Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:1635 
 
Datum uitspraak:12-03-2026
Datum gepubliceerd:18-03-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:11890817 CV EXPL 25-5324
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Eiser heeft in opdracht van gedaagde werkzaamheden uitgevoerd bij klanten van gedaagde. Eiser vordert in deze procedure betaling van twee openstaande facturen van in totaal € 5.506,56, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke handelsrente en de kosten van deze procedure. Gedaagde weigert de openstaande facturen te betalen, omdat hij meent dat eiser de werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. Gedaagde heeft daarom zelf een derde ingeschakeld om de door eiser niet goed uitgevoerde werkzaamheden te herstellen. Omdat gedaagde de factuur van de derde al heeft betaald, vindt hij dat hij daarnaast niet ook de facturen van eiser nog moet betalen. Gedaagde heeft tijdens de zitting toegelicht op welke drie punten eiser volgens hem de werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. De drie verwijten die gedaagde eiser maakt, zijn niet komen vast te staan. Daarmee is niet komen vast te staan dat eiser zijn werkzaamheden bij de klanten van gedaagde niet goed heeft uitgevoerd. Gedaagde moet voor de werkzaamheden die eiser voor zijn klanten heeft verricht betalen. Dat betekent dat gedaagde de openstaande facturen moet betalen. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser toe. De wettelijke handelsrente wordt deels toegewezen, omdat de vordering tot betaling van de al berekende wettelijke handelsrente (tot 1 augustus 2025) niet oud genoeg is om daarover opnieuw wettelijke handelsrente te mogen berekenen. Dat kan alleen als zo’n vordering minimaal een jaar oud is. Ook de wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten kunnen niet worden toegewezen, want dat is geen vordering uit een handelsovereenkomst.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK
OOST-BRABANT


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 11890817 \ CV EXPL 25-5324


Vonnis van 12 maart 2026


in de zaak van



[eiser] , H.O.D.N. [bedrijfsnaam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.W. Hilhorst,

tegen



[gedaagde] , H.O.D.N. M.J.M. [bedrijfsnaam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 september 2025 met producties 1 en 2;- de aantekeningen van het mondelinge gegeven schriftelijke verweer van 9 oktober 2025 met bijlagen;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van 23 januari 2026 met productie 3 van [eiser] ;
- het bericht van 26 januari 2026 met productie 4 van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling (hierna: de zitting) van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting is [eiser] verschenen samen met zijn gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen.



1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.





2De kern van de zaak


[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] (installatie)werkzaamheden uitgevoerd. [eiser] heeft voor die werkzaamheden op 21 maart 2024 een factuur aan [gedaagde] gestuurd, met daarin een bedrag van € 696,75 inclusief btw. Op 17 april 2024 heeft [eiser] een factuur aan [gedaagde] gestuurd, met daarin een bedrag van € 4.809,81 inclusief btw. [gedaagde] heeft de twee facturen niet betaald. [eiser] vordert in deze procedure betaling van de twee openstaande facturen van in totaal € 5.506,56 (€ 696,75 plus € 4.809,81), te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke handelsrente en de kosten van deze procedure. [gedaagde] weigert de openstaande facturen te betalen, omdat hij meent dat [eiser] de (installatie)werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. [gedaagde] heeft daarom zelf de firma [A] (hierna: [A] ) ingeschakeld om de door [eiser] niet goed uitgevoerde werkzaamheden te herstellen. Omdat [gedaagde] de factuur van [A] al heeft betaald, vindt hij dat hij daarnaast niet ook de facturen van [eiser] nog moet betalen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe. Deze beslissing legt de kantonrechter hierna uit.




3De beoordeling



[gedaagde] moet de twee openstaande facturen van [eiser] betalen



De factuur van 21 maart 2024



3.1.

[eiser] vordert in de eerste plaats betaling van de factuur van 21 maart 2024 (met factuurnummer [factuurnummer 1] ) met daarin een totaalbedrag van € 696,75 inclusief btw (hierna: de factuur van 21 maart 2024). Die factuur ziet op werkzaamheden die [eiser] , in opdracht van [gedaagde] , heeft verricht aan de [adres 1] te [plaats 1] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij de factuur van 21 maart 2024 van € 696,75 moet betalen.


