|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:1530 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | 11787172 CV EXPL 25-2002 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Partij A hebben aan partij B de opdracht gegeven om een uitbouw aan hun woning te realiseren. Partij B is begonnen met de werkzaamheden. Na verloop van tijd hebben partij A een aantal gebreken geconstateerd en hebben partij A het vertrouwen in partij B verloren. Daarop hebben zij hun vordering tot nakoming omgezet en vorderen (onder meer) vervangende schadevergoeding van partij B.
Partij B is het niet eens met de vorderingen van partij A, onder meer omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld om de gebreken te herstellen. In reconventie vordert partij B dat partij A de laatste factuur nog betalen. Partij A verweren zich daartegen met een beroep op opschorting althans op verrekening.
De kantonrechter wijst de vorderingen van partij A gedeeltelijk toe. De vordering tot betaling van de factuur van partij B wordt daarmee verrekend. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | tarieven | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11787172 \ CV EXPL 25-2002
Vonnis van 17 maart 2026
in de zaak van
1
[partij A 1],
te [woonplaats 1],
2. [partij A 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A],
gemachtigde: D.A.S. Ned.Rechtsbijstand Verz.mij. N.V.,
tegen
[partij B]
, handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [woonplaats 3],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 19 juni 2025 met producties 1 tot en met 21 van [partij A];
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 2 producties van [partij B];
de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
de conclusie van antwoord in reconventie van [partij A];
de akte indiening aanvullende bewijsstukken met producties 22 tot en met 33 van [partij A], en
de mondelinge behandeling van 30 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De samenvatting
2.1.
[partij A] hebben aan [partij B] de opdracht gegeven om een uitbouw aan hun woning te realiseren. [partij B] is begonnen met de werkzaamheden. Na verloop van tijd hebben [partij A] een aantal gebreken geconstateerd en hebben [partij A] het vertrouwen in [partij B] verloren. Daarop hebben zij hun vordering tot nakoming omgezet en vorderen (onder meer) vervangende schadevergoeding van [partij B].
2.2.
[partij B] is het niet eens met de vorderingen van [partij A], onder meer omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld om de gebreken te herstellen. In reconventie vordert [partij B] dat [partij A] de laatste factuur nog betalen. [partij A] verweren zich daartegen met een beroep op opschorting althans op verrekening.
2.3.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [partij A] gedeeltelijk toe. De vordering tot betaling van de factuur van [partij B] wordt daarmee verrekend. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.
3De feiten
3.1.
[partij A] en [partij B] hebben in december 2022 een mondelinge overeenkomst tot aanneming van werk gesloten, op grond waarvan [partij B] een uitbouw aan de achterkant van de woning van [partij A] zou realiseren. De aanneemsom bedroeg € 13.500,- exclusief kunststofkozijnen. De kunststofkozijnen zouden geleverd en geplaatst worden door een derde.
3.2.
[partij B] heeft vanaf 4 januari 2023 tot en met 20 juni 2023 zeven facturen voor in totaal een bedrag van € 13.712,- inclusief btw aan [partij A] in rekening gebracht.
3.3.
[partij A] hebben alleen de laatste factuur (van 20 juni 2023 met factuurnummer 20230666 voor een bedrag van € 1.359,- inclusief btw, hierna: “de onbetaalde factuur”) niet betaald.
3.4.
[partij A 1] en [partij B] hebben via Whatsapp contact met elkaar gehad over de uitgevoerde werkzaamheden en de onbetaalde factuur:
[Afbeelding]
[Afbeelding]
3.5.
Op 24 juli 2023 heeft [partij A 1] een Whatsappbericht naar [partij B] gestuurd:
[Afbeelding]
3.6.
Daarop heeft [partij B] het volgende gereageerd:
[Afbeelding]
3.7.
[partij A 1] heeft daarna niet meer gereageerd. [partij B] heeft nog een aantal keren verzocht om betaling van de factuur, maar betaling is uitgebleven.
3.8.
De gemachtigde van [partij A] heeft [partij B] bij brief van 7 november 2023 geïnformeerd dat er diverse gebreken aan de uitbouw zijn geconstateerd. In deze brief is [partij B] gesommeerd om zijn aansprakelijkheid te erkennen en binnen veertien dagen herstelwerkzaamheden uit te voeren. Ook is [partij B] aangezegd dat [partij A] de factuur zouden betalen nadat alle (herstel)werkzaamheden correct zijn uitgevoerd en dat [partij A] hun schade zouden verrekenen met het door [partij B] gevorderde bedrag.
