Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGAACMB:2026:10 
 
Datum uitspraak:09-03-2026
Datum gepubliceerd:23-03-2026
Instantie:Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zaaknummers:AUA202501244
Rechtsgebied:Ambtenarenrecht
Indicatie:Eervol ontslag. Verweerder heeft klager mogen ontslaan op grond van ongeschiktheid. Bezwaar ongegrond.
Trefwoorden:terbeschikkingstelling
 
Uitspraak
Uitspraak van 9 maart 2026
GAZA nr. AUA202501244

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:



[Klager],
wonend in Aruba,
KLAGER,
procederend in persoon,

tegen:



DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).




INLEIDING

1.1
Verweerder heeft bij landsbesluit van 20 maart 2025 (hierna: het bestreden ontslagbesluit) besloten om aan klager met ingang van 1 april 2025 eervol ontslag uit overheidsdienst te verlenen.


1.2
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager, dat is gericht tegen het ontslagbesluit en op 29 april 2025 bij het gerecht is ingediend.


1.3
Verweerder heeft op 18 september 2025 een contramemorie met producties ingediend.


1.4
Klager heeft op 23 oktober 2025 en 31 oktober 2025 aanvullende stukken ingediend.


1.5
Het gerecht heeft het bezwaar behandeld ter zitting van 10 november 2025. Klager is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.



1.6
Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van 15 december 2025 voor het nemen van een akte-uitlating zijdens klager.


1.7
Klager heeft bij akte van 15 december 2025 zijn reactie ingediend.


1.8
Hierna is de uitspraak bepaald op heden.




BEOORDELING

2.1
Het gerecht is van oordeel dat verweerder heeft mogen besluiten om klager wegens ongeschiktheid eervol ontslag te verlenen. Het bezwaar van klager dient dan ook ongegrond te worden verklaard.



2.2
Het gerecht zal hierna dit oordeel nader toelichten.


Wat is relevant om te weten?



3.1
Klager is ambtenaar. Klager was tot de verzelfstandiging in 2003 van het telecommunicatiebedrijf SETAR daar tewerkgesteld. Klager werkte er als personeelsconsulent in de rang van hoofdcommies (schaal 10). In 2002 is het Protocol Sociaal Statuut Setar (hierna: het Protocol) overeengekomen in het kader van de verzelfstandiging van SETAR. Klager heeft ervoor gekozen om niet in dienst te blijven van SETAR. Klager is een periode ter beschikking gesteld aan SETAR N.V. Deze terbeschikkingstelling is met ingang van 11 oktober 2003 beëindigd. Met ingang van 1 december 2003 is klager geplaatst bij de griffie van het gerecht als personeelsfunctionaris. In november 2005 is deze tijdelijke plaatsing met wederzijds goedvinden beëindigd. Klager werd vervolgens op non-actief gesteld. Met ingang van 27 november 2017 is klager ter beschikking gesteld aan het bureau van de minister van Onderwijs, Wetenschap en Duurzame Ontwikkeling voor de duur van het kabinet Wever-Croes. Deze terbeschikkingstelling heeft tot 20 september 2021 geduurd. Klager is sindsdien wederom non-actief tot heden.



3.2
Bij circulaire van 14 december 2022 heeft de overheid haar beleid ter zake de re-integratie van non-actieven bekend gemaakt. Het re-activeringstraject van klager is met ingang van 17 februari 2023 van start gegaan. Klager meent dat het Protocol op hem van toepassing is en dat hem een gelijkwaardige of passende functie op minimaal het niveau van schaal 12 dient te worden aangeboden, gelijk aan de functie die hij bij SETAR heeft bekleed. Klager heeft diverse juridische procedures hieromtrent lopen. Op 7 december 2023 heeft de minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidsorganisatie, Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening (hierna: de minister) klager bericht dat de begeleiding in het kader van bovengenoemde re-integratietraject zal worden beëindigd en dat klager tot 17 februari 2024 de tijd heeft om zelf een functie binnen of buiten de overheid te vinden conform de voorwaarden van het re-activeringstraject. In een uitspraak van het gerecht van 1 juli 2024 (Gaza nr. AUA202301901) heeft het gerecht een oordeel gegeven over de toepasselijkheid van het Protocol op klager. Het gerecht heeft geoordeeld dat aan klager geen gelijkwaardige functie maar wel een passende functie is aangeboden in 2003 (plaatsing bij de griffie) en dat de verplichting van het Land op grond van het Protocol tot een einde is gekomen. Tegen deze uitspraak heeft klager hoger beroep ingesteld. Het gerecht heeft vervolgens bij uitspraak van 23 december 2024 (Gaza nr. AUA202400298) het bezwaar van klager tegen de beëindiging van de begeleiding in het kader van het re-integratietraject ongegrond verklaard. Daarbij heeft het gerecht overwogen dat klager geen recht heeft op een schaal 12-functie, maar wel recht had op actieve begeleiding (door het DRH) naar een passende functie. Ook heeft het gerecht geoordeeld dat de actieve begeleiding van klager terecht is beëindigd omdat het zinloos is om iemand te begeleiden die niet begeleid wenst te worden. Aan klager zijn passende functies aangeboden, welke hij telkens naast zich neer heeft gelegd. Klager heeft ook tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (de Raad) van 3 december 2025 (ECLI:NL:ORBAACM:2025:36) heeft de Raad uitspraak gedaan in onder meer bovengenoemde hoger beroepen van klager en geoordeeld dat de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken niet slagen. De aangevallen uitspraken zijn in stand gebleven en de Raad heeft de uitspraken dan ook bevestigd.



3.3
Bij het bestreden ontslagbesluit heeft verweerder aan klager met ingang van 1 april 2025 eervol ontslag uit overheidsdienst verleend wegens ongeschiktheid.


Wat is het standpunt van klager?



4.1
Klager stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat het bestreden ontslagbesluit onrechtmatig is en onzorgvuldig tot stand is gekomen en berust op onjuiste en onvolledige gegevens. Volgens klager is het Protocol nog steeds op hem van toepassing en heeft hij recht op plaatsing in een gelijkwaardige functie met een waardering en uitloopmogelijkheid tot schaal 12. Hij voert aan dat hij nimmer heeft ingestemd met het re-integratietraject en dat de begeleiding in dat kader niet had mogen worden beëindigd. Voorts stelt klager dat het ontslagbesluit in strijd is met zijn fundamentele rechten als ambtenaar en dat het besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Ter zitting heeft klager daarnaast aangevoerd dat de uitspraak van het gerecht in zijn verzoek om een voorziening bij voorraad (Gaza nr. AUA202501245) logica en redelijkheid ontbeert en dat daarin geen redelijke en evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Klager betoogt verder dat verweerder het ontslag niet heeft toegepast als uiterste maatregel, maar als middel om zich te onttrekken aan de uitvoering van het Protocol. Volgens vaste jurisprudentie mag ontslag slechts worden toegepast als ultimum remedium. Ten slotte voert klager aan dat niet is voldaan aan het vereiste van hoor en wederhoor. Volgens klager betreft dit een aangelegenheid van de gouverneur en de betrokken minister, en niet van het DRH.



4.2
Bij akte van 15 december 2025 heeft klager zich, op verzoek van het gerecht, uitgelaten naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 3 december 2025. In die reactie voert klager – kort samengevat – aan dat de uitspraak van de Raad geen oordeel bevat over de rechtmatigheid van het bestreden ontslagbesluit, noch over de vraag of het ontslag als ultimum remedium gerechtvaardigd was, noch over de naleving van het beginsel van hoor en wederhoor en de op verweerder rustende zorgplicht. Volgens klager kan die uitspraak daarom niet zonder meer dragend zijn voor de beoordeling van het ontslagbesluit in de onderhavige zaak.


Wat zegt verweerder?

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het ongeschiktheidsontslag terecht aan klager is verleend en dat daarbij aan alle wettelijke vereisten is voldaan. Aan klager is in de periode van 17 februari 2023 tot 17 februari 2024 een begeleidings- en re-integratietraject aangeboden en met hem doorlopen. Tijdens dit traject heeft klager volhard in zijn standpunt dat het Protocol op hem van toepassing is. Volgens verweerder heeft klager zich niet ingespannen om een passende functie te verkrijgen en heeft hij de aan hem aangeboden passende functies herhaaldelijk geweigerd, ondanks dat hij uitdrukkelijk is gewezen op de mogelijke gevolgen van die weigering. Verweerder heeft daarom besloten klager, conform de circulaire van 14 december 2022 en wegens ongeschiktheid, eervol ontslag te verlenen op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma). Volgens verweerder zijn met het verlenen van het eervol ontslag geen fundamentele rechten van klager geschonden. In de door klager aangevoerde gronden ziet verweerder ook geen aanleiding het bestreden ontslagbesluit te herroepen. Ter zitting heeft verweerder voorts aangevoerd dat het vereiste van hoor en wederhoor in dit geval niet is geschonden. Klager is gedurende het gehele re-integratietraject gehoord en begeleid. In de circulaire inzake het re-integratieproces is uitdrukkelijk opgenomen dat ontslag kan volgen indien herplaatsing niet mogelijk is. Dit is volgens verweerder meerdere malen met klager besproken. In het ontslagbesluit is het verloop van het traject stapsgewijs en gemotiveerd uiteengezet. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat aan alle voorwaarden voor ontslag is voldaan en dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard.


Wat zegt de wet?

6. Ingevolge artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) kan de ambtenaar, buiten de gevallen hiervoor of bij andere wettelijke regelingen bepaald, slechts worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.


Wat vindt het gerecht?



7.1
Aan het bestreden ontslagbesluit ligt ten grondslag dat klager ongeschikt is voor het ambt als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma). Verweerder heeft daarbij verwezen naar de hiervoor besproken feiten en omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient verweerder de ongeschiktheid voor het vervullen van een ambt aannemelijk te maken. Ongeschiktheid kan zich uiten in het ontbreken van de voor een goede functievervulling vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling, en moet worden onderbouwd aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.



7.2
Vaststaat dat klager gedurende een zeer lange periode non-actief is geweest. In het kader van de op hem van toepassing zijnde circulaire inzake de re-integratie van non-actieve ambtenaren is hij begeleid en zijn hem meerdere functies aangeboden met een waardering tussen schaal 9 en schaal 11. Klager heeft deze functies geweigerd, omdat hij uitsluitend bereid was een functie te aanvaarden met een waardering van minimaal schaal 12. Hij betoogt dat hij nimmer heeft ingestemd met het re-integratietraject zoals vastgelegd in de circulaire van 14 december 2022, zodat – zo begrijpt het gerecht – de gevolgen van dit beleid volgens hem niet op hem van toepassing zijn. Dit betoog slaagt niet. Het gerecht heeft in zijn uitspraak van 1 juli 2024 (Gaza nr. AUA202301901) reeds geoordeeld dat klager onder het toepassingsbereik van genoemde circulaire valt, nu hij behoort tot de categorie ambtenaren die langer dan drie maanden geen werkzaamheden verrichten, maar wel een bezoldiging ontvangen. Klager was derhalve niet vrijgesteld van dienst in de zin van de circulaire van 14 december 2022. Bij uitspraak van de Raad van 3 december 2025 is dit oordeel bevestigd. Tevens heeft de Raad geoordeeld dat het Protocol niet (meer) op klager van toepassing is, dat hij daaraan geen recht kan ontlenen op plaatsing in een functie met schaal 12, en dat hij gehouden was zich te houden aan de re-integratieverplichtingen zoals opgenomen in de circulaire. De Raad heeft daarbij vastgesteld dat klager zich door het weigeren van passende functies niet bemiddelbaar heeft opgesteld. Het gerecht neemt deze oordelen van de Raad dan ook als uitgangspunt in de beoordeling van het onderhavige bezwaar. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat klager, door vast te houden aan een niet bestaande aanspraak en het weigeren van passende functies, zich duurzaam onbemiddelbaar heeft gemaakt en daardoor ontbreekt een reëel vooruitzicht op een daadwerkelijke plaatsing van klager binnen het ambtelijke apparaat.



