Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:1592 
 
Datum uitspraak:12-03-2026
Datum gepubliceerd:26-03-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:25/1152
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:De wet staat slechts toe dat kinderopvangtoeslag wordt toegekend over een periode van drie maanden vóór de indiening van een aanvraag. Ondanks de door eiser aangevoerde omstandigheden mag de Dienst Toeslagen niet afwijken van deze periode. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/1152

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. C.E.P. van Wissen),

en

Dienst Toeslagen
(gemachtigde: mr. M. Akka en mr. H. Nieuwendijk).


Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek van eiser om kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht over de periode januari 2024 tot en met augustus 2024 toe te kennen.


1.1.
De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond, omdat eiser de kinderopvangtoeslag te laat heeft aangevraagd. De wet staat slechts toe dat kinderopvangtoeslag wordt toegekend over een periode van drie maanden vóór de indiening van een aanvraag. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de periode januari 2024 tot en met augustus 2024.




Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij zijn primaire besluit van 13 maart 2025 gebleven. In dat besluit heeft de Dienst Toeslagen beslist dat eisers aanvraag van 4 december 2024 te laat is ingediend en eiser daarom geen recht heeft op kinderopvangtoeslag vóór 1 september 2024.


2.1.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.




Totstandkoming van het besluit

3. Eiser heeft op 4 december 2024 kinderopvangtoeslag aangevraagd. Op 7 december 2024 heeft eiser een herzieningsverzoek ingediend. Hierin heeft eiser verzocht om ook kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht per januari 2024 tot en met augustus 2024 aan hem toe te kennen.


3.1.
Met dagtekening 31 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen aan eiser voor het jaar 2024 een voorschot kinderopvangtoeslag verleend van € 1.366. Dit voorschot heeft betrekking op de maanden september tot en met december 2024.



3.2.
Met het besluit van 13 maart 2025 heeft de Dienst Toeslagen beslist dat eisers aanvraag voor kinderopvangtoeslag per januari 2024 te laat is ingediend. Eiser heeft daarom geen recht op kinderopvangtoeslag in de maanden januari 2024 tot en met augustus 2024.



3.3.
Met het besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft de Dienst Toeslagen het besluit van 13 maart 2025 gehandhaafd. Dit is het besluit waartegen eiser beroep heeft ingesteld.




Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen terecht geen kinderopvangtoeslag heeft toegekend aan eiser over de maanden januari 2024 tot en met augustus 2024.

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Standpunten van partijen

6. Eiser doet een beroep op de menselijke maat. Eiser stelt dat de Dienst Toeslagen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Hij verwijst daarbij allereerst naar het evenredigheidsbeginsel. Eiser was namelijk niet in staat om de kinderopvangtoeslag op een eerder moment aan te vragen in verband met een ziekenhuisopname door een bedrijfsongeval in de periode januari 2024 tot en met juni 2024. Daarnaast wijst hij erop dat zowel hij als zijn partner lager beroepsonderwijs heeft genoten en dat hij over een dyslexieverklaring beschikt. De beperkte terugwerkende kracht van drie maanden voor het aanvragen van kinderopvangtoeslag is daarom onevenredig, zeker in vergelijking met de veel langere termijnen die voor belastingen gelden. Eiser bepleit dat daarnaast ook het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, omdat de Dienst Toeslagen ouders niet expliciet aanschrijft dat zij recht hebben op kinderopvangtoeslag. Ook bepleit eiser dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat ouders niet worden behandeld als fatsoenlijke burgers, maar als mogelijk frauderende subjecten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser de facturen overgelegd waaruit blijkt dat hij kinderopvang heeft afgenomen vanaf 1 februari 2024. Daarnaast heeft eiser zijn dyslexie-verklaring overgelegd.

7. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat terecht geen kinderopvangtoeslag aan eiser is toegekend over de maanden januari tot en met augustus 2024, omdat eiser de kinderopvangtoeslag te laat heeft aangevraagd. De Dienst Toeslagen stelt dat daarbij het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet zijn geschonden.


De redenen voor de beslissing van de rechtbank

8. In artikel 1.3, tweede lid, van de Wet kinderopvang (Wko) is bepaald dat de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is. In artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wko staat, in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Awir, dat een ouder geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over de periode tot de eerste dag van de kalendermaand die drie kalendermaanden ligt voor de datum van de aanvraag.


Het evenredigheidsbeginsel


8.1.
De rechtbank overweegt dat de aanvraagtermijn in artikel 1.3, tweede lid, onder b, van de Wko dwingendrechtelijk van aard is. De tekst van deze bepaling laat geen ruimte om over een langere periode in het verleden kinderopvangtoeslag toe te kennen dan de in die bepaling opgenomen termijn van drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is gedaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 3 maart 2023 geoordeeld dat er daarnaast geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de wetgever bedoeld heeft de mogelijkheid open te laten om onder omstandigheden van deze aanvraagtermijn af te wijken. Voor de toepassing van artikel 1.3, tweede lid, onder b, van de Wko heeft de wetgever namelijk niet in een uitzonderingsmogelijkheid voorzien. Ook zijn er volgens de Afdeling in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen te vinden om aan te nemen dat onder omstandigheden van de termijn uit artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wko zou mogen worden afgeweken. Ook de rechtbank ziet die aanwijzingen niet.



8.2.
De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 3 maart 2023 verder geoordeeld dat er ook geen ruimte bestaat om artikel 1.3, tweede lid, onder b, van de Wko te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de beperking in de terugwerkende kracht bij de aanvraagtermijn voor de kinderopvangtoeslag. Dat door deze beperking van de terugwerkende kracht ouders kinderopvangtoeslag zouden kunnen mislopen, heeft de wetgever ook voorzien. De wetgever heeft geen aanleiding gezien om op dit punt een uitzonderingsmogelijkheid op te nemen. Dat betekent dat de door eiser genoemde omstandigheden, namelijk zijn ziekenhuisopname, de omstandigheid dat hij en zijn partner alleen lager beroepsonderwijs hebben gevolgd en dat er dyslexie bij hem is vastgesteld, daarom niet kunnen leiden tot het afwijken van de aanvraagtermijn.


Het zorgvuldigheidsbeginsel



8.3.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te oordelen dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. De Dienst Toeslagen heeft er terecht op gewezen dat hij geen verplichting heeft om burgers erop te wijzen dat zij mogelijk recht hebben op kinderopvangtoeslag. De omstandigheid dat, zoals eiser stelt, de overheid weet dat hij een tweejarig kind heeft, maakt dat niet anders. Eiser is, net als iedere andere burger, zelf verantwoordelijk voor het tijdig aanvragen van toeslagen.


Het vertrouwensbeginsel



8.4.
Eiser vindt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat ouders na de toeslagenaffaire erop moeten kunnen rekenen dat zij door de overheid als fatsoenlijke burgers worden behandeld en niet als burgers die mogelijk frauderen. De Dienst Toeslagen stelt terecht dat er geen sprake is van een uitlating of gedraging die kan worden gekwalificeerd als een toezegging dat eiser recht heeft op kinderopvangtoeslag in de periode januari 2024 tot en met augustus 2024. De rechtbank oordeelt dat er daarom geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de periode januari 2024 tot en met augustus 2024. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Tenslotte heeft hij ook geen recht op schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over na te betalen kinderopvangtoeslag.





Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Link naar deze uitspraak