3.9.
Bij Whatsappbericht van 11 november 2023 aan [partij A 1] heeft [partij B] gereageerd op voornoemde brief:
[Afbeelding]
3.10.
Vervolgens hebben [partij A] Keuringsdienst voor Wonen (hierna: “de deskundige”) ingeschakeld. De deskundige heeft [partij B] op 16 januari 2024 uitgenodigd om op 29 januari 2024 aanwezig te zijn bij de inspectie, waarbij de deskundige specialistisch onderzoek zou uitvoeren naar aanleiding van het ontstane geschil over de eventuele gebreken aan de door [partij B] uitgevoerde werkzaamheden. [partij B] heeft de deskundige op 22 januari 2024 laten weten dat hij niet aanwezig kon zijn tijdens de geplande inspectie, maar dat hij eventueel telefonisch beschikbaar zou zijn.
3.11.
Op 29 januari 2024 heeft de inspectie plaatsgevonden. Uit de inspectierapportage van 30 januari 2024 (hierna: “het deskundigenrapport”) blijkt dat er vijf gebreken zijn geconstateerd:
[Afbeelding]
3.12.
Verder schrijft de deskundige dat de constructiebalk een L-balk lijkt te zijn in plaats van een H-balk, dat de houten liggers van het plafond te smal lijken en daardoor te zwak zijn voor de constructie, dat er niet geheid lijkt te zijn of dat er schroefpalen zijn aangebracht in de uitbouw en dat er geen bouw- of technische tekeningen bekend zijn.
3.13.
De deskundige heeft de totale herstelkosten geschat op € 18.540,-. Volgens de deskundige bedragen de totale kosten € 50.000,- bij het opnieuw bouwen van een uitbouw.
3.14.
De gemachtigde van [partij A] heeft bij brief van 28 februari 2024 het deskundigenrapport met bevindingen en geconstateerde gebreken naar [partij B] gestuurd. Daarbij is [partij B] gevraagd om binnen zeven dagen te reageren op hetgeen de deskundige in het rapport heeft gesteld en geconcludeerd, en om binnen zeven dagen aan te geven op welke wijze en binnen welke termijn [partij B] voor herstel zou zorgen.
3.15.
Op 4 maart 2024 heeft [partij B] via zijn gemachtigde gereageerd op de vijf gebreken:
1. [Afbeelding]
2. [ [Afbeelding]
3. [ [Afbeelding]
4. [ [Afbeelding]
5. [ [Afbeelding]
3.16.
Daarnaast heeft [partij B] het volgende geschreven:
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
3.17.
Daarbij heeft de gemachtigde van [partij B] aan [partij A] gevraagd om de op- en aanmerkingen van [partij B] door te sturen naar de deskundige, in afwachting van het definitieve deskundigenrapport.
3.18.
Op 19 maart 2024 heeft de gemachtigde van [partij A] gereageerd dat het deskundigenrapport reeds definitief was. De gemachtigde schrijft verder dat [partij B] geen aanbod tot herstel van de genoemde gebreken heeft gedaan en dat hij in gebreke en verzuim is, dat de termijn uit de brief van 28 februari 2024 is verstreken en dat [partij A] een derde de opdracht geven om een offerte uit te brengen om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. De gemachtigde van [partij A] heeft [partij B] erop gewezen dat de kosten van herstel op hem worden verhaald en dat de brief beschouwd moet worden als een omzettingsverklaring zoals bedoeld in artikel 6:87 Burgerlijk Wetboek (BW).
3.19.
De gemachtigde van [partij B] heeft bij e-mailbericht van 19 maart 2024 gereageerd en de inhoud, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het deskundigenrapport betwist, onder meer omdat de eisen van hoor en wederhoor niet in acht zijn genomen. Daarbij heeft de gemachtigde verklaard dat [partij B] wel bereid is om de werkzaamheden ten aanzien van de boeien, lood en daktrim binnen vier weken af te maken en dat [partij B] die werkzaamheden in rekening zou brengen. Met betrekking tot het dak, de vloer en kozijnen heeft de gemachtigde de aansprakelijkheid van [partij B] afgewezen en zijn [partij A] verwezen naar andere partijen. Bovendien is verzocht om de openstaande factuur binnen vijftien dagen te betalen.
3.20.