De factuur van 17 april 2024




3.2.
Gelet op het voorgaande, ziet de discussie tussen partijen in deze procedure nog op de factuur van 17 april 2024 (met factuurnummer [factuurnummer 2] ) met daarin een totaalbedrag van € 4.809,81 inclusief btw (hierna: de factuur van 17 april 2024). Die factuur ziet op werkzaamheden die [eiser] , in opdracht van [gedaagde] , heeft verricht bij klanten van [gedaagde] die wonen aan de [adres 2] in [plaats 2] .



3.3.

[eiser] heeft voorafgaand aan deze werkzaamheden een offerte aan [gedaagde] toegestuurd, waarin de volgende werkzaamheden zijn opgenomen:









3.4.
Ook in de factuur van 17 april 2024 zijn bovenstaande werkzaamheden opgenomen. [gedaagde] heeft deze factuur niet voldaan, omdat [eiser] volgens hem de werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. [gedaagde] heeft daarom zelf [A] ingeschakeld om de door [eiser] niet goed uitgevoerde werkzaamheden te herstellen. Omdat [gedaagde] de factuur van [A] al heeft betaald, vindt hij dat hij daarnaast niet ook de facturen van [eiser] nog moet betalen.



3.5.

[gedaagde] heeft tijdens de zitting toegelicht op welke punten [eiser] volgens hem de werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. Dat betreft in de eerste plaats het niet goed aansluiten van de cv-ketel, waardoor de boiler continue blijft branden. Dat heeft als gevolg dat de cv-ketel veel gas verbruikt en dat de cv-ketel/boiler veel geluid maakt. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing naar de e-mail van 3 december 2024 van [A] waarin staat: “(…) Uitzoeken waarom de cv-ketel blijft/bleef branden. Thermostaat kabel was aan elkaar vast gedraaid/verbonden in de cv-ketel. (…).”



3.6.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de cv-ketel bleef branden omdat de thermostaatkabel was verbonden in de cv-ketel. Dat heeft [eiser] zo gedaan, vertelde hij op zitting. Maar dat deed hij niet zomaar. [eiser] heeft toegelicht dat de opdracht was dat hij de bestaande thermostaat zou aansluiten op de cv-ketel. Dat volgt volgens hem ook uit de offerte, waarbij hij tijdens de zitting heeft gewezen op de laatste zin in de offerte. Daarin staat: “(…) Aansluiten bestaande ruimte thermostaat op de Atag cv ketel.” Ter plaatse bleek dat de bestaande thermostaat verwijderd was, waardoor [eiser] in plaats van het aansluiten van de bestaande thermostaat op de cv-ketel – als tijdelijke oplossing – twee kabeltjes heeft doorverbonden, zodat de cv-ketel zou blijven branden. Dit heeft hij gedaan, omdat een vloer moest drogen en er daardoor constant warme lucht in de betreffende ruimte nodig was. [eiser] heeft hiermee betwist dat hij de opdracht niet goed heeft uitgevoerd. Hij heeft geen fout gemaakt, maar een passende oplossing gevonden voor een onverwachte situatie die zich voordeed, zo meent [eiser] .



3.7.

[gedaagde] heeft niet weersproken dat de vloer gedroogd moest worden en ook heeft hij niet weersproken dat [eiser] een tijdelijke oplossing bij zijn klanten heeft verricht. Nergens blijkt uit dat dit geen goede tijdelijke oplossing was. Tijdens de zitting is gebleken dat het alsnog aansluiten van de cv-ketel op een nieuwe thermostaat (wat afwijkend is van wat partijen zijn overeengekomen in de offerte), als definitieve oplossing, op dat moment niet (meer) de wens was van de klanten van [gedaagde] . Ter zitting is door [eiser] onweersproken toegelicht dat de klanten op dat moment een nieuwe thermostaat en een zoneregeling per ruimte wilden. Die werkzaamheden stonden niet vermeld op de offerte van [eiser] aan [gedaagde] en [eiser] was ook niet bereid om die werkzaamheden als meerwerk te verrichten, althans hij was pas bereid die werkzaamheden als meerwerk te verrichten als [gedaagde] de openstaande facturen zou betalen. Dat laatste is door [gedaagde] niet weersproken. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] met het voorzien in de tijdelijke oplossing dit onderdeel van de opdracht naar behoren heeft uitgevoerd. Niet is komen vast te staan dat er op dit punt nog meer werkzaamheden van [eiser] konden worden verwacht door [gedaagde] .



