Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:801 
 
Datum uitspraak:06-03-2026
Datum gepubliceerd:16-03-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 24/3333
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Verweerder heeft na een herbeoordeling kinderopvangtoeslag terecht beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor een compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2005, 2006, 2008, 2010 en 2011. Reguliere wijzigingen in de hoogte van het recht op kinderopvangtoeslag duiden niet op vooringenomenheid van verweerder of hardheid van het stelsel. Er bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag vanaf de datum van stopzetting. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een ernstige onevenwichtigheid. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/3333

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B. van Dijk),

en

Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamdach).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder na een herbeoordeling kinderopvangtoeslag terecht heeft beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor een compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2005, 2006, 2008, 2010 en 2011. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder terecht geen compensatie heeft toegekend.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht geen compensatie aan eiser heeft toegekend. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire heeft eiser zich bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) gemeld met het verzoek om beoordeling van de toeslagjaren 2005 tot en met 2011.


2.1.
Bij besluiten van 25 mei 2022 is aan eiser compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2007 op grond van vooringenomen handelen. Bij beschikking van 27 juni 2022 is er een tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld (O/GS) toegekend voor de jaren 2009, 2010 en 2011, waarbij het bedrag is bepaald op € 3.783,-. Omdat er al een betaling heeft plaatsgevonden van € 30.000,- vindt er geen nabetaling plaats.



2.2.
Tegen de beschikkingen van 25 mei en 27 juni heeft eiser bezwaar gemaakt met als doel om voor alle beoordeelde jaren compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid toegekend te krijgen.



2.3.
Met het bestreden besluit van 5 juli 2024 heeft verweerder de bezwaren van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.



2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank

3. Ten aanzien van het toeslagjaar 2005 stelt eiser dat, bij gebreke aan verifieerbare informatie, de neerwaartse bijstellingen berusten op vooringenomen handelen dan wel leiden tot onaanvaardbare hardheid. Volgens eiser dient hij om die reden te worden gecompenseerd. Eiser stelt dat in de jaren 2009 tot en met 2011 wel degelijk kinderopvang is afgenomen, maar dat hij niet langer over de administratie beschikt om dit te onderbouwen. Hij is van mening dat het in dat geval aan verweerder is om aannemelijk te maken dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Tot slot betoogt eiser dat het zonder nader onderzoek laten doorlopen van voorschotten op basis van historische gegevens, terwijl verweerder zich op het standpunt stelt dat per 1 januari 2008 geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, getuigt van hardheid van het stelsel. Volgens eiser rechtvaardigt dit eveneens compensatie.

4. Verweerder stelt dat de neerwaartse bijstelling over 2005 gebaseerd is op door eiser zelf overgelegde stukken. Van institutioneel vooringenomen handelen is daarom geen sprake. Evenmin is de hardheidsregeling van toepassing, nu geen sprake is geweest van een nihilstelling. De neerwaartse bijstelling over 2008 vloeit voort uit een door eiser ingediende stopzetting van de kinderopvangtoeslag met ingang van 1 januari 2008. De daaropvolgende nihilstelling is het directe gevolg van deze doorgegeven beëindiging. Ook hier is de hardheidsregeling niet van toepassing, aangezien de nihilstelling voortkomt uit de door eiser zelf gemelde stopzetting. Verweerder stelt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager ligt. Ten aanzien van 2009 erkent verweerder dat de kinderopvangtoeslag is stopgezet zonder voorafgaande uitvraag, zodat sprake is geweest van vooringenomen handelen. Volgens verweerder had eiser echter evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat hij met een wijzigingsformulier de toeslag per 1 januari 2008 zelf had beëindigd. Voor de jaren 2010 en 2011 geldt volgens verweerder eveneens dat de toeslag is stopgezet zonder voldoende voorafgaande uitvraag. Niettemin bestond volgens verweerder ook in deze jaren evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Uit de beschikbare gegevens in de KOI-viewer blijkt dat in die periode geen kinderopvangtoeslag is geregistreerd. Dat de voorschotten in de jaren na 2008 zijn doorbetaald is onzorgvuldig, maar levert geen institutioneel vooringenomen handelen en ook niet een situatie van onaanvaardbare hardheid op, aldus verweerder.

5. De rechtbank merkt allereerst op dat in de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in voorgaande jaren fouten zijn gemaakt, waarvan ouders de dupe zijn geworden. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om burgers te compenseren voor deze fouten. De compensatie wordt door verweerder toegekend. De uitvoering van deze regelingen is belegd bij de UHT.