De gemachtigde van [partij A] heeft op 26 maart 2024 gereageerd dat [partij B] wel in de gelegenheid is gesteld het deskundigenonderzoek bij te wonen en dat hij wel gevraagd is te reageren, maar dat zijn op- of aanmerkingen niet zien op de inhoud van het deskundigenrapport maar op zijn aansprakelijkheid. Verder heeft de gemachtigde gesteld dat [partij B] heeft erkend dat er een I-balk is geplaatst in plaats van een H-balk en dat dat eerst hersteld moet worden.
3.21.
De gemachtigde van [partij B] heeft op 28 maart 2024 laten weten dat [partij B] bereid is om het afschot en de H-balk te vervangen en is gevraagd om [partij B] in de gelegenheid te stellen om het lood, boeien en trim te laten herstellen. De aansprakelijkheid voor het dakleer is betwist, waarbij [partij A] zijn verwezen naar de partij die zij daarvoor ingeschakeld zouden hebben.
3.22.
[bedrijf 2] heeft de herstelkosten bij offerte van 29 april 2024 begroot op € 30.696,95 inclusief btw. Bij brief van 24 juni 2024 heeft de gemachtigde van [partij A] aanspraak gemaakt op de door [naam] geoffreerde herstelkosten van € 30.696,95, de door [partij A] zelf gemaakte herstelkosten van € 3.098,02 en op de kosten van het deskundigenrapport van € 3.146,-, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van de brief.
3.23.
[partij B] heeft niet betaald.
4Het geschil
in conventie
4.1.
[partij A] vorderen – samengevat – veroordeling van [partij B] tot betaling van € 33.940,97 aan herstelkosten, € 3.146,- aan kosten voor het deskundigenrapport (3.11) en € 1.384,63 aan buitengerechtelijke incassokosten, een en ander te vermeerderen met rente en proceskosten.
4.2.
[partij A] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Partijen hebben – mondeling – een gemengde overeenkomst van aanneming van werk en consumentenkoop (artikel 7:5 Burgerlijk Wetboek) gesloten. [partij B] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen (artikel 6:74 BW). [partij A] hebben [partij B] in gebreke gesteld, maar herstel is uitgebleven. De vordering tot nakoming is ex artikel 6:87 BW omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding, bestaande uit de geoffreerde herstelkosten van € 30.696,95 en de herstelkosten die [partij A] zelf hebben gemaakt van € 3.098,02.
4.3.
[partij B] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] en voert daartoe aan dat hij niet in verzuim is ten aanzien van het herstellen van de gebreken, omdat de werkzaamheden nog niet klaar waren en hij ook geen gelegenheid heeft gekregen om te herstellen, terwijl hij dat wel heeft aangeboden. Daarnaast is hij niet voor alle gestelde gebreken aansprakelijk, omdat [partij A] daar zelf derde partijen voor hebben ingeschakeld.
in reconventie
4.4.
[partij B] vordert – samengevat – veroordeling van [partij A] tot betaling van € 1.359,- in verband met de onbetaalde factuur, te vermeerderen met rente en kosten.
4.5.
[partij A] voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] en beroepen zich op opschorting in verband met het uitblijven van herstel, dan wel verrekening met hun vordering tot betaling van schadevergoeding in conventie.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie
5.1.
[partij A] stellen met verwijzing naar het deskundigenrapport dat sprake is van zes gebreken (zie rechtsoverwegingen 3.11 en 3.12):
1. De uitloop voor de afwatering van het dak zit op de verkeerde plek (hierna: “uitloop afwatering dak”);
2. De vloer van de uitbouw is te laag (hierna: “vloer”);
3. De boeien aan de uitbouw zijn gedeeltelijk geplaatst en wat wel is geplaatst is niet netjes afgewerkt (hierna: “boeien”);
4. Het dak van de uitbouw ligt niet op afschot, waardoor er water op blijft staan. Ook is het dak niet waterdicht (hierna: “dak”);
5. De loodslabben in de muur van de uitbouw zijn niet ver genoeg in de muur bevestigd (hierna: “loodslabben”);
6. Er is een I-balk in plaats van een H-balk geplaatst (hierna: “H-balk”).
5.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vloer (onder 2.) klaar is en daar niets meer aan hersteld hoeft te worden. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de bespreking van dit gebrek en de schadevergoeding die daarop ziet.
5.3.
