Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:1981 
 
Datum uitspraak:18-03-2026
Datum gepubliceerd:25-03-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE - 25 _ 2290 t/m 25 _ BRE - 25 _ 2290 t/m 25 _
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:IB/PVV 2018 t/m 2020, Zvw 2019 en 2020, omkering bewijslast, redelijke schatting
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
aanmerkelijk belang
belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
inkomstenbelasting
invorderingsrente
vennootschapsbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/2290 t/m 25/2295


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 maart 2026 in de zaken tussen




[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. J.P.R.C. Vos),

en



de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 17 april 2025 en 3 mei 2025.


1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de jaren 2019 en 2020 opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2018 en 2019 aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen genomen beschikkingen heeft de inspecteur belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen IB/PVV genomen beschikkingen boetes aan belanghebbende opgelegd. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:














Zaaknr.




Jaar




Soort




Dagtekening




Aanslagnummer




Belasting




Boete




Rente





25/2290


2018


IB/PVV


29-04-2024



[aanslagnummer] H.87.01


€ 112.494


€ 43.371


€ 20.667




25/2291


2019


IB/PVV


15-12-2023



[aanslagnummer] H.96.01


€ 62.165


€ 21.810


€ 2.886




25/2292


2019


IB/PVV


29-04-2024



[aanslagnummer] H.97.01


€ 69.927


€ 3.881


€ 1.327




25/2293


2019


Zvw


15-12-2023



[aanslagnummer] W.96.01.4


€ 2.999


-


€ 141




25/2294


2020


IB/PVV


26-04-2024



[aanslagnummer] H.06.01


€ 223.883


€ 111.552


€ 12.667




25/2295


2020


Zvw


26-04-2024



[aanslagnummer] W.06.01.4


€ 2.939


-


€ 166








1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020, de aanslagen Zvw 2019 en 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen ongegrond verklaard. Verder heeft de inspecteur de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 vernietigd en de boetes bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 verminderd tot de volgende bedragen:











Zaaknr.




Jaar




Soort




Aanslagnummer




Boete





25/2290


2018


IB/PVV



[aanslagnummer] H.87.01


€ 37.861




25/2291


2019


IB/PVV



[aanslagnummer] H.96.01


€ 20.929




25/2294


2020


IB/PVV



[aanslagnummer] H.06.01


€ 84.849








1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019, de bijbehorende belastingrentebeschikkingen en de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Ook beoordeelt de rechtbank of de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd en of de boetes bij deze aanslagen, zoals deze luiden na uitspraken op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.


2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende opgelegd. Ook de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en 2020 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende opgelegd. De boetes moeten wel worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten

3. Belanghebbende dreef in 2018 en 2019 een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] . De eenmanszaak is per 31 december 2019 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De ondernemingsactiviteiten bestonden uit het in- en verkopen van gebruikte personenauto’s en bemiddeling bij de in- en verkoop van auto’s.


3.1.
Belanghebbende is in 2019 en 2020 bestuurder en enig aandeelhouder van [B.V.] .



3.2.
De opsporingsdiensten hebben onder de codenaam ‘ [codenaam 1] ’ onderzoek verricht naar de encryptie van chatdienst Encrochat. Door middel van deze chatdienst konden berichten onder encryptie worden verstuurd. De opsporingsdiensten konden in de periode 26 maart 2020 tot en met 14 juni 2020 meelezen met de berichten die via Encrochat werden verstuurd. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van deze chatdienst.



3.3.
Door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en de Politie is medio 2017 een strafrechtelijk onderzoek onder de codenaam ‘ [codenaam 2] ’ ingesteld naar belanghebbende vanwege (onder meer) het vermoeden van handel in verdovende middelen. De bevindingen uit het onderzoek ‘ [codenaam 1] ’ zijn ook gebruikt in het kader van het onderzoek ‘ [codenaam 2] ’.



3.4.
De bevindingen van het onderzoek ‘ [codenaam 2] ’ zijn vastgelegd in een groot aantal processen-verbaal. De inspecteur heeft op 15 juni 2021 een verzoek gedaan aan de Officier van Justitie op grond van artikel 55 AWR tot verstrekking van de gegevens.