3.8.
Het tweede verwijt dat [gedaagde] [eiser] ter zitting heeft gemaakt is dat [eiser] de cv-ketel niet heeft aangesloten op de kraan. Voor de onderbouwing van dit (bevrijdende) verweer verwijst [gedaagde] naar de e-mail van [A] van 3 december 2024. Daarin staat: “(…) Cv-ketel kon niet bijgevuld worden. Kraan en aansluiting gemaakt t.b.v. de cv-ketel. (…).” [eiser] heeft het tweede verwijt ter zitting gemotiveerd betwist.



3.9.
Het maken van een kraan, ten behoeve van het vullen van de cv-ketel, maakt naar het oordeel van de kantonrechter geen onderdeel uit van de opdracht (zie r.o. 3.3). Uit de offerte blijkt dat [eiser] onder meer als opdracht had om de cv-ketel aan te sluiten op het (reguliere) leidingwerk. Dat heeft [eiser] gedaan, anders had de cv-ketel bij de klanten niet kunnen werken. Dat de cv-ketel werkte staat niet ter discussie en blijkt ook uit het eerste verweer van [gedaagde] .



3.10.
Het derde verwijt dat [gedaagde] [eiser] ter zitting heeft gemaakt is dat [eiser] geen goede cv-ketel, in combinatie met de boiler, heeft geadviseerd, omdat de cv-ketel en/of boiler te veel geluid maakten. Dat is ter zitting betwist door [eiser] . [eiser] heeft aangevoerd dat er inmiddels wel betere of stillere types op de markt zijn, maar dat de door hem geadviseerde cv-ketel en boiler in 2024, te weten de Atag i36ECZ cv-ketel en Atag Lydos hybride warmtepomp boiler 100 liter (zie r.o. 3.3), een goed type cv-ketel en boiler was. [eiser] staat nog steeds achter het advies van destijds. De wensen van de klanten van [gedaagde] waren dat er een zuinige warmtepomp met cv-ketel, met een optimale wateropslag, zou worden geleverd en geplaatst en daaraan heeft hij voldaan, aldus [eiser] . Dit is door [gedaagde] niet betwist.



3.11.
Gelet op het voorgaande, zijn de drie verwijten die [gedaagde] [eiser] maakt, niet komen vast te staan. Daarmee is niet komen vast te staan dat [eiser] zijn werkzaamheden bij de klanten van [gedaagde] niet goed heeft uitgevoerd. Omdat dit niet is komen vast te staan, behoeft het geschilpunt tussen partijen over het in gebrekestellen (als gevolg waarvan al dan niet sprake is van verzuim) geen nadere bespreking.



3.12.
De tussenconclusie is dat [eiser] (installatie)werkzaamheden voor [gedaagde] bij de klanten van [gedaagde] heeft verricht en dat [gedaagde] die werkzaamheden moet betalen. Dat betekent dat [gedaagde] de factuur van 17 april 2024 met daarin een bedrag van € 4.809,81 moet betalen. Er is voor [gedaagde] namelijk geen rechtsgeldige reden om die factuur niet te voldoen, nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] een tegenvordering uit hoofde van een tekortkoming in de nakoming heeft die hij kan verrekenen met het door [eiser] gevorderde bedrag.


De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen




3.13.

