Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2025:2923 
 
Datum uitspraak:19-11-2025
Datum gepubliceerd:16-03-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-24/857
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:BPM: artikel 110 VWEU: naheffingsaanslag bpm: bewijslastverdeling; uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen; Unierechtelijk verdedigingsbeginsel; schadeaftrek; CO2-uitstoot; wezenlijke verschillen tussen de door belanghebbende ingevoerde auto en het referentievoertuig; schadeverleden; geen ex-rental; DRZ; rentevergoeding over teruggaaf; voortijdige heffing van griffierecht; vergoeding van (im)materiële schade
Trefwoorden:belastingrecht
bpm
naheffingsaanslag
taxatie
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-24/857


Uitspraak van 19 november 2025

in het geding tussen:


[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 augustus 2024, nummer SGR 23/589.




Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (de naheffingsaanslag).



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;


veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;


draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser;


bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.”





1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 16 juli 2025. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 26 augustus en 10 september 2025.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 september 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft ter zake van de inschrijving in het kentekenregister voor de hierna vermelde auto afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie op aangifte bpm voldaan. Belanghebbende heeft de auto met schade in Duitsland gekocht voor € 25.000.



2.2.
De auto is een Porsche Macan 3.0 S met kenteken [kenteken 1] en een geregistreerde CO2 -uitstoot van 204 gr/km. Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruikgemaakt van een taxatierapport van [A] (het taxatierapport). De handelsinkoopwaarde is aan de hand van het taxatierapport en met inachtneming van een waardevermindering wegens schade van € 26.564,22 (100%), bepaald op € 27.703,78.



2.3.
De Inspecteur heeft de aangifte geselecteerd voor controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de historische nieuwprijs, de netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) van de auto op grond van de koerslijst XRAY (marge) vastgesteld op respectievelijk € 118.501, € 71.529 en € 62.123. DRZ heeft een waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen van € 7.875, zijnde 72% van de door DRZ gecalculeerde schade van € 10.938. DRZ is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 204 g/km. De handelswaarde in beschadigde staat heeft DRZ aldus bepaald op € 54.248.



2.4.
De Inspecteur heeft, uitgaande van de bevindingen van DRZ, een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 6.678. Belastingrente is niet in rekening gebracht.





Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Prejudiciële vragen
5. De rechtbank overweegt vooraf dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.




Hoorplicht

6. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is eiser tenminste vier maal uitgenodigd voor een hoorgesprek, eerst voor 29 maart 2022, vervolgens voor 31 maart 2022, daarna voor 7 april 2022 en daarna voor 21 april 2022. De brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek op 21 april 2022 via WebEx. Er is geen afmelding van de gemachtigde van eiser ontvangen en hij heeft ook niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake.


Deskundigheid hertaxateur DRZ

7. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder
vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.


Waardevermindering wegens schade

8. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Eiser dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De daarin genoemde schade is echter niet, althans niet in die mate, aangetroffen door DRZ. Nu eiser de schadetaxatie van DRZ onvoldoende onderbouwd heeft weersproken, is eiser niet geslaagd in het van hem te vergen bewijs. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ingevolge artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen het motorrijtuig gedurende zes dagen na de indiening van de aangifte in ongewijzigde staat beschikbaar moet worden gehouden teneinde het motorvoertuig te tonen. Indien eiser al eerder was begonnen met schadeherstel, kan dat verweerder niet worden tegengeworpen.


72% van de schade

9. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat niet 72%, maar 100% van de reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende.


Leemte in de wetgeving

10. Eiser heeft gewezen op een door hem geconstateerde leemte in de regelgeving. Door deze leemte kan een belastingplichtige na de opname door de taxateur maar vóór het doen van aangifte, werkzaamheden aan een voertuig (laten) verrichten. De verplichting om een voertuig in ongewijzigde staat beschikbaar te houden geldt volgens eiser immers pas vanaf de aangifte. De rechtbank overweegt dat de taxatierapport van eiser kennelijk niet de toestand van de auto op het moment van het doen van aangifte beschrijven. Alleen als dat het geval is, mag bij de aangifte worden uitgegaan van een taxatierapport. Dat het taxatierapport niet ouder mag zijn dan één maand betekent niet dat op basis daarvan aangifte mag worden gedaan, ook als de auto na taxatie en voor het doen van aangifte is hersteld.