Hierna worden de overige gestelde gebreken achtereenvolgens beoordeeld. Eerst komt aan bod in hoeverre [partij B] verantwoordelijk is voor de gebreken aan (de uitloop van de afwatering van) het dak (onder 1. en 4.). Daarna wordt beoordeeld of [partij B] de werkzaamheden onder 3. (boeien) en 5. (loodslabben) gebrekkig heeft uitgevoerd. Ten slotte wordt besproken of [partij B] in verzuim verkeert voor het herstel van het gebrek onder 6. (H-balk).
(Uitloop afwatering) dak (onder 1. en 4.)
5.4.
[partij B] heeft ter zitting verklaard dat hij in eerste instantie aan (de uitloop van de afwatering van) het dak is begonnen, maar dat via hem een andere dakdekker is ingeschakeld. [partij B] heeft enkel een telefoonnummer van een andere dakdekker doorgegeven aan [partij A]. Dat hebben [partij A] niet weersproken. Daaruit trekt de kantonrechter de conclusie dat [partij A] de andere dakdekker hebben ingeschakeld. Dat heeft tot gevolg dat [partij A] [partij B] niet (meer) kunnen aanspreken voor de gebreken aan het dak (onder 1. en 4.). De vraag in hoeverre de werkzaamheden onder de overeenkomst tussen [partij A] en [partij B] vielen, kan daardoor in het midden blijven. De schadevergoeding die ziet op het herstel van de gebreken aan het dak wordt afgewezen.
De boeien en de loodslabben (onder 3. en 5.)
5.5.
[partij B] heeft de gestelde gebreken onder 3. (boeien) en 5. (loodslabben) betwist, aangezien die werkzaamheden nog niet af waren. Dat hebben [partij A] niet weersproken. Verder hebben [partij A] [partij B] bij brief van 7 november 2023 in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen, waartoe [partij B] zich bij Whatsappbericht van 11 november 2023 bereid heeft verklaard. Vervolgens hebben [partij A] zelf een deskundige hebben ingeschakeld, terwijl [partij B] zich op dat moment al bereid had verklaard de werkzaamheden alsnog af te maken. Op basis van dat deskundigenrapport, waarbij [partij B] niet betrokken is geweest, hebben [partij A] [partij B] bij brief van 28 februari 2024 gesommeerd om de gebreken binnen zeven dagen te herstellen. Nadat [partij B] al op 4 maart 2024 zijn reactie op (de gebreken in) het deskundigenrapport kenbaar maakte terwijl hij het deskundigenrapport pas op 1 maart 2024 had gekregen, zijn [partij A] bij brief van 19 maart 2024 overgegaan tot de omzettingsverklaring omdat de termijn van zeven dagen uit de brief van 28 februari 2024 was verstreken.
5.6.
Uit deze gang van zaken leidt de kantonrechter af dat [partij B] feitelijk niet de mogelijkheid heeft gehad om de (werkzaamheden (aan de)) boeien en de loodslabben af te maken. Het is derhalve niet aan [partij B] te wijten dat deze werkzaamheden niet zijn afgemaakt en door de deskundige als gebrekkig zijn beoordeeld. Dat heeft tot gevolg dat de schadevergoeding die daarop gericht is dient te worden afgewezen.
De H-balk (onder 6.)
5.7.
Het staat vast dat [partij B] de verkeerde constructiebalk heeft geplaatst: een I-balk waar een H-balk geplaatst had moeten worden. [partij B] heeft hier verder geen verweer tegen gevoerd en bovendien erkend het gebrek te zullen herstellen, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat [partij B] verantwoordelijk is voor (het herstel van) dat gebrek.
5.8.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [partij B] ten aanzien van het herstel van de gebreken in verzuim is. Overeenkomstig artikel 6:74 lid 2 BW kan kortgezegd slechts schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie worden gevorderd, wanneer de schuldenaar ([partij B]) in verzuim verkeert. De ratio daarachter is dat de schuldenaar eerst de mogelijkheid moet krijgen om zijn tekortkoming te herstellen, voordat hij schadevergoeding moet betalen.
5.9.
De kantonrechter oordeelt dat [partij B] in verzuim verkeert. Dit gebrek leent zich, onder deze omstandigheden, niet voor herstel (althans niet door [partij B], aangezien hij ter zitting heeft verklaard te zullen stoppen met zijn bedrijf). Gelet op het opgezegde vertrouwen in [partij B] in samenhang met de omzettingsverklaring in de brief van 19 maart 2024, zal de schadevergoeding die ziet op het vervangen van de balk worden toegewezen.
