|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:2133 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | 11960671 VV EXPL 25-682 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding. Arbeidsrecht. Loonvordering afgewezen, vanwege onvoldoende spoedeisend belang en vordering die onvoldoende aannemelijk is. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | levensonderhoud | | | uitkering | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11960671 VV EXPL 25-682
datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. E.M.F. Prickartz,
tegen
[gedaagde] .,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Verweij.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 12 november 2025, met bijlagen 1 t/m 8;
het antwoord, met bijlagen 1 t/m 7;
de akte wijziging van eis van [eiser] , met bijlagen 9 en 10;
de akte van [gedaagde] , met bijlagen 8 en 9.
1.2.
De zitting was (na een aanhouding op verzoek van de rechtbank) gepland op 23 januari 2026. Op die datum zijn verschenen:
mr. Prickartz;
namens [gedaagde] de heer [persoon A] (statutair bestuurder) met mr. Verweij.
Omdat mr. Prickartz verklaarde dat hij begin december 2025 voor het laatst contact had gehad met [eiser] en het sindsdien niet meer was gelukt om [eiser] te bereiken, heeft de kantonrechter besloten een nieuwe datum te bepalen voor de zitting. Op 6 februari 2026 zijn de hiervoor genoemde personen weer verschenen en is de zaak inhoudelijk besproken.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] is een bedrijf in de logistiek en transport. [eiser] is op 1 april 2025 bij [gedaagde] in dienst getreden als chauffeur. Vanaf 23 augustus 2025 krijgt hij geen loon meer. Hij vindt dat hij daar wel recht op heeft, omdat hij ziek is en zijn werkgever het loon moet doorbetalen op basis van de cao. [gedaagde] is het daar niet mee eens en voert aan dat [eiser] voor zijn ziekmelding ontslag heeft genomen. De kantonrechter wijst de vordering tot loondoorbetaling af. Er is niet voldoende gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering en ook staat in onvoldoende mate vast dat [eiser] recht heeft op loondoorbetaling. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is van de zaak.
Het toetsingskader in kort geding
2.2.
De vordering van [eiser] is een geldvordering. Bij een geldvordering in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Om zo’n vordering te kunnen toewijzen is nodig dat de vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moeten er omstandigheden zijn die meebrengen dat een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Tot slot moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiser het geldbedrag niet kan terugbetalen als hij in een gewone procedure alsnog ongelijk krijgt.
Niet voldoende gebleken van een spoedeisend belang
2.3.
[eiser] stelt in de dagvaarding dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van het loon van [gedaagde] . Normaal gesproken volgt hieruit het vereiste spoedeisend belang, maar in dit geval ligt het anders.
De gemachtigde van [eiser] heeft naar eigen zeggen vanaf begin december 2025 geen contact meer met hem kunnen krijgen. De zitting van 23 januari 2026 is aangehouden omdat [eiser] zonder enig bericht niet naar die zitting was gekomen. Ook op 6 februari 2026 is [eiser] niet verschenen en zijn gemachtigde heeft in de tussentijd ook geen contact met hem kunnen krijgen. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] in augustus 2025 gezegd dat hij ontslag neemt en teruggaat naar zijn oude werkgever in Weert. Weliswaar is door de gemachtigde van [eiser] bij gebrek aan wetenschap betwist dat dit zo is, maar dat laat onverlet dat de kantonrechter met [gedaagde] van oordeel is dat bij deze stand van zaken niet kan worden aangenomen dat (nog steeds) sprake is van een spoedeisend belang. Concrete feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden, zijn niet gesteld. Dat staat in de weg aan het toewijzen van de vordering.
2.4.