Unierechtelijk verdedigingsbeginsel

11. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiser bij brief van 13 oktober 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten, van welke gelegenheid eiser geen gebruik heeft gemaakt. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.


Betalings-en heffingsmodaliteiten

12. Eiser stelt dat de Bpm op de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt. De rechtbank verwijst daartoe naar rechtsoverweging 5.1 van ECLI:NL:GHDHA:2023:1592 (en de geciteerde rechtsoverweging 7 van de uitspraak van de rechtbank) en het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022.


Extra leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief

13. Eiser heeft slechts in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden bestaat voor toepassing van extra leeftijdskorting. Hij heeft echter, tegenover de weerspreking door verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er extra leeftijdskorting moet worden toegepast. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt.


CO2 uitstoot

14. Eiser wijst er op dat als gevolg van de overgang van de NEDC meetmethode naar de WLTP meetmethode is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot van auto’s. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in de aangifte is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangifte is vermeld.
Eisers verwijzing naar de omstandigheid dat voor de auto door de RDW twee CO2-uitstoten zijn geregistreerd, te weten 257 gr/km (WLTP) en 204 gr/km (NEDC) kan hem evenmin baten, omdat verweerder reeds is uitgegaan van de NEDC-waarde (de laagste en meest voordelige van de twee).


Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht

15. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt[1]. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[2 [ Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.[3] Eiser heeft het voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.


Wettelijke rente en griffierecht

16. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt uitbetaald.


Conclusie

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.


Immateriële schadevergoeding

18. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 14 december 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 23 december 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 21 augustus 2024 gedaan. Dat is dus twee jaar en acht maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met acht maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 22 december 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 6/8 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 2/8 aan de beroepsfase.

19. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Uit de overgelegde machtigingen volgt niet dat de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof Den Haag op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. Daarvan dient € 750 door verweerder te worden vergoed en € 250 door de Staat.


Proceskosten

20. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023.[4] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).

(…)

[1] vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.
[2] ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
[3] ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6.
[4] ECLI:NL:HR:2023:1526.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of de hoorplicht is geschonden, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de immateriële schadevergoeding onjuist is vastgesteld.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.





Beoordeling van het hoger beroep


5.1.
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die partijen toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot het oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel standpunten ingenomen die niet al in bezwaar of eerste aanleg zijn aangevoerd dan wel gesteld, noch nieuwe standpunten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in bezwaar, eerste aanleg en hoger beroep ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Het Hof voegt hieraan het volgende toe.


CO2-uitstoot




5.2.
Voor wat betreft het door belanghebbende in zijn nadere stuk in hoger beroep aangevoerde voertuig met kenteken [kenteken 2] met een geregistreerde CO2 -uitstoot van 196 g/km overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende stelt dat dit een gelijksoortig voertuig is. De Inspecteur betwist dit standpunt. Het Hof stelt vast dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen de door belanghebbende ingevoerde auto en het voertuig met kenteken [kenteken 2] . Zo heeft de auto van belanghebbende een panoramadak, en is de auto van belanghebbende een half jaar ouder en € 10.000 minder duur dan het als gelijksoortig gepresenteerde voertuig. Voorts heeft belanghebbende, die de stelplicht heeft waar het de onderbouwing van zijn stelling dat het een gelijksoortig voertuig betreft, onvoldoende gesteld over de vergelijkbaarheid, zoals bijvoorbeeld een gelijke EG-typegoedkeuring. Uit openbaar toegankelijke informatie van de RDW blijkt dat de voertuigen in ieder geval al verschillen in Milieuklasse EG Goedkeuring, EG-typegoedkeuring en uitvoering. Ook heeft belanghebbende niets gesteld over eventuele slijtage aan het andere voertuig. Aldus zijn naar het oordeel van het Hof de auto van belanghebbende en het voertuig met kenteken

[kenteken 2] niet gelijksoortig voor de heffing van bpm.


Schadeverleden




5.3.
Belanghebbende stelt dat bij een voertuig uit het segment van de auto rekening moet worden gehouden met ex-schade en dat de handelsinkoopwaarde van de auto dus op een lager bedrag moet worden vastgesteld. Hij heeft echter tegenover de weerspreking hiervan door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de registratie van de auto een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en dus al helemaal niet aannemelijk gemaakt wat de waarde verminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2).


Ex-rental




5.4.
Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331).


Slotsom




5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.


De griffier, de voorzitter,








L. van den Bogerd H.A.J. Kroon


De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak