar bescherming van een NGO mogelijk is. Daar komt bij dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat van eiseres redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij zich elders in Colombia vestigt. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres een opleiding heeft afgerond en werkervaring heeft als verpleegkundige, zodat zij in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Ook heeft de minister mogen meewegen dat eiseres sinds haar aankomst in Nederland zonder familie heeft verbleven, wat wijst op een zekere mate van zelfstandigheid. De enkele stelling dat zij als alleenstaande moeder geen netwerk heeft, is onvoldoende om te concluderen dat zij zich niet in een ander stedelijk gebied zou kunnen handhaven. Eiseres heeft haar gestelde psychische klachten bovendien niet met medische stukken onderbouwd, terwijl zij in het nader gehoor heeft aangegeven dat het over het algemeen goed gaat met haar en dat zij niet onder behandeling staat. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Komt eiseres in aanmerking voor een verblijfvergunning op grond van traumabeleid?

9. Eiseres heeft ter zitting voor het eerst aangevoerd dat zij aanspraak maakt op het traumatabeleid als zelfstandige grondslag voor vergunningverlening en dat de minister daar ten onrechte niet afzonderlijk op is ingegaan. Zij heeft ter zitting toegelicht dat het geweld door haar ex-man moet worden aangemerkt als traumatische gebeurtenissen in de zin van het beleid, en dat het beleid ook van toepassing kan zijn bij geweld door een individu indien de overheid daartegen geen bescherming biedt.



9.1.
Op grond van hoofdstuk C2/3.3.2.2 van de Vc 2000 wordt een vreemdeling die in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De handelingen moeten zijn verricht van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden.



9.2.
De kern van het traumatabeleid is dat een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als hij vanwege traumatische gebeurtenissen in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst. De achtergrond van dit beleid is dat van de vreemdeling niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst als dit ertoe kan leiden dat hij geconfronteerd kan worden met de ongestraft gebleven daders. Om een beroep te kunnen doen op dit beleid moet de vreemdeling zelf in zijn verklaringen aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis én dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor het vertrek. De bewijslast hiervoor berust dus bij de vreemdeling. Dit is anders als de vreemdeling binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten, in dat geval wordt het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en de reden van vertrek aangenomen. Als de vreemdeling echter buiten zijn schuld niet in staat is geweest om het land van herkomst binnen de termijn van zes maanden te verlaten, moet hij aannemelijk maken dat er een verband is tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst.



9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich ter zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. Het door eiseres gestelde huiselijk geweld is gepleegd door haar ex-partner in de privésfeer en niet door de overheid, een politieke groepering of een groepering waartegen de overheid geen bescherming kan bieden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de traumatische gebeurtenissen de reden voor haar vertrek uit Colombia vormen of dat zij buiten haar schuld niet eerder had kunnen vertrekken. Ook heeft zij haar psychische klachten niet met medische stukken onderbouwd. Ten slotte heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het traumatabeleid in dit geval niet in de weg staat aan het tegenwerpen van een binnenlands vestigingsalternatief. Zoals onder 8.2 is overwogen, kan eiseres zich elders in Colombia vestigen en is niet aannemelijk geworden dat zij daar opnieuw met de dader zal worden geconfronteerd in een situatie waarin bescherming ontbreekt. Deze beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


ECLI:NL:RVS:2024:3805.


Zie artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), en paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Link naar deze uitspraak