Wat het loon van 1 augustus 2025 tot de gestelde ontslagname op 22 augustus 2025 betreft, wordt nog het volgende overwogen. Volgens [gedaagde] komt de eindafrekening uit op € 3.104,27 netto, is daarvan € 2.000,00 al betaald en is de rest verrekend met verkeersboetes ter waarde van € 120,00 en met door [eiser] gemaakte schades aan bedrijfsvoertuigen. Van de kant van [eiser] wordt betwist dat de gestelde boetes en schades voor zijn rekening komen. Wat hier verder van zij, ook hier geldt dat onvoldoende gebleken is van een spoedeisend belang dat een onmiddellijke voorziening rechtvaardigt.
Bovendien: de vordering staat in onvoldoende mate vast
2.5.
Ook als zou moeten worden aangenomen dat [eiser] (toch) (nog) wel een spoedeisend belang heeft bij de toewijzing van zijn vordering, zou de vordering niet worden toegewezen. De kantonrechter vindt dat de vordering bij de huidige stand van zaken in onvoldoende mate vaststaat. Dat wordt hierna uitgelegd.
2.5.1.
[eiser] stelt hij zich op vrijdag 22 augustus 2025 mondeling ziek heeft gemeld bij [gedaagde] , de vrachtwagen heeft geparkeerd en naar huis is gegaan. Zijn privéspullen lagen nog in de vrachtwagen. Die is hij in het weekend gaan ophalen. Op maandag 25 augustus 2025 is hij door de huisarts verwezen naar en opgenomen in het ziekenhuis, aldus [eiser] . Hij heeft een foto van zichzelf in een ziekenhuisbed geappt naar [gedaagde] . [eiser] betwist dat hij ontslag heeft genomen; dat heeft hij nooit gewild.
2.5.2.
[gedaagde] betwist dat [eiser] zich op vrijdag 22 augustus 2025 ziek heeft gemeld. Directeur [persoon A] (hierna: [persoon A] ) heeft daartoe ter zitting namens [gedaagde] verklaard dat [eiser] op of omstreeks 21/22 augustus 2025 telefonisch tegen hem heeft gezegd dat hij wilde stoppen met werken. Als reden voor het nemen van ontslag zou [eiser] hebben gezegd dat hij de teveel ontvangen bedragen aan Ziektewetuitkering – die hij op dat moment nog kreeg – moet terugbetalen omdat [gedaagde] het dienstverband van [eiser] bij de Belastingdienst heeft aangemeld. Dat was iets dat [eiser] heeft geprobeerd te voorkomen door de schriftelijke arbeidsovereenkomst met [gedaagde] niet te ondertekenen, aldus [persoon A] . [eiser] en [persoon A] hebben elkaar in het weekend van 23/24 augustus 2025 gesproken over de gevolgen van het nemen van ontslag, zoals het verlies van inkomen en dat [gedaagde] de eindafrekening zou gaan opmaken. Volgens [persoon A] heeft [eiser] toen gezegd dat hij weer terug zou gaan naar zijn oude werkgever in Weert waar hij zwart werkte vóór hij bij [gedaagde] ging werken. [persoon A] heeft in het weekend aan [eiser] gevraagd zijn spullen uit de vrachtwagen te halen, nadat deze was opgehaald van de plaats waar [eiser] de vrachtwagen had achtergelaten.
2.5.3.
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] zo dat [eiser] volgens [gedaagde] op of omstreeks 21/22 augustus 2025 per direct ontslag heeft genomen en dat [gedaagde] daarmee heeft ingestemd.
Een werkgever mag echter niet zomaar aannemen dat een werknemer ontslag neemt, omdat ontslagname ernstige financiële gevolgen heeft. Volgens vaste rechtspraak is een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer vereist, waaruit blijkt dat die het dienstverband wil beëindigen. De werkgever moet in bepaalde omstandigheden bovendien met redelijke zorgvuldigheid onderzoeken of de werknemer inderdaad het dienstverband wil beëindigen. Daarbij is de context waarin de verklaring is gedaan van belang. Andere omstandigheden zijn de gemoedstoestand van de werknemer, zijn functie en rechtskennis, of de werknemer enige tijd niet op het werk is verschenen na de verklaring en of de werkgever enige tijd heeft gegeven aan de werknemer om op het ontslag terug te komen.