3.5.
De inspecteur heeft op 20 juli 2021 een aantal gegevens ontvangen van de Officier van Justitie. Op 9 augustus 2022 zijn de processen-verbaal uit het strafrechtelijk onderzoek ‘ [codenaam 2] ’ aan de inspecteur verstrekt.



3.6.
De inspecteur is naar aanleiding van de verkrijging van de gegevens uit het onderzoek ‘ [codenaam 2] ’ bij belanghebbende een boekenonderzoek gestart naar (onder meer) de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019. De inspecteur heeft het onderzoek later uitgebreid naar de aangifte IB/PVV 2020.



3.7.
De inspecteur heeft bij brief van 19 oktober 2023 belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om vergrijpboetes op te leggen.



3.8.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 28 maart 2024. In het rapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:





“3.2 Bevindingen strafrechtelijk onderzoek

3.2.1

Hennep


Uit het strafrechtelijke onderzoek met de naam [codenaam 2] is het ernstige vermoeden dat belastingplichtige middels een crimineel samenwerkingsverband gehandeld heeft in hennep en daarmee dus inkomsten heeft gegenereerd.”


En:


3.2.1.2 Contante geldstroom


In de processen verbaal [nummer 1] tot en met [nummer 2] , is te lezen hoe de geldstroom betreffende de hennephandel verliep in de periode 26 maart 2020 tot en met 14 juni 2020.


In deze processen verbaal is te lezen dat belastingplichtige een persoon met de naam [naam 1] aanstuurde om contant geld te brengen voor het betalen van belastingplichtige leverancier van hennep en voor het ophalen van contant geld bij zijn afnemers. Dit deed belastingplichtig door het sturen van berichten middels Encrochat.



Hieronder is een voorbeeld hiervan opgenomen.


Uit onderzoek van de Fiod ( [pv-nummer 2] ) is vast komen te staan dat belastingplichtige van (tenminste) twee Encrochat accounts gebruik maakte onder de namen ' [account 1] ' en later ' [account 2] '. Ook is vast komen te staan dat de heer [naam 1] gebruik maakte van het account met de naam ' [account 3] '.


(…)


De Fiod heeft aan de hand van camerabeelden en een doorzoeking (24-6-2020) op het adres



[adres] , woonadres van [naam 1] vastgesteld dat [naam 1] een kluis bewaarde in een berging achter zijn woning. In deze kluis is € 75.805 contant geld aangetroffen. Dit geldbedrag is door de Fiod in beslag genomen.




[naam 1] stuurde middels encrochat afbeeldingen van handgeschreven berekeningen aan belastingplichtige. Vermoedelijk betreft deze berekeningen het saldo contant geld wat bij [naam 1] in de kluis lag, hieronder is een voorbeeld opgenomen van een handgeschreven berekening.


(…)


Volgens onze analyse is er in de periode 30 maart 2020 tot en met 10 juni 2020 in totaal € 1.235.465 contant geld ontvangen met tussenkomst van [naam 1] .


(…)


Volgens onze analyse is er in de periode 30 maart 2020 tot en met 10 juni 2020 in totaal € 277.795 contant geld afgegeven met tussenkomst van [naam 1] .



De door ons opgestelde analyse geeft geen compleet beeld van de in- en uitgaande bedragen betreffende deze periode, het saldo zoals door [naam 1] wordt gecommuniceerd met belastingplichtige sluit niet altijd aan met de ontsleutelde berichten, er ontbreken transacties. Echter staat wel vast dat het om een aanzienlijke contante geldstroom gaat.”


En:


3.2.1.4 Wederrechtelijk verkregen voordeel


In het proces verbaal [pv-nummer 1] dd 5 april 2022 is door de Fiod een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel (middels een kasopstelling) berekend van € 623.833,80 voor de periode 1 juli 2019 tot en met 6 oktober 2020. Voor een specificatie verwijzen wij naar [kasopstelling] .