5.10.
Voor de omvang van deze schadevergoeding sluit de kantonrechter aan bij de offerte van [bedrijf 2] van 29 april 2024 (productie 17 bij de dagvaarding), aangezien deze offerte het meest concreet en specifiek onderbouwd is. De kantonrechter vindt toewijzing van de volgende schadeposten redelijk:
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
5.11.
Uit bovenstaande schadeposten blijkt dat de herstelkosten voor het vervangen van de balk (€ 678,81 + € 659,74 + € 2.001,65 =) € 3.340,20 exclusief btw bedragen. Dat komt neer op een toewijsbaar bedrag van € 4.041,64 inclusief btw.
5.12.
Verder hebben [partij A] betaling gevorderd van kosten (€ 3.098,02) die zij zelf gemaakt zouden hebben voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden. Dit bedrag komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat [partij A] dit bedrag onvoldoende hebben onderbouwd. Daartoe hebben zij enkel een verklaring van henzelf ingebracht met een berekening, maar dat is tegenover de betwisting door [partij B] onvoldoende. De kantonrechter wijst deze vordering van [partij A] af.
Kosten deskundigenonderzoek
5.13.
De door [partij A] gevorderde kosten voor het deskundigenonderzoek zijn gemaakt ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en zijn daarom aan te merken als vermogensschade in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Hoewel het deskundigenrapport grotendeels dezelfde gebreken constateert als in de brief van 7 november 2023 genoemd, heeft de deskundige ook geconstateerd dat de verkeerde balk is geplaatst. Hiervoor is reeds geoordeeld dat [partij B] verantwoordelijk is voor het herstel daarvan, zodat de deskundigenkosten in redelijkheid zijn gemaakt. Verder heeft [partij B] ook geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen deze kosten. Daarom wordt het gevorderde bedrag van € 3.146,- inclusief btw toegewezen.
in reconventie
5.14.
[partij B] vordert in reconventie dat [partij A] worden veroordeeld tot betaling van de laatste factuur van 20 juni 2023 van € 1.359,-. Op de factuur staan de volgende posten:
[Afbeelding]
5.15.
[partij A] hebben de omvang en verschuldigdheid van de factuur niet inhoudelijk betwist, zodat de vordering tot betaling van de factuur in beginsel voor toewijzing gereed ligt.
in conventie en in reconventie
Verrekening, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten
5.16.
De kantonrechter zal de vordering tot schadevergoeding in conventie verrekenen met de vordering tot betaling van de factuur in reconventie. Dat heeft tot gevolg dat de vordering tot schadevergoeding in conventie ter hoogte van € 4.041,64 wordt verminderd met het aan [partij B] toekomende factuurbedrag van € 1.359,-. De vordering in conventie van [partij A] wordt als gevolg daarvan toegewezen voor een bedrag van € 2.682,64. De vordering in reconventie zal worden afgewezen, nu [partij B] zijn vordering tot betaling van de factuur middels verrekening vergoed heeft gekregen.
5.17.
[partij A] hebben in conventie na verrekening met de vordering in reconventie nog recht op een hoofdsom van € 2.682,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2024, zoals door [partij A] gevorderd. [partij B] heeft geen afzonderlijk verweer tegen de wettelijke rente gevoerd. De kantonrechter wijst de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toe als hierna te melden.
5.18.
[partij A] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [partij A] hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [partij A] hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Gelet op de hoogte van de toegewezen hoofdsom na verrekening met de onbetaalde factuur (vermeerderd met de toegewezen kosten voor het deskundigenrapport) wordt, conform de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit en die geacht worden redelijk te zijn, een bedrag van € 666,43 toegewezen.
5.19.
De door [partij B] in reconventie gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten komen niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien er voor [partij B] na verrekening geen vordering meer resteert.
5.20.
Omdat beide partijen zowel in conventie als in reconventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 2.682,64 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 3.146,- voor de kosten van het deskundigenonderzoek,
6.3.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 666,43 aan buitengerechtelijke kosten,
in conventie en in reconventie
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.S. Kuipers op 17 maart 2026.
In de Whatsappcorrespondentie zijn de berichten van “[partij A 1] Van [partij A 2]” afkomstig van [partij A 1]. De berichten van “Xxxx” zijn afkomstig van [partij B].
In de brief van 28 maart 2024 van zijn gemachtigde (rechtsoverweging 3.21). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|