2.5.4.
Volgens [gedaagde] was er op het moment van de ontslagname geen sprake van een ziekmelding en was het voor [eiser] duidelijk wat de gevolgen waren van het per direct nemen van ontslag. Er was geen aanleiding om te praten over een uitkering aanvragen, omdat [gedaagde] er op basis van de mededeling van [eiser] van uit ging dat hij weer werk zou hebben in Weert. Bovendien wist [eiser] heel goed wat zijn situatie was, gelet op alles wat er op dat moment speelde met het terug moeten betalen van de Ziektewetuitkering, (dreigend) derdenbeslag op zijn loon vanwege schulden, het niet willen ondertekenen van de arbeidsovereenkomst en de vraag aan [gedaagde] om het aanmelden van zijn dienstverband bij de Belastingdienst terug te draaien, aldus [gedaagde] .
2.5.5.
De kantonrechter ziet in de appjes die door beide partijen zijn overgelegd geen ziekmelding van [eiser] vóór of in het weekend. Op maandag 25 augustus 2025 stuurt [eiser] wel een foto van zichzelf in een ziekenhuisbed naar [gedaagde] , waarop [gedaagde] reageert en hem beterschap wenst. Op woensdag 27 augustus 2025 schrijft [eiser] voor het eerst: “ik moet ziek melden”. Uit de appjes die daarna zijn gewisseld tussen [eiser] en de directeur van [gedaagde] kan worden afgeleid dat [gedaagde] ervan uit is gegaan dat [eiser] eerder al ontslag heeft genomen en zich pas later ziek meldt. In een appje van de directeur van [gedaagde] naar [eiser] op 1 september 2025 staat: “(…) Dat je ontslag neemt betekent niet dat we vijanden zijn. Natuurlijk krijg je altijd waar je recht op hebt. Moet alleen een eindrekening berekend worden, daarna krijg je gestort op je rekening.” [eiser] reageert daarop: “(…) alles je mij betalen ik gaan 2 weken weg Dana lekker terug naar weert Maar op dit moment ik hebben geen niets (…)”. Een paar dagen later, op 3 september 2025, vraagt [eiser] : “(…) Gaat u mij laste maand overmaken Geet mij antwoord (…)”.
2.5.6.
Weliswaar heeft [eiser] in de appberichten niet expliciet gezegd dat hij ontslag neemt of erkend dat hij ontslag heeft genomen, maar de appberichten leveren naar het oordeel van de kantonrechter wel aanknopingspunten op voor de juistheid van de verklaring van [gedaagde] tijdens de zitting over de gang van zaken vanaf 21/22 augustus 2025. Omdat [eiser] niet naar de zitting is gekomen, heeft de kantonrechter hem niet kunnen vragen hoe het volgens hem is gegaan. De enkele algemene betwisting door de gemachtigde van [eiser] van de verklaring van [persoon A] is onvoldoende om uit te gaan van de juistheid van de versie van [eiser] zoals opgenomen in de dagvaarding. Bij deze stand van zaken is nadere bewijslevering noodzakelijk om vast te kunnen stellen of [eiser] nog in dienst was toen hij zich ziek meldde. Voor nadere bewijslevering leent een kort geding zich niet. Dat brengt mee dat de vordering ook om deze reden niet zou zijn toegewezen in dit kort geding.
[eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld
2.6.
[eiser] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 1.297,50 (1,5 punt van 865,00) aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt omdat er een extra zitting heeft plaatsgevonden) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.441,50. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Namens [eiser] is nog aangevoerd dat een proceskostenveroordeling afstuit op artikel 7:629a lid 6 BW. De kantonrechter volgt [eiser] daarin niet. De bepaling ziet op de situatie dat een werknemer ten onrechte stelt dat hij arbeidsongeschikt is en dat is hier niet aan de orde. De vordering tot loondoorbetaling wordt namelijk afgewezen vanwege een gebrek aan spoedeisend belang.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.441,50 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
34286 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|