De kasopstelling ( [kasopstelling] ) geeft per 31 december 2019 een negatief saldo weer van € 283.324,23. Op 24 juni 2020 geeft de kasopstelling een negatief saldo van € 599.433,80. Volgens het proces verbaal heeft belastingplichtige per saldo een bedrag van € 24.400 giraal overgeboekt gekregen van [B.V.] (belastingplichtige is bestuurder en 100% aandeelhouder van deze besloten vennootschap) in de periode 1 juli 2019 tot en met 6 oktober 2020. (€ 599.433,80 + € 24.400 = € 623.833,80).”


En:


3.2.1.5 Kosten (inkoop) hennep


In proces verbaal [nummer 3] is beschreven dat belastingplichtige waarschijnlijk twee hennep oogsten heeft ingekocht bij [naam 2] . De inkoop voor deze twee oogsten bedroeg € 131.760 en € 136.695, totaal € 268.455.”


En:


4 Vermogensvergelijking


We hebben een vermogensvergelijking voor de jaren 2017 tot en met 2020 opgesteld voor belastingplichtige en zijn gezin (6 personen). In deze berekening zijn de bekende inkomsten en uitgaven gerubriceerd, aangevuld met financiële en fiscale informatie onder andere uit het strafrechtelijk onderzoek.”


En:


4.2 Looninkomsten


Conform de belastingdienst systemen bedraagt het loon van belastingplichtige in het jaar 2018 € 58.202, in de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2018 is loon aangegeven voor een bedrag van € 31.301. Verschil € 26.901 minder aangegeven loon wordt gecorrigeerd.



Daarnaast blijkt uit bankmutaties (afkomstig uit het strafrechtelijk onderzoek) dat belastingplichtige in het jaar 2019 € 15.000 en in het jaar 2020 € 20.000 "voorschot loon" uitbetaald heeft gekregen van [B.V.] . Belastingplichtige was bestuurder en 100% aandeelhouder van deze besloten vennootschap. Over dit loon is geen loonheffing afgedragen door de besloten vennootschap. Dit ontvangen loon (€ 15.000 en € 20.000) heeft belastingplichtige niet aangegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2019 en 2020. Dit ontvangen loon is als netto inkomsten meegenomen in de vermogensvergelijking.”


En:


4.5 Conclusie vermogensvergelijking


Uit de vermogensvergelijking blijkt een negatief netto privé van respectievelijk 2017: € 143.270, 2018: € 181.373, 2019 € 123.237 en 2020: € 443.629. Zie berekeningen hieronder.


(…)








Uit de door ons opgestelde privé vermogensvergelijking blijkt dat er meer inkomsten moeten zijn geweest in de gecontroleerde jaren. De vermogensvergelijking maakt duidelijk dat er meer geld moet zijn uitgegeven dan er volgens officiële bronnen is binnengekomen.


De contante uitgaven ad € 6.652.352,36 afkomstig uit tapgesprekken/OVC gesprekken, zoals eerder vermeld in dir rapport, zijn niet meegenomen in de vermogensvergelijking. Indien deze meegenomen waren, zou het netto privé voor 2019 uitkomen op een negatief bedrag van € 6.674.214 en voor 2020 zou het negatief netto privé € 462.538 bedragen. Derhalve zijn de uitkomsten van de door ons opgestelde vermogensvergelijking een minimum positie.”



2018



3.9.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.579. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2018 conform de ingediende aangifte vastgesteld.



3.10.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2018 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 232.853, bestaande uit het eerder aangegeven inkomen van € 24.579, een looncorrectie van € 26.901 en een correctie resultaat uit overige werkzaamheid (ROW-correctie) van € 181.373.


2019



3.11.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € -/- 1.976 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 36.250.



3.12.
Naar aanleiding van de voorlopige bevindingen uit het boekenonderzoek heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.261, bestaande uit het aangegeven inkomen van € ‑/‑ 1.976 en een ROW-correctie van € 123.237, en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 36.250.



3.13.
Naar aanleiding van de bevindingen in het definitieve controlerapport heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2019 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 136.261, bestaande uit het aangegeven inkomen van € -/- 1.976, een ROW-correctie van € 123.237 en een looncorrectie van € 15.000, en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 36.250.


2020



3.14.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.296 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.605.



3.15.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020, in afwijking van de aangifte, aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 466.925, bestaande uit het aangegeven inkomen van € 3.296 en een ROW-correctie van € 463.629, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.605.