5.1.
Op 5 november 2022 is de Wet herstel toeslagen (Wht) in werking getreden. Hiermee is de wet- en regelgeving over de hersteloperatie toeslagen in één wet ondergebracht. Belangrijke bepalingen uit de Wet hardheidsaanpassing Awir zijn naar deze wet verplaatst. Op grond van het overgangsrecht worden beschikkingen ter zake van compensatie, aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld (O/GS)-tegemoetkomingen, aanvullende O/GS-tegemoetkomingen voor de werkelijke schade of andere tegemoetkomingen of vergoedingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen voor de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens deze wet.



5.2.
Voor deze zaak is van belang dat uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.



5.3.
Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.



5.4.
In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.



5.5.
Uit de memorie van toelichting bij de Wht blijkt dat sprake is van hardheid van het stelsel als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.



5.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht bepaalt dat compensatie niet wordt toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Uit de memorie van toelichting volgt dat van een ernstige onregelmatigheid in ieder geval sprake is indien uit het dossier blijkt dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat in het onderzochte toeslagjaar. Dit is bijvoorbeeld het geval als het kind in het geheel geen opvang heeft genoten. Uit de memorie van toelichting volgt ook dat de bewijslast voor compensatie formeel bij de aanvrager van de compensatie ligt.

2005


6. De rechtbank stelt vast dat de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2005 is bijgesteld naar aanleiding van door eiser opgestuurde informatie. Deze reguliere wijzigingen in de hoogte van het recht op kinderopvangtoeslag duiden niet op vooringenomenheid van verweerder of hardheid van het stelsel. Geen van de omstandigheden zoals genoemd in rechtsoverweging 5.4, doet zich hier voor.


2008


7. Ten aanzien van het toeslagjaar 2008 blijkt dat eiser de kinderopvangtoeslag per 1 januari 2008 zelf heeft stopgezet. Er bestond daarom geen recht op kinderopvangtoeslag vanaf de datum van stopzetting. De compensatieregeling is dus niet van toepassing.


2009-2011


8. Zoals onder 5.6 genoemd, volgt uit de memorie van toelichting dat de bewijslast voor compensatie formeel bij de aanvrager van de compensatie ligt. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij in 2009, 2010 en/of 2011 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. De rechtbank ziet niet in dat het aan verweerder is om te onderbouwen dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat de bewijslast bij verweerder zou moeten liggen.



8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het ontbreken van opvanggegevens in KOI-viewer heeft mogen concluderen dat eiser geen opvang heeft afgenomen in 2009, 2010 en 2011. Eiser heeft dus ook geen kosten voor kinderopvang gehad. Dat betekent dat hij ook geen recht had op kinderopvangtoeslag. Daarmee valt eiser naar het oordeel van de rechtbank niet onder de uitgangspunten van de Wht en heeft hij geen recht op compensatie.



8.2.
Ten aanzien van het standpunt van eiser over de doorbetaling van de toeslag na stopzetting, overweegt de rechtbank als volgt. Het systeem van bevoorschotting is zo ingericht, dat verweerder in staat is in korte tijd een groot aantal besluiten op aanvragen om een toeslag te nemen. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van de door de eiser overgelegde gegevens. De controle op het recht op een toeslag vindt vervolgens pas na afloop van het berekeningsjaar plaats. Op dat moment wordt de toeslag pas berekend en definitief vastgesteld. In dit systeem is het uitgangspunt dus dat de aanvrager in het kader van de bevoorschotting zelf de juiste, voor het recht op toeslag relevante gegevens doorgeeft. De conclusie is dan ook dat de onregelmatigheid niet aan verweerder kan worden toegerekend, maar wel aan eiser. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan eiser is toe te rekenen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. Verweerder heeft dus op goede gronden bepaald dat eiser geen recht heeft op een compensatie op grond van artikel 2.1 van de Wht.



8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een ernstige onevenwichtigheid. Eiser heeft ongevraagd teveel toeslag ontvangen en moest dat terugbetalen. Daarin verschilt hij niet van anderen die te veel toeslag of uitkering krijgen en dat moeten terugbetalen. Het feit dat hij de te veel ontvangen kinderopvangtoeslag moest terugbetalen is op zich niet onredelijk hard of onevenredig. Verder merkt de rechtbank op dat eiser een compensatie van € 30.000,- heeft ontvangen, omdat er geen betalingsregeling mogelijk was voor het terugbetalen van het teveel aan ontvangen kinderopvangtoeslag.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.


Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.70 en 71.


Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 71.


Kamerstukken 2, 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.
Link naar deze uitspraak