[eiser] heeft gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een totaalbedrag van € 6.992,90. In die vordering is een bedrag van € 650,33 aan buitengerechtelijke incassokosten opgenomen. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde] heeft de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet weersproken. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding van de kosten van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 650,33 worden toegewezen.


De wettelijke handelsrente wordt (deels) toegewezen




3.14.
Omdat de factuurbedragen van in totaal € 5.506,56 (€ 696,75 plus € 4.809,81) niet tijdig zijn betaald door [gedaagde] , is [gedaagde] de wettelijke handelsrente verschuldigd. [gedaagde] heeft de gevorderde wettelijke handelsrente niet weersproken. De wettelijke handelsrente wordt daarom toegewezen, met inachtneming van het volgende.



3.15.

[eiser] heeft gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een totaalbedrag van € 6.992,90. In die vordering is – naast het bedrag van € 650,33 aan buitengerechtelijke incassokosten (zie r.o. 3.13) – een bedrag van € 836,01 aan verschenen wettelijke handelsrente tot 1 augustus 2025 opgenomen. Daarnaast vordert [eiser] de wettelijke handelsrente vanaf 1 augustus 2025 over het totaalbedrag van € 6.992,90 tot aan de dag van volledige betaling. De kantonrechter wijst over het bedrag van € 5.506,56 (dus het bedrag zonder de buitengerechtelijke incassokosten en de eerder berekende wettelijke handelsrente) de wettelijke handelsrente toe vanaf 1 augustus 2025 tot het moment dat alles is betaald. De vordering tot betaling van de al berekende wettelijke handelsrente van € 836,01 (tot 1 augustus 2025) is niet oud genoeg om daarover opnieuw wettelijke handelsrente te mogen berekenen. Dat kan alleen als zo’n vordering minimaal een jaar oud is. Wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten kan ook niet, want dat is geen vordering uit een handelsovereenkomst.



[gedaagde] moet de proceskosten betalen




3.16.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding





123,73







- griffierecht





257,00







- salaris gemachtigde





720,00


(2 punten × € 360,00)




- nakosten





144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





1.244,73











3.17.
Ten aanzien van de gevorderde “kosten voor daadwerkelijke executie” wordt overwogen dat deze vooralsnog niet toewijsbaar zijn, omdat onvoldoende vaststaat dat [eiser] deze kosten daadwerkelijk zal maken.


De conclusie




3.18.
De eindconclusie is dat [gedaagde] niet alleen de factuurbedragen van in totaal € 5.506,56 moet betalen, maar ook de buitengerechtelijke incassokosten (€ 650,33) en de (al berekende) wettelijke handelsrente tot 1 augustus 2025 (€ 836,01). Dit betekent dat er door [gedaagde] een bedrag van € 6.992,90 moet worden betaald aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 5.506,56 met ingang van 1 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling.



3.19.
Daarnaast moet [gedaagde] de proceskosten van € 1.244,73 aan [eiser] betalen. De kosten van betekening worden voorwaardelijk toegekend. Dat betekent dat als [gedaagde] niet tijdig aan het vonnis voldoet en het vonnis vervolgens door de deurwaarder moet worden betekend, de kosten voor betekening ook voor rekening van [gedaagde] komen.


Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard




3.20.

[eiser] heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en dat wordt toegewezen. Dat betekent dat de veroordelingen in de beslissing direct moeten worden nagekomen door [gedaagde] en dat het vonnis haar werking behoudt als er hoger beroep wordt ingesteld, totdat de rechter in hoger beroep uitspraak heeft gedaan.





4De beslissing

De kantonrechter


4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.992,90 aan openstaande factuurbedragen, buitengerechtelijke incassokosten en verschenen wettelijke handelsrente tot 1 augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 5.506,56 met ingang van 1 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,



4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.244,73, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.



In die zin zijn de offerte en de factuur van 17 april 2024 hetzelfde.


Artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek.


€ 5.506,56 aan openstaande facturen, € 836,01 aan verschenen wettelijke handelsrente tot 1 augustus 2025 en € 650,33 aan buitengerechtelijke incassokosten.


Zie voetnoot 3.
Link naar deze uitspraak