Motivering


(Navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2018, 2019 en 2020



Nieuw feit

4. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de inspecteur voor het jaar 2019 niet beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Subsidiaire standpunten zijn niet ingenomen op dit punt. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikking daarom vernietigen. De boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 is al vernietigd bij uitspraak op bezwaar.


4.1.
Partijen houdt dan nog verdeeld of de inspecteur voor het jaar 2018 ten aanzien van de ROW-correctie beschikt over een nieuw feit dat de navordering rechtvaardigt. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ruim voor het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 bekend was of bekend had moeten zijn met de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende. De inspecteur betwist dat.



4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank vormt de informatie over belanghebbende die de inspecteur op basis van het artikel 55 AWR-verzoek heeft ontvangen een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De inspecteur heeft deze gegevens pas na het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2018 op 20 februari 2020, ontvangen. Ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2018 was het strafrechtelijk onderzoek nog gaande. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de inspecteur al eerder, ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2018, over gegevens uit het strafrechtelijke onderzoek naar belanghebbende beschikte of kon beschikken. Dat betekent dat de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank voor 2018 beschikt over een nieuw feit en bevoegd heeft nagevorderd.


Omkering en verzwaring bewijslast



4.3.
Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op de bezwaren onjuist zijn (omkering en verzwaring van de bewijslast).



4.4.
Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.



4.5.
De inspecteur heeft op basis van de aan hem gerenseigneerde gegevens geconstateerd dat belanghebbende in 2018 € 26.901 meer loon heeft ontvangen dan hij heeft aangegeven in zijn aangifte IB/PVV 2018. Verder stelt de inspecteur zich op grond van een door hem opgestelde vermogensvergelijking op het standpunt dat belanghebbende € 181.373 (2018), € 123.237 (2019) respectievelijk € 443.629 (2020) meer aan inkomsten moet hebben genoten dan is aangegeven in zijn aangiften IB/PVV 2018, 2019 en 2020. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende veel meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Belanghebbende heeft dus inkomen gehad en heeft dat inkomen niet aangegeven. Daarbij stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.



4.6.
De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. Belanghebbende heeft de looncorrectie over het jaar 2018 als zodanig niet betwist, zodat de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende in 2018 inderdaad € 26.901 meer loon heeft genoten dan hij heeft aangegeven. Verder kan een vermogensvergelijking een geschikte methode zijn om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven inkomen is. Indien een adequaat opgestelde vermogensvergelijking erin resulteert dat er sprake is van een negatief netto privé, betekent dat immers dat er nog een andere bron moet zijn die een verklaring vormt voor het ter beschikking hebben van deze gelden waar iemand de beschikking over moet hebben gehad. Een negatief netto privé is namelijk uit de aard van de zaak niet mogelijk; belanghebbende beschikt dan over meer geld dan waarover hij zou moeten kunnen beschikken als zijn belastingaangiften zouden kloppen. Indien er geen andere plausibele bron is, is als uitgangspunt aannemelijk dat werkzaamheden zijn verricht waarmee inkomen is verdiend en dat inkomen niet is opgegeven. De vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. De vermogensvergelijking is zeer gedetailleerd en aan de in de vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen steeds concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende significant meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangiften IB/PVV 2018, 2019 en 2020 heeft aangegeven.



4.7.
Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vermogensvergelijking op zichzelf niet betwist. Namens belanghebbende is ter zitting aangegeven dat de beginsaldi wel kloppen, maar dat er ook een aantal mutaties, zoals de verkoop van een pand met winst, niet zijn meegenomen. Belanghebbende geeft zelf aan dat hij dit niet kan onderbouwen omdat hij niet meer over de administratie beschikt. Door het ontbreken van die administratie kan de rechtbank de stellingen van belanghebbende niet controleren. Dat betekent dat de rechtbank belanghebbende – tegenover de gemotiveerde bevindingen van de inspecteur – niet kan volgen in de enkele stelling dat er bepaalde mutaties hebben plaatsgevonden die ontbreken in de vermogensvergelijking.