7.3
Ten aanzien van de beëindiging van de begeleiding overweegt het gerecht als volgt.
Uit de circulaire van 14 december 2022 volgt dat indien het re-integratietraject niet leidt tot herplaatsing binnen de overheid, ontslag wegens ongeschiktheid kan volgen. Dit uitgangspunt is ook aan het bestreden ontslagbesluit neergelegd. Vaststaat dat de begeleiding van klager bij beschikking van 7 december 2023 is beëindigd en dat het re-integratietraject formeel liep tot 17 februari 2024. Klager is uitdrukkelijk gewezen op de verwachtingen die in het kader van het re-integratieproces golden en op de mogelijke gevolgen indien dit traject niet tot plaatsing zou leiden. Vaststaat voorts dat klager binnen de geboden termijn geen functie heeft verkregen. Daarbij heeft hij herhaaldelijk geweigerd aangeboden functies te aanvaarden en is hij blijven vasthouden aan een functie met een waardering en uitloopmogelijkheid tot schaal 12. Bij uitspraak van 23 december 2024 (Gaza nr. AUA202400298) heeft het gerecht geoordeeld dat de minister terecht en op goede gronden de actieve begeleiding van klager heeft beëindigd, nu bemiddeling geen zin heeft indien de ambtenaar niet bereid is aangeboden passende functies te aanvaarden. Dit oordeel is bij uitspraak van de Raad van 3 december 2025 ook bevestigd.



7.4
Klager heeft voorts aangevoerd dat bij het nemen van het ontslagbesluit geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Het gerecht overweegt dat op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, een bestuursorgaan gehouden is een belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens een voor hem nadelig besluit wordt genomen, tenzij zich een uitzondering voordoet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat klager gedurende het re-integratie- en begeleidingstraject herhaaldelijk is geïnformeerd over zijn positie, de toepasselijkheid van de circulaire van 14 december 2022, de aangeboden functies en de mogelijke consequenties van het weigeren daarvan. Eveneens is gebleken dat hij zijn standpunt kenbaar heeft kunnen maken en daarvan ook gebruik heeft gemaakt. Het voornemen tot beëindiging van de begeleiding en de mogelijke gevolgen daarvan zijn meerdere malen met hem besproken. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat klager niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is derhalve geen sprake.



7.5
De hiervoor geschetste gang van zaken en de gedragingen van klager gedurende het re-integratie- en begeleidingstraject maken duidelijk dat klager niet bereid was mee te werken aan zijn re-integratie binnen de kaders van het geldende beleid. Uit de vaststaande feiten blijkt dat klager gedurende een aanzienlijke periode actief is begeleid, dat hem meerdere passende functies zijn aangeboden en dat hij uitdrukkelijk is gewezen op de gevolgen van het weigeren daarvan. Niet is gebleken dat verweerder onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Evenmin is gebleken dat een lichtere maatregel tot een ander resultaat zou hebben kunnen leiden, nu klager heeft volhard in het weigeren van passende functies en in het vasthouden aan een aanspraak die rechtens niet bestaat.
Door desondanks te volharden in het weigeren van passende functies en vast te houden aan een niet bestaande aanspraak, heeft klager blijk gegeven niet te beschikken over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die van een ambtenaar mogen worden verwacht.
Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat sprake is van ongeschiktheid als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma. Het gerecht komt dan ook tot het oordeel dat verweerder tot het bestreden ontslagbesluit heeft kunnen komen.




CONCLUSIE
8. De slotsom is dat verweerder klager per 1 april 2025 heeft mogen ontslaan op grond van ongeschiktheid. Het bezwaar van klager zal daarom ongegrond worden verklaard.



BESLISSING
De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.


Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.












Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:


als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;


in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.



De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:


het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;


een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;


vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).



Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Link naar deze uitspraak