4.8.
Belanghebbende heeft verder nog aangevoerd dat de kasopstelling van de FIOD voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen vermogen op lagere bedragen uitkomt en dat – zo begrijpt de rechtbank belanghebbende – deze kasopstelling moet worden gevolgd en niet de vermogensvergelijking van de inspecteur. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet. De kasopstelling van de FIOD is minder uitgebreid dan de vermogensvergelijking van de inspecteur en opgesteld voor een ander doel. De vermogensvergelijking van de inspecteur is opgesteld om een totaal beeld van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en zijn gezin te krijgen en richt zich dus niet specifiek en alleen op het niet aangeven van voordeel uit mogelijk hennephandel.



4.9.
Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over het onverklaarde geld dat volgt uit de vermogensvergelijking van de inspecteur, het negatief netto privé. Het is niet aan de inspecteur om te bewijzen uit exact welke bron – was het hennephandel of niet - deze gelden afkomstig zijn. Het is voldoende dat de inspecteur aannemelijk maakt, wat naar het oordeel van de rechtbank zo is, dat belanghebbende deze gelden verdiend heeft en niet heeft opgegeven bij de Belastingdienst. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende in 2018, 2019 en 2020 belastbare inkomsten heeft genoten ter grootte van het negatief netto privé van € 181.373 (2018), € 123.237 (2019) respectievelijk € 443.629 (2020).



4.10.
Het niet aangeven van inkomsten heeft ertoe geleid dat de volgens de aangiften IB/PVV 2018, 2019 en 2020 verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangiften niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van het negatief netto privé zonder dat daar in de aangiften inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust was van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard en dat acht de rechtbank ook aangewezen. Dat geldt voor zowel de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 als de aanslagen Zvw 2019 en 2020.


Redelijk schatting



4.11.
Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2018, 2019 en 2020 onjuist zijn.



4.12.
De rechtbank acht de schattingen van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft de berekening van het belastbare inkomen voor de jaren 2018, 2019 en 2020 gebaseerd op aan hem gerenseigneerde gegevens en de vermogensvergelijking. Die vermogensvergelijking is voldoende onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens om als redelijk en niet willekeurig te worden aangemerkt.



4.13.
Belanghebbende stelt dat ten onrechte alle inkomsten alleen aan hem worden toegerekend en dat geen rekening wordt gehouden met gemaakte kosten. Daarbij miskent belanghebbende echter dat de schatting van de inspecteur is gebaseerd op de gedetailleerde vermogensvergelijking en niet alleen op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit, zo begrijpt de rechtbank, de vermeende hennephandel. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting gemaakt door de inspecteur van het door belanghebbende niet opgegeven inkomen, redelijk.



4.14.
Belanghebbende stelt verder dat het inkomen moet worden aangemerkt als winst uit onderneming. Als gevolg van de omkering en verzwaring van de bewijslast rust op belanghebbende de last om te doen blijken dat de inkomsten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming en daarmee de aanslag te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft geen onderbouwing gegeven met concrete verifieerbare stukken voor zijn stelling dat de aanslagen te hoog zijn. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat belanghebbende niet voldoet aan de in dit kader op hem rustende bewijslast en de inspecteur de inkomsten terecht heeft aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid.



4.15.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de looncorrectie voor het jaar 2018 en de ROW-correcties voor de jaren 2018, 2019 en 2020 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslag IB/PVV en over jaar 2018 en de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en 2020 blijven daarom in stand.


Belastingrente

5. Belanghebbende stelt dat aan hem teveel belastingrente in rekening is gebracht bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2018, 2019 en 2020. Belanghebbende voert aan dat het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 over de belastingrente voor de vennootschapsbelasting naar analogie moet worden toegepast op het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting. Volgens belanghebbende is het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting van 4%, als dat ‘netto’ voor de ondernemer bekeken wordt, gelijk aan het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting van 8%. Daarom geldt dit arrest van de Hoge Raad ook voor de belastingrente voor de inkomstenbelasting.



5.1.
De rechtbank verwerpt het betoog van belanghebbende. Vast staat dat de belastingrente conform de wettelijke bepalingen is berekend en in rekening is gebracht. Uit de overwegingen 4.11.3 tot en met 4.11.6 van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 volgt juist dat het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting dat aan belanghebbende in rekening is gebracht, voor zover de rechter dat kan toetsen, niet in strijd is met enig beginsel. De rechtbank laat de belastingrentebeschikkingen daarom in stand.


Boetes

6. Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB/PVV 2018 tot een te laag bedrag is vastgesteld.



6.1.
Verder zijn aan belanghebbende bij de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 vergrijpboetes opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67d van de AWR en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften IB/PVV 2019 en 2020 gedaan.



6.2.
De inspecteur heeft de boetes bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 37.861 (2018), € 20.929 (2019) respectievelijk € 84.849 (2020). Daarbij heeft de inspecteur het boetepercentage verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting.



6.3.
De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende de aanslag IB/PVV 2018 tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat belanghebbende onjuiste aangiften IB/PVV 2019 en 2020 heeft gedaan.



6.4.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).



6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het (minst genomen) aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de aanslag IB/PVV 2018 tot een te laag bedrag is vastgesteld en de aangiften IB/PVV 2019 en 2020 onjuist zijn gedaan. Belanghebbende heeft in 2018, 2019 en 2020 aanmerkelijk veel meer geld uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden en heeft daarvoor geen verklaring gegeven. De rechtbank concludeert daarom dat belanghebbende bewust significant inkomen buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moet worden aangegeven. De inspecteur heeft de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.



6.6.
Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om de boetes te matigen in verband met zijn slechte financiële omstandigheden. Belanghebbende stelt dat hij op dit moment geen vermogen of inkomen heeft en ook in de toekomst niet in staat zal zijn dit te verwerven vanwege zijn ernstige ziekte. De inspecteur heeft deze stelling bij gebrek aan wetenschap betwist. Aangezien belanghebbende daartegenover geen onderbouwing heeft gegeven van zijn stellingen in dit kader, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in dermate slechte persoonlijke en financiële omstandigheden verkeert of heeft verkeerd dat dit moet leiden tot matiging van de boetes.



6.7.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank boetes van € 37.861 (2018), € 20.929 (2019) respectievelijk € 84.849 (2020) passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de inspecteur de boete reeds heeft verminderd met 10% omdat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat acht de rechtbank voldoende omdat de boetegrondslag voor 2018, 2019 en 2020 hoewel gebaseerd op een schatting van het niet opgegeven inkomen, dit geschatte inkomen zeer gedetailleerd berekend is met concrete en verifieerbare gegevens.



6.8.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank wel aanleiding om de boetes verder te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 19 oktober 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat belanghebbende op die datum in kennis is gesteld van het voornemen van de inspecteur om boetes op te leggen. De rechtbank doet uitspraak op 18 maart 2026. Sinds de aankondiging van de boetes is dan (afgerond) twee jaar en vijf maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met vijf maanden. De boetes worden daarom verder gematigd met 5% tot € 35.967 (2018), € 19.882 (2019) en € 80.606.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep dat ziet op de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikking is gegrond (zaaknummer 25/2292). De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de belastingrentebeschikking vernietigen.

7.1.
De beroepen zijn voor het overige ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2018, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. In verband met undue delay wordt de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 verminderd tot € 35.967, de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 tot € 19.882 en de boete bij de aanslag IB/PVV 2020 tot € 80.606.



7.2.
Omdat het beroep met zaaknummer 25/2292 gegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht van € 53 terug en hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskostenvergoeding wordt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. De rechtbank stelt de vergoeding van de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting, met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1). Belanghebbende heeft geen recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat daar in de bezwaarfase niet om is verzocht, hetgeen wel is vereist.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep in de zaak met zaaknummer 25/2292 gegrond;


verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikking;


vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikkingen bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018, de aanslag IB/PVV 2019 en de aanslag IB/PVV 2020;


vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikking;


vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot € 35.967;


vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 tot € 19.882;


vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2020 tot € 80.606;


veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 907 aan proceskosten aan belanghebbende;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.










griffier


rechter






De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.


ECLI:NL:HR:2026:59.


Hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 1, letter a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente.


Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.


Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.


Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.


Ambtshalve vermindering van de boete in verband met ‘undue delay’ leidt niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).


Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.
Link naar